Algerijnse journalisten allang niet meer onafhankelijk

De auteur is historicus en redacteur van 'Soera', tijdschrift over het Midden-Oosten.

GERBERT VAN DER AA

Gezeten voor een wand waarop bloederige foto's hingen van slachtoffers van het islamitisch terrorisme, schetste de Algerijnse delegatie een luguber beeld van de activiteiten van de gewapende verzetsgroepen. Mohamed Benmohamed, die werkt voor de krant 'El Moudjahid', droeg voorbeeld na voorbeeld aan om te bewijzen met welke bruutheid de GIA en andere terroristische groepen momenteel te werk gaan. Achter hem hing een foto van een door extremistische moslims afgehakt hoofd. Zijn nog openstaande ogen keken de gehele middag de zaal in.

Toen er vanuit de zaal geïnformeerd werd naar de methodes die Algerijnse ordetroepen toepassen om de orde te handhaven, nam ex-minister Leila Aslaoui het woord over. Asloui, wier man in oktober 1994 werd vermoord, trok fel van leer tegen de mensenrechtenorganisatie Amnesty International, die in oktober vorig jaar een rapport publiceerde waarin onder de aandacht werd gebracht dat de manier waarop het regime probeert de orde te handhaven, de brute werkwijze van islamitische terreurbewegingen evenaart.

Asloui: “Ik heb respect voor Amnesty, maar het is duidelijk dat deze organisatie niet altijd een even objectief beeld schetst van de werkelijkheid. Mensen in Europa moeten ervoor oppassen dat zij zich niet laten informeren door organisaties die een verkeerde voorstelling van zaken geven. Ik heb vorig jaar een aantal vertegenwoordigers van Amnesty ontvangen en hun laten zien, aan welke wandaden de terroristen zich schuldig maken. Tot mijn verrassing werd er in het rapport dat enkele maanden laten verscheen, slechts gesproken over de manier waarop de islamitische beweging door de Algerijnse staat onderdrukt wordt. Amnesty zou zich meer moeten verplaatsen in de omstandigheden die hebben geleid tot het ontstaan van de huidige situatie. Het zijn de terroristen die zijn begonnen met het afslachten van onschuldige burgers, niet wij. Moeten wij soms lijdzaam toezien bij wat zij doen?”

Asloui bagatelliseerde de rol die het huidige regime speelt bij de radicalisering in Algerije. Het verbieden van het islamitisch heilsfront FIS in 1992 was nu niet direct de meest intelligente manier om aan de onrust in Algerije een einde te maken. Iedereen met een greintje politiek inzicht weet, dat het illegaal verklaren van een brede volksbeweging - die het FIS was - overal in de wereld leidt tot terreur. Het regime had veel ellende kunnen voorkomen als het had aangestuurd op een machtsdeling en compromissen had gesloten met gematigde elementen binnen het FIS.

Akkoord van Rome

De in Den Haag aanwezige Algerijnse delegatie schilderde het FIS af als een groep mensen die louter uit godsdienstwaanzinnigen bestaat. In januari tijdens overleg im Rome met andere Algerijnse oppositiepartijen, namen de FIS-vertegenwoordigers echter een opvallend gematigde houding aan. Zij verklaarden terrorisme af te keuren en erkenden zonder voorbehoud de mensenrechten zoals die zijn vastgelegd in de Universele verklaring van de rechten van de mens. Wel waren de leiders van de in Rome aanwezige oppositiepartijen - waaronder de vroegere eenheidspartij FLN en het door Berbers gedomineerde FFS - het erover eens dat een gewapende strijd tegen de huidige militaire machthebbers legitiem is zolang er niet opnieuw verkiezingen worden uitgeschreven waaraan ook het FIS mag deelnemen.

Asloui, die als onafhankelijk politica werd gepresenteerd, maar de afgelopen vier jaar tweemaal minister was, verwerpt net als de regering het in Rome bereikte akkoord. Net als veel andere seculier georiënteerde Algerijnen beoordeelt zij het FIS aan de hand van diens meest radicale elementen. Dat de partij ook een tamelijk gematigde vleugel herbergt, zoals de Franse Algerije-deskundige François Burgat betoogt in zijn pamflet 'The political transition in Algeria', wordt door haar van de hand gewezen. Ze merkte op: “Het FIS is verboden en bestaat voor mij niet meer. Hun leider Ali Belhadj heeft meermalen opgeroepen tot een gewapende strijd tegen de regering. We zien dagelijks wat er gebeurd zou zijn als deze mensen aan de macht zouden zijn gekomen.”

De aanwezige Algerijnse journalisten luisterden gedwee naar Asloui, knikten af en toe instemmend ja, maar waagden het niet kritiek te leveren. Zij bevinden zich in een lastig parket. In Den Haag waren afgevaardigden van de Algerijnse ambassade aanwezig die erop toezagen dat er niet openlijk kritiek werd gespuid op de regering. Journalisten die dat wel doen, worden in Algerije regelmatig voor de rechter gedaagd of eenvoudigweg ontslagen.

Amaia Esparza van de onder auspiciën van de IFJ opgezette 'Journalist Safety Service' merkt op: “Enige tijd geleden was er ook in Amsterdam een bijeenkomst van Algerijnse journalisten. De Algerijnse ambassadeur zat op de eerste rij. Op het moment dat er te harde kritiek werd geleverd op de Algerijnse regering, bemoeide hij zich met de discussie en begon ruzie te schoppen. Je merkt dat Algerijnse journalisten gedwongen worden om partij te kiezen. Ik heb zo mijn bedenkingen bij het feit dat zij op dergelijke bijeenkomsten als onafhankelijk gepresenteerd worden.”

Een in Nederland woonachtige Algerijnse filmmaker merkte na afloop van de bijeenkomst in Den Haag op: “Ik vond het een teleurstellende middag. Ik heb de aanwezige journalisten wel eens anders horen praten. Ze durven niet openlijk kritiek te leveren op het huidige regime en zijn bang. Zolang mensen in Algerije gedwongen worden om partij te kiezen en niet mogen zeggen wat ze denken, zie ik een sombere toekomst weggelegd voor het land.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden