Alle letters zijn persoonlijkheden

Voor de kunstenaar is het atelier de plaats waar zich het maakproces afspeelt en niet zelden ook het denkproces dat er aan voorafgaat. Heeft die plaats invloed op beide processen en hoe spelen die zich af? Een serie gesprekken op de plek waar de kunst tot stand komt. Vandaag de vierde aflevering: Ralph Prins in Den Haag. Affiches en ontwerpen voor monumenten van Ralph Prins zijn te zien op de expositie 'Uit onmacht naar daadkracht, t/m 21 mei in het Joods Historisch Museum, J.D. Meijerplein 2-4 in Amsterdam, dag. 11-17 uur.

Ook vele vrouwelijke modellen die voor hem hebben geposeerd, of wier portret hij aan foto's heeft ontleend. In het foto-atelier is het al niet anders: dezelfde energie die hij aan de dag legt voor het tekenen, gebruikt hij om te fotograferen. Ook dat zijn vaak portretten, want naar de mens gaat Prins' grootste fascinatie uit. “Sociale betrokkenheid is niet iets dat ik me heb aangeleerd, ik heb het van mijn ouders mee gekregen, het is een vanzelfsprekend gegeven.”

In zijn ateliers wordt duidelijk dat hij een verwoed verzamelaar is van speelgoed, van souvenirs van zijn vele reizen. “Het zijn herinneringen, niet meer”, zegt hij er bescheiden over, maar intussen hangt de hele geschiedenis van de priktol in dunne koordjes aan de muur en zie je stokoude speelpaardjes tussen blikken draaimolens in een bevroren sprong gevangen. Zijn liefde voor die onderwerpen is in zijn werk terug te vinden; al jaren werkt hij aan een serie foto's van draaimolens en paarden. Het atelier is zijn Fundgrube, een plek waar hij zijn inspiratie opdelft.

Sinds de jaren vijftig woont Ralph Prins (geboren in 1926) ononderbroken in de Haagse binnenstad. Zijn huis vormt in tegenstelling met de drukte die buiten heerst, een oase van rust. Hij heeft onder slechtere omstandigheden gewerkt: in de aanloop naar zijn kunstenaarsloopbaan trof hem het lot dat zovele joodse Nederlanders moesten ondergaan. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zat hij op het Amsterdams Lyceum dat hij spoedig moest verruilen voor het Joods Lyceum. Van daaruit ging hij in 1942 naar de Joodse Kunstnijverheidsschool. Het was de plek waar hij voor het eerst daadwerkelijk met de beeldende kunst in aanraking kwam. “Ik heb daar de zekerheid gekregen dat ik in het vak wilde doorgaan. Ik had op de ambachtsschool waar ik een poosje op heb gezeten, al eens een kwast in handen gekregen. Dat gevoel van vertrouwen werd op de Kunstnijverheidsschool bevestigd.”

Prins leerde er letters tekenen. “Ik houd nog altijd van letters. Als je weet dat het woord letter in het Frans caractère betekent en in het Engels typeface, dan weet je precies waarom ik er zo van houd. Ik ben soms brooddronken van letters. Of ze lelijk of heel mooi zijn, letters zijn allemaal persoonlijkheden, waar ik net als bij mensen nooit op uitgekeken raak.” Zijn typografische kwaliteiten maakten hem na de oorlog een veelgezocht kunstenaar. Voor Amnesty heeft hij tientallen affiches ontworpen die hem wereldwijd bekend maakten.

In alle ellende die de joden in de oorlog trof, was er voor de jonge Prins één lichtpuntje. Met zijn moeder, een directrice van een inrichting voor moeilijk opvoedbare joodse meisjes, kwam hij terecht bij de zogeheten Barneveldgroep. Deze mensen waren onder de Duitse bezetting op een lijst geplaatst op grond van het feit dat zij, als joden, een markante bijdrage aan de Nederlandse wetenschap en cultuur hadden geleverd. Plaatsing op de lijst, die leidde tot vrijwillige internering, voorkwam in eerste instantie dat ze naar het Oosten werden gedeporteerd. “In Barneveld waar zo'n 600 mensen waren ondergebracht, heerste een milde sfeer. Er was geen Duitse bewaking, het was een geheel joodse aangelegenheid. Desondanks zijn we op een gegeven moment toch nog naar Westerbork afgevoerd.”

Voor de jonge Prins bood zowel Barneveld als Westerbork een goede gelegenheid om er te leren werken. “Je zat er in een milieu waarin veel over kunst en cultuur werd gesproken. Eén van de mensen die ik me nog levendig kan herinneren, was de kunsthistoricus prof. H. van der Waal. Hij had de supervisie over mij en met hem heb ik veel over kunst gepraat. Van der Waal was een van de eersten die erkende dat de fotografie kunst kon voortbrengen. Dat was heel wat voor mij. Voor tekenen had ik niet veel meer nodig dan papier, een potlood en tekenplankje dat ik 's avonds onder mijn matras verstopte.”

In Westerbork had Prins als ordonnans van de strafbarak voldoende vrijheid van beweging om zich overal in het kamp te kunnen begeven. Dat gold ook voor de wekelijkse transporten die hij van dichtbij kon zien vertrekken. Het zijn deze ervaringen die hij zo veelvuldig in zijn tekeningen en beelden heeft verwerkt. Prins werd na de oorlog regelmatig gevraagd om oorlogsmonumenten te ontwerpen. “Ik probeer gevoelens te vertalen, ik zoek niet naar wat er precies is gebeurd. Als je de historische kant bondig verwoordt, dan werkt het niet meer als monument. Een monument kent andere wetmatigheden om door te dringen tot de beschouwer. Datgene dat je aanreikt, moet de katalysator zijn van gevoelens.”

Hij is teruggekeerd naar Westerbork om daar in de vorm van twee naar de hemel geheven rails een aanklacht tegen de massamoord te maken. In het Zuidhollandse Strijen staat net zo'n aangrijpend monument, een in graniet uitgevoerde Davidster. In de onderste driehoek van de ster heeft hij “iets te weeg gebracht dat er op lijkt alsof er is op los gemokerd. Een soort Rambo heeft daar met grote brutaliteit getracht het beeld te beschadigen. Ik heb dat letterlijk zo gedaan, om er onder de tekst te zetten 'Nooit meer'.”

Het feit dat hij bij de Barneveldgroep zat, die ook in Westerbork als eenheid bij elkaar kon blijven, heeft zijn leven gered. Met een van de laatste transporten die uit Drenthe vertrok kwam hij in Theresienstadt terecht. “Ik heb er weinig getekend, maar des te meer gepraat met de mensen die er zaten. Er waren leraren van de Filmhogeschool in Praag, die waren zo geïnteresseerd in me dat ze me privéles gaven. Een van hen was de poppenfilmer Jiri Trnka die me heeft geleerd hoe je close ups moest maken en hoe te monteren. Die mensen praatten op me in en ik was op een leeftijd dat ik dat alles in me opzoog.”

In Theresienstadt werd hij uitgewisseld met Duitse geïnterneerden in Zwitserland, zodat hij de bevrijding van Europa in Zürich kon meemaken. “Wilde je daarvoor in aanmerking komen, dan moest je om de beurt voor de kampcommandant verschijnen. Die vroeg me waarom ik naar Zwitserland wilde. 'Mag ik met u praten alsof er geen oorlog is', vroeg ik hem en vervolgde: 'In Zwitserland staat een school, de Kunstgewerbeschule in Zürich, die de beste op het gebied van kunstonderwijs is'. Die man vond dat zo'n goed idee dat hij me op die lijst plaatste.”

Mogen de scholen hem uiteenlopende technieken hebben bijgebracht, het leren kijken heeft hij van huis uit meegekregen. Typerend voor Prins' werk is dat er zo veel wordt gekeken, het lijkt alsof de beschouwer zichzelf steeds weer in een spiegel kan opzoeken. “Mijn vader nam me al op mijn derde mee naar het museum. Dan moest ik niet zeggen dat ik het mooi vond, maar wàt ik er zo mooi aan vond. Hij zei altijd 'je staat hier en de museumdirecteur vraagt aan je welk werk je zou willen uitkiezen' en dan moest ik zeggen waarom. Zo'n situatie gebeurt in werkelijkheid natuurlijk niet. Tot ik op een keer in het kunstmuseum in Istanbul was. Ik stond daar een poos naar een theepotje in een vitrine te kijken, toen een man op me afkwam en me vroeg wat me zo interesseerde aan dat kannetje. Ik kon het hem vertellen, waarop de man zich voorstelde als de directeur van het museum. Hij noemde vervolgens een bedrag waarvoor ik het theepotje mocht hebben. Dat was heel vreemd, dat je iets uit een museum kon kopen, maar ik heb het gedaan. Het bedrag was laag, ik heb het potje hier in de kast staan.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden