ALHAMBRA TOONT MET 'AL-ANDALUS' MOORSE KUNST VAN SPANJE

De tentoonstelling 'al-Andalus, Moorse kunst in Spanje', is dagelijks van 9 tot 21 uur, tot 7 juni te zien in het Alhambra van Granada. 's Zondags en op 1 mei van 9 tot 18 uur. Zeer aanbevolen: ga vroeg, qua temperatuur en qua stilte in de tuinen. Om half negen 's ochtends is de rij voor de ingang nog te overzien. Er mogen niet meer dan 200 bezoekers per half uur naar binnen, en die staan geheid meervoudig voor de poort.

'De overgave van Granada' is een belangrijke en veelgevraagde ansichtkaart, weet de kioskbaas. De kaart schijnt zelfs amper kans te krijgen om gekruld en verbleekt te raken door de Andalusische zon. De afbeelding jongleert op de rand van kitsch, maar vertelt ondertussen haarscherp het verhaal van 1492. Rechts, en in vol ornaat, staan de vertegenwoordigers van de Reconquista (herovering), los reyos catolicos (het katholieke koningspaar) Isabella van Castilie en Ferdinand van Aragon. Beiden zijn te paard, en stralen samen met hun raadsheren en voetvolk een opperste arrogantie uit. Wat mot je nou? lijken ze met neus en hoofdharen in de wind uit te roepen. De aangesprokene, links amper nog in beeld, wil nog veel maar mag niets meer. De laatste koning der Moren in Spanje, Boabdil, heeft juist Granada met het Alhambra-paleis overgedragen. De muzelmannen moesten terug naar waar ze vandaan kwamen, naar Noord-Afrika en verder zuidoostwaarts. Tijdens de terugtocht moet de moeder van de treurende Boabdil hem hebben toegesnauwd: 'Je huilt als een vrouw om datgene wat je als man niet kon behouden.'

Nadat de Iberiers (= Berbers), Kelten, Feniciers, Grieken, Romeinen en Westgoten Spanje waren binnengevallen, trok Berberleider Tarik de Straat van Gibraltar over en gaf het veroverde land de naam al-Andalus. Tussen 711 en 1031 strekte het Europese Moorse rijk zich uit van het Portugese Oporto tot Balaguer, pal onder Barcelona. Gaandeweg moesten de Moren zich zuidelijker terugtrekken, totdat - nu 500 jaar geleden - het laatste Moorse bastion, het Alhambra, viel. Dat de Moren eeuwenlang op het Iberisch schiereiland waren, is nog dagelijks en op veel plekken te zien. Islam en christendom staan in Cordoba wel het potsierlijkst tegenover elkaar: in de Mezquita (moskee), waar later een vroeg-renaissancistische kathedraal middenin is gebouwd. Aartsoptimisten zeggen dat islam en christendom elkaar hier tot op de dag van vandaag omarmen, maar voor dat inzicht moet je over flink schele ogen beschikken. In ieder geval heeft het katholieke koningspaar de moskee van Cordoba niet aan barrels geslagen - dat had ook nog gekund.

De toren van de Sevillaanse kathedraal, de Giralda, was ooit een vierkante minaret en kreeg na een aardbeving - in feite toch ook een soort beeldenstorm - een christelijk klokkenspel met dito bovenbouw.

Maar het schoonste Moorse bouwwerk van Spanje is het Alhambra (al Hamra = het rode huis). Na de overgave van Granada trokken Isabella en Ferdinand en Karel V er in. Vervolgens verloederde het paleis eeuwenlang; rovers en zwervers schuilden er, soldaten van Napoleon gebruikten het als stallen, totdat het pas in 1870 tot nationaal monument werd gedoopt en de restauratie begon.

Onder de Moorse bewoners van het Alhambra waren veel verfijnde vaklieden. De ijver en toewijding die ze in hun kunstvoorwerpen legden, weerkaatsen nog steeds in het straatbeeld van Granada. Zelfs letterlijk, want veel hedendaagse trottoirs hebben de mozaiekvormen uit het Alhambra. De koran verbood de vervaardiging en toepassing van menselijke afbeeldingen, maar een beetje Moorse kunstenaar wist daar al gauw een list op te verzinnen. En wat voor een. Granadijnse mozaieken van 500 jaar oud en ouder, zijn nog steeds verstilder en toch gedurfder dan de kleurvlakken van onze grootste negentiende- en twintigste eeuwse modernen.

Waarom drommen er nog steeds zoveel klanten bij de kraampjes met het zachtgele, zachtgroene, zachtblauwe aardewerk samen? Waarom versiert elke Andalusier z'n plinten en planten met diezelfde kleuren uit de Middellandse Zee? Waarom staat het Madrileense meisje met ogen van afgunst en een opengevallen mondje naar die ene vitrine in het Alhambra te staren? Omdat ze die gouden Moorse oorbellen, daar achter dat glas, in de eigen 8-jarige oren wil hangen en wel ogenblikkelijk.

Het is ondoenlijk op te noemen wat er op de tentoonstelling 'al-Andalus, kunst van Moors Spanje', die nu in het Alhambra wordt gehouden, allemaal te zien is. Zo groot is deze uit de hele wereld verzamelde collectie niet eens, maar uitputtend welzeker. Elke dolk, ring of lakensloop, elk manuscript of toiletannex schrijfkistje (beauty case en draagbare tekstverwerker ver avant la lettre), elke koperen hanglamp - alles is dusdanig tot in de kerven verfijnd uitgevoerd dat je er soms duizelig van wordt, er in ieder geval ruimschoots de tijd voor nemen moet.

Een hedendaagse Europeaan kijkt nog steeds anders dan zijn islamitische tijdgenoot. Daarom is de tentoonstelling voor een Europeaan letterlijk en figuurlijk - clichematig, maar heus waar - oogverblindend. Knettergek word je af en toe van al dat gedraai en gekrul. Maar hoe rijk en schoon is dit alles. Datzelfde kun je daar op die andere Wereldtentoonstelling op vier en een half uur afstand van Granada, in de Andalusische hoofdstad Sevilla, toch moeilijk meer serieus en hardop blijven volhouden.

Het moeilijke van 'al-Andalus' is dat het Alhambra als museum de tentoonstelling overtreft, zo niet verplettert. Anders gezegd: er is geen andere lokatie voor deze tentoonstelling te bedenken, want die was er al heel lang. Dat de tinnen of vergulde dieren nu in vitrines in het hart van het Alhambra staan, is op bijna absurde manier vanzelfsprekend. Even erger je je aan de slierten bezoekers, aan de strenge suppoosten met hun pilotenbrillen en walkie talkies, aan de klimatologisch beheerste uitstalkasten met de Spaanse en Engelse uitlegbordjes ernaast, maar: de objecten passen en pasten hier naadloos.

De Moorse architecten koelden niet hydraulisch of aerodynamisch of elektrisch; het paleis werd en wordt nog steeds gekoeld door 'louter' architectonisch vernuft. Stervormige openingen in muren en daken, hoge en ingelegde plafonds laten wind en licht door, maar niet de zon.

Boos ben je al helemaal niet meer als de tentoonstelling je door een arcadengalerij voert, vanwaaruit je Granada in al haar ingetogen elegantie en tegelijkertijd zinderend van trots ziet liggen. Dit schouwspel is wederom oogverblindend, maar de bogen boven je hoofd zorgen ervoor dat je dat, onder die knallende hemel van azul, ook zonder oogvernauwing kunt zien.

En dan zijn de tuinen nog niet eens betreden, met al die roerloze cypressen, dat tijdloze geklater uit de drinkfonteinen, de vlagen van oleander, jasmijn, mint, het gemurmureer van de permanent overstromende bassins waar zwarte en oranje goudvissen loom hun vissengang gaan.

Dan snap je heel goed waarom Boabdil moest huilen.

Na 7 juni reist de tentoonstelling naar de thuishaven van de hoofdorganisator, het Metropolitan Museum of Art in New York (van 30 juli tot 27 september). Je krijgt bij voorbaat te doen met de Amerikaanse bezoekers die 'al-Andalus' daar gaan zien, maar ja, dan hadden die ook maar niet in de nieuwe wereld moeten gaan wonen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden