Algemene beschouwingen over normen waarden

Kort geleden had ik de eer om te worden genomineerd voor de NS Publieksprijs, een literaire prijs die door de Nederlandse Spoorwegen bekostigd wordt en via heuse verkiezingen door lezers wordt toegekend. Een commissie stelt de genomineerden vast en een belangrijk motief daarbij is kale kwantiteit: de aantallen verkochte exemplaren.

Op de zaterdag van de Amsterdamse Uitmarkt zouden de genomineerden zich aan het publiek komen voorstellen. In de Spiegeltent op het Museumplein bevond ik me die avond op één podium met de schrijvende bioloog Midas Dekkers, met het schrijvende ex-topmodel Daphne Deckers, en met de fulltime schrijvers Thomas Rosenboom en Heleen van Royen. Hella Haasse was afwezig door familieomstandigheden en haar plaats werd ingenomen door haar uitgeefster.

De presentator vertelde ons dat door tijdgebrek geen gesprekjes konden plaatsvinden, ook al was dat afgesproken, en dat het de bedoeling was dat de schrijvers hun genomineerde boek zodanig aanprezen dat het toegestroomde publiek het zijn stem zou geven. Een wedstrijd dus. We kregen elk twee minuten de tijd.

Onder andere omstandigheden is de van radio en tv bekende presentator een intelligente, welbespraakte man, maar het was duidelijk dat hij de opdracht had om van de bijeenkomst een kermisattractie te maken, we stonden per slot van rekening in een tent. Hij wees Midas Dekkers aan om de rij te openen.

Voor de vuist weg kon Dekkers een korte conference bij elkaar sprokkelen. Vervolgens nam de presentator Dekkers' plaats achter de microfoon in en smeet hij vijf exemplaren van Dekkers' genomineerde boek de tent in.

Met open mond keek ik toe hoe de boeken door de lucht vlogen. Ze werden gevangen of misten een hand en stuiterden via armen, hoofden en schouders tussen de stoelen. Het publiek vond het prachtig.

Toen was het de beurt aan Heleen van Royen. Zij las uit haar genomineerde boek een in de ik-vorm geschreven fragment voor over een vrouw die zin had maar geen willige mensenpenis onder handbereik had; daarom deed zij het maar met een banaan. Haar boeken werden door de presentator door de tent geëjaculeerd.

Later betrad ook Daphne Deckers het podium. Zij heeft een boek met columns over kinderen uitgegeven, en om haar fragment in te leiden vertelde zij dat haar man, een dag nadat zij van een kind was bevallen, tussen haar benen keek en daarbij opmerkte: 'Je ziet eruit als een ontplofte egel.'

Gelach in de zaal. Daphne's man, ook aanwezig, keek trots en vergenoegd rond. Daphne was dus net zo'n toffe peer als Heleen. Boeken werden de zaal in gesmeten.

Ik kan me voor m'n kop slaan dat ik, toen de boeken van Midas Dekkers als oud papier door de tent werden geslingerd, niet aan mijn eerste opwelling heb toegegeven. Maar je wilt beleefd zijn en de aardige mensen van de CPNB, de promotieorganisatie van de Nederlandse boekhandelaren die de prijs organiseert, niet voor het hoofd stoten door demonstratief de tent te verlaten. Je wilt ook niet dat mensen gaan denken dat je je superieur waant of dat je arrogant, overgevoelig, elitair bent. Maar je trekt wit weg en je denkt: dit kan niet. Zo ga je niet met boeken om. Boeken koester je, je zet ze in kasten, je verhuist ze met je mee, desnoods laat je ze in een doos verstoffen of verkoop je ze achteloos aan De Slegte wanneer je ze verstoten hebt, maar boeken, ook die van Heleen en Daphne, pleur je niet op een zaterdagavond door een feesttent omdat het leuk of cool is of omdat het nou eenmaal altijd kermis moet zijn.

Het was een intrigerende bijeenkomst. Neem nou Heleen van Royen. Zij bleek bij machte om het bananenfragment zonder context voor te dragen. Zij droeg een elegante jurk met korte mouwen en plantte haar in laarzen gestoken benen als een kerel op het podium en las luid en zelfverzekerd over het genot van de banaan. Tijdens de promotiecampagne heeft zij geen kans voorbij laten gaan om haar eigen promiscuïteit te etaleren, zoals zij dat ook in haar columns in Het Parool doet, en wellicht berust het succes van haar boek grotendeels op de sterke suggestie dat zij over haar eigen verhouding met de banaan heeft geschreven. Heleen neukt alles wat los en vast zit, wil zij ons laten denken, en dat vindt de lezer heel geil en koopt haar boek.

In de hedendaagse literaire exploitatie van de eigen kut staat zij niet alleen. Fransen zijn er gek op. Ook ik vind dat in de kunsten alles moet kunnen, en als Heleen van Royen door het beschrijven van een krachtige banaan een orgasme en een tevreden bankrekening krijgt, dan kan de boekhandel daar alleen maar gelukkig mee zijn. Maar er is meer aan de hand. Haar werk en optreden heffen de scheiding op tussen het persoonlijke - zeg maar: de kut van Heleen van Royen - en het openbare - de publieke kut van een literaire fantasiefiguur - en daarmee draagt zij, misschien niet eens bewust, bij aan de definitieve teloorgang van het ouderwetse begrip intimiteit. Zij wekt de indruk dat zij iemand wil zijn die overal lak aan heeft, net als Daphne Deckers, die unverfroren het deel van haar lichaam dat zich ter hoogte van de samenloop van de pijpen van haar spijkerbroek bevond als een ontplofte egel omschreef.

Daphne had daar ook over kunnen zwijgen. Zij had haar persoonlijke ervaringen voor ons verborgen kunnen houden, omdat die tot het heilige domein van haar en haar echtgenoot behoren. Maar zij kende de dringende behoefte om een geintje te maken over de meest intieme pijn van een van de meeste intieme momenten die een vrouw kan ondergaan. En daarmee gaf ook zij te kennen, net als het leuke, brutale, Amsterdamse ding Heleen, dat het allemaal geen ruk meer uitmaakt. Overal lak aan hebben. Naar alles een lange neus trekken. Niks is heilig. Boeken zijn er om door een tent te pleuren.

Ik weet het, het is een achterhaalde, vol-strekt antieke aandoening, maar ik geneerde me voor de vertoning. De aardige meneer van de CPNB fluisterde me na afloop een paar bemoedigende woorden toe. Hij had er kennelijk ook last van. Het publiek niet.

Ik verliet de Spiegeltent. Het Museumplein lag erbij alsof er een orkaan overheen was geraasd, overal papier, bekertjes, rommel en afval. Duizenden mensen waren in afwachting van de avondoptredens en konden zich

straks weer heerlijk overgeven aan de zoveelste event.

Een week eerder had de televisieregistratie van het Prinsengrachtconcert door de violist Gil Shaham veel toeschouwers in beeld gebracht die flessen rosé openden en brokken Franse kaas doorgaven, ondertussen lekker keuvelend, terwijl ergens op de achtergrond Shaham zich in Brahms verloor. Als Shaham stopte, werd men er zich opeens van bewust dat het hier om een concert ging, en de rosédrinkers zetten een moment hun glas weg, klapten uitbundig en lieten hun scheepstoeters blèren. Het was best gezellig met de rosé en de brie. En dat de muziek misschien heel bijzonder was, deed er geen fuck toe.

Terwijl ik me naar huis haastte, bereidde ver weg in Biddinghuizen het publiek zich voor op weer een heel andere event: een ode aan Johnny Hoes. Johnny Hoes heeft decennia lang het meest zwakbegaafde deel van het polonaise behoeftige publiek bediend met de grofste smartlappen. Maar nu is hij camp geworden en dus mocht Johnny Hoes zich dit jaar op het Lowlands Festival, ooit ontstaan als een alternatief voor Pinkpop, verheugen op een uitgebreid eerbetoon als de meester van het levenslied. Want alles moet kunnen. Want alles is hetzelfde. Misschien treedt volgend jaar in Biddinghuizen Heleen op voor een flitsende literaire floorshow met een tros bananen, gevolgd door Daphne die komt laten zien dat haar egeltje weer een bevertje is geworden.

Ik heb er moeite mee om het te zeggen, maar ik doe het toch: wat zich in de Spiegeltent had voorgedaan, hoe klein en onopmerkelijk ook, vond ik in feite heiligschennis. Om die te plegen heb je heiligheid nodig. En heb je het vermogen nodig om onderscheid te maken tussen wat heilig en wat profaan is. Maar dat vermogen is verloren gegaan. Onderscheid maken, discrimineren in de letterlijke betekenis van het woord, is beladen geworden. Discriminatie is synoniem geworden met het aanbrengen van waardenverschillen tussen mensen op basis van hun raciale kenmerken. En van daaruit heeft de term een veel grotere reikwijdte gekregen. We mogen over niets meer een waardeoordeel uitspreken, omdat dat oordeel besmet is geraakt door de verdenking dat het ten langen leste een vorm van racisme is. We hebben ons zelf aangeleerd dat niet alleen individuele mensen netjes egalitair naast elkaar moeten staan, maar dat ook culturen en cultuuruitingen gelijkwaardig zijn.

Maar is discriminatie, in de oorspronkelijke, niet-racistische betekenis, niet het begin van alle beschaving? Onderscheid maken. Hiërarchie aanbrengen. Wanneer alles gelijkwaardig aan elkaar is geworden, wanneer alles op dezelfde hoogte naast elkaar bestaat, is alles even mooi of lelijk en wordt alles een kwestie van individuele smaak. En uiteindelijk, zoals de Duits-Amerikaanse filosoof Leo Strauss heeft geschreven, wordt ook 'kannibalisme een kwestie van smaak'.

Wat ik ben gaan betreuren, is het verlies van sociale controle in de openbare ruimte, van de onuitgesproken maar volstrekt vanzelfsprekende gedragsregels die de burgerij zichzelf en haar naaste omgeving oplegde om het samenleven als gelijkwaardige maar verder volstrekt ongelijke individuen mogelijk te maken.

Wat ik betreur, is de teloorgang van de eenvoudige maar indrukwekkende zin: 'Zoiets doe je niet.' Wanneer gedragsregels niet meer de glans van het vanzelfsprekende hebben, sterft die zin, en daarmee verdwijnt het zelfvertrouwen van de burgerij.

Met het ontstaan van de stedelijke burgerij in de late Middeleeuwen is de liberale samenleving begonnen. Haar zelfregulerende vermogen, haar regels, zelfdiscipline, vrijheidszin en haar behoefte om het individu te bevrijden van bijgeloof, tribale ketens en onwetendheid hebben geleid tot het wonder van de Westerse cultuur. Onderdeel van het bijzondere sociale weefsel van de liberale samenleving is ook het vermogen om sociaal hypocriet te zijn: om in het publiek gedisciplineerd en bescheiden samen te leven en privé desgewenst losbandige dubbellevens te leiden, om niet alles te zeggen wat je denkt, om te kunnen bepalen wanneer je je uitspreekt en wanneer je de sociale rust van het collectief in stand moet houden.

Al geruime tijd wordt de burgerij van twee kanten aangevallen. Aan de rechterkant door de snobs en esthetici die, sinds de Duitse romantiek zo'n kleine tweehonderd jaar geleden, de waarden en normen van de burgerij verachten. De snobs beschouwen zichzelf als de aristocraten van de geest en zien de burgers als platvloerse handelaren in goederen zonder geestelijke bagage. Deze snobs noemen zich in navolging van Flaubert 'bourgeoisphoben', burgerhaters, en verafschuwen de gedachte dat een samenleving van vrije burgers tot grootsheid kan komen. Deze snobs haten niet alleen burgers, zij haten Amerika, kapitalisme, vlijt en zuinigheid, joden, negers en, vooral, de liberale democratie. De Amerikaanse schrijver Gore Vidal zou je zo'n estheet kunnen noemen. Hij is een felle anti-Amerikaan die in Italië is gaan wonen, een fijnzinnige homoseksuele estheet à la Oscar Wilde die met dédain de neus ophaalt voor de mercantiele ziel van de VS. Voor hem is de regering Bush, zo zei hij onlangs, net zo slecht als de dictatuur van Saddam Hoessein. Over Noord-Korea merkte hij achteloos op: 'Och, de mensen daar zullen wel doorgaan met te sterven van de honger. Dat vertellen onze media ons tenminste.' Een hooghartige stem vol superioriteit en verstoken van mededogen.

De Amerikaanse journalist David Brooks schreef vorig jaar in Letter & Geest: ,,Bourgeoisfobie is eigenlijk het haten van succes. Het is een haat van mensen die zichzelf geestelijk superieur voelen, maar op economisch, politiek en sociaal gebied overtroffen worden door anderen. Ze concluderen dat de wereld ziek is, dat deze de verkeerde waarden beloont, de verkeerde mensen en de verkeerde talenten. Als ze zachtaardig zijn, worden ze cynisch, als ze hard zijn, gewelddadig. In de geest van de bourgeoisfoob zijn de succesvolle mensen en naties niet alleen maar lichtelijk vulgair, overgewaardeerd en onverdiend gelukkig, nee, het zijn monsters die, in extreme gevallen, zonder schuldgevoel gedood kunnen worden.''

Aan de linkerkant wordt de burgerij sinds halverwege de negentiende eeuw bedreigd door de extreme gelijkheidsdenkers van het marxisme in al zijn varianten. In de jaren zestig van de twintigste eeuw hebben zij een diepgaande culturele revolte teweeggebracht. Die revolte ontbeerde richting en zelfbeheersing en leidde ten slotte tot de gedachte dat niet alleen de geslachten en de rassen gelijkwaardig zijn, maar ook culturen en cultuuruitingen. De culturele antropologie nam een hoge vlucht en leerde ons dat ook primitieve culturen hun intrinsieke waarde en rijkdom hadden en feitelijk niet meer primitief genoemd moesten worden, maar net zo waardevol waren als de 'zogenaamd' ontwikkelde christelijk-joodse cultuur.

Gepropageerd door filosofen als Foucault, Sartre en Marcuse werden neomarxistische theorieën over de fundamenteel onrechtvaardige aard van de Westerse samenlevingen onder grote groepen mensen gemeengoed. Westerse samenlevingen stimuleerden concurrentie, beloonden de sterksten, slimsten, volhouders - en dat alles was onrechtvaardig voor de zwakkeren, achterblijvers, nietzoslimmen en afhakers.

De antiburgerlijke denker Michel Foucault schreef in 1978 als openingszin van zijn boek 'De geschiedenis van de seksualiteit': 'De zeventiende eeuw was dus het begin van een tijdperk van repressie die kenmerkend is voor wat we de burgerlijke samenlevingen noemen, een tijdperk dat we vermoedelijk niet helemaal achter ons gelaten hebben.' De New York Times schreef goedkeurend over dat boek: 'Foucault laat zien hoe bepaalde ideeën - over gekte, over ziekte, over misdaad - getransformeerd worden om bepaalde tactische diensten in sociale systemen te vervullen.' Ofwel: gekte, ziekte en misdaad zijn maatschappij- en tijdgebonden fenomenen, en gemanipuleerde definities daarvan spelen hun repressieve rollen in onze verderfelijke samenlevingen.

Herbert Marcuse schreef in zijn indertijd beroemde boek 'De eendimensionale mens' (1964): 'Het positieve denken en de daarbij behorende neopositivistische filosofie gaan tegen de inhoud van de rationaliteit in. Deze inhoud is nooit een factor of betekenis van buiten af, die al dan niet in de analyse opgenomen kan worden; hij treedt binnen in het begripsmatige denken als een constituerende factor en bepaalt de geldigheid van zijn begrippen. Inzoverre de gevestigde samenleving irrationeel is, voert de analyse vanuit de historische rationaliteit het negatieve element in het begrip binnen: kritiek, tegenspraak en transcendentie.'

Dit soort duistere teksten verschenen in de jaren zestig en zeventig bij bosjes en waren uitermate populair. Ze boden een rituele geheimtaal voor een sekte van wereldbevrijders. De omslagtekst van dit boek van Marcuse zegt dat de hoogindustriële, burgerlijke samenlevingen hun burgers afhankelijk maken van bezit en consumptie, met andere woorden: een beetje zoals een dealer een junkie verslaafd maakt. Die samenlevingen kunnen niet van hun eendimensionaliteit verlost worden door het proletariaat, want ook dat is gecorrumpeerd. Door wie dan wel? ,,Ze moeten van buitenaf komen, van hen die onderdrukt worden en van minderheden, van studenten en kunstenaars. Vanuit dit oogpunt heeft men dit boek 'het handboek van de revolutionaire studentenbewegingen' en Marcuse zelf de 'inspirator van de opstandige jongeren' genoemd.''

Je kon je onderdompelen in de ronkende geheimtaal van de neomarxistische profeten en daarmee een revolutionaire student worden, terwijl elke maand de toelages van overheid en ouders op de giro werden bijgestort. Zodoende werd de publieke afbraak van de culturele en normatieve hiërarchieën die met de burgerij verweven waren, in de jaren zestig en zeventig vooral een activiteit van studenten en jongeren.

Toch was de cultuurrevolutie van de jaren zestig niet alleen maar waardenvernietigend, maar ook noodzakelijk en bevrijdend. Het was hoog tijd dat arbeiders, vrouwen en homoseksuelen zich emancipeerden. Het was tijd dat de elites die de Tweede Wereldoorlog hadden overleefd en daar hun morele posities hadden verspeeld, een sterke tegenkracht ondervonden. De samenleving werd kleurrijker, vrijer, losser. Maar deze bevrijding is ontspoord in de tirannie van het cultuurrelativisme. In de egaliserende hogedrukpan van de jaren zeventig en tachtig werd elke neiging tot discriminatie gesmoord en verdween de behoefte om het hoogste van het laagste, het mooiste van het lelijkste, het zuiverste van het smerigste en het beste van het slechtste te onderscheiden. Het publiek in het Westen werd geleerd dat Einsteins relativiteitstheorie - die in de sociale wetenschappen geen betekenis heeft - ook gold voor menselijk gedrag en menselijke cultuur- en waardenpatronen: alles werd relatief of subjectief. Sociale controle verdween. 'Zoiets doe je niet' werd een dode zin. In de roes van die tijd ontstond de 'alles moet kunnen' mentaliteit.

Terwijl steeds duidelijker werd dat het ontbreken van stabiele gezinsstructuren een hoofdoorzaak was van de ondergang van orde en veiligheid in Midden- en Zuid-Amerika en in Afrika, werd aan het belang van het gezin en het paradoxale belang van de hypocriete moraal rond seksualiteit geknaagd door feministen, lesbo's, homo's, androgyno's, transseksuelo's en andere revolutionairen die in elk traditioneel gezin de weerspiegeling van imperialistische onderdrukking ontwaarden. De pil had het seksuele fundament en de welvaartsstaat het dwingende economische fundament onder het huwelijk weggeslagen. De neomarxistische prietpraat maakte van het huwelijk een achterhaalde patriarchale constructie. En daarmee begon de erosie van de gezinswaarden en de gezinshiërarchie en daarmee begon ook de erosie van de rollen en patronen die in de loop van vele eeuwen burgerlijk samenleven waren ontstaan.

Vanaf de jaren zestig mochten jongeren hun hormoonexplosies onbegrensd uitleven. De adolescentie werd een levensfase van autonome bokkigheid en de bron van politiek radicalisme. Jongeren gingen de straat op gekleed als antimaatschappelijke anarchisten, vermomd als guerrilla's of feestelijk als stadsindianen met kleurrijke hanenkammen. Ooit was de adolescentie een voorbereiding geweest op de verantwoordelijkheden van de volwassenheid. Nu konden pubers hun opstandigheid eindeloos rekken en daarop het etiket 'alternatief', 'maatschappijbewust' of 'revolutionair' plakken.

Deze luidruchtige maatschappelijke kracht, grotendeels gesubsidieerd door de burgerij, wees traditionele burgerlijke wijsheden en waarden af. De burgerman werd een burgerlul. Burgerfatsoen een farce. Omgangsvormen en seksuele en verbale terughoudendheid begonnen aan een terugtocht uit het publieke domein. Die terugtocht maakte uiteindelijk de weg vrij voor camp, Big Brother, de banaan van Heleen van Royen, de gedoogcultuur en de uitjedakgaan-mentaliteit die zich door geen enkele moreel principe laat begrenzen.

In de openbare ruimte worden afwijkend en crimineel gedrag nauwelijks meer door de burgerij in toom gehouden. Wanneer supermarktwerknemers winkeldieven grijpen, is dat niet vanzelfsprekend, maar voorpaginanieuws. De Amsterdamse overheid noemt demonstraties waarbij op kleine schaal wordt geplunderd en vernield een succes, omdat het niet op grote schaal gebeurde. De overheid kan haar eigen normen niet meer afdwingen. En normen die niet worden nageleefd of afgedwongen, worden niet meer als normen beleefd maar als subjectieve gedachtenspinsels. Kannibalisme is alleen maar een kwestie van smaak want wie zijn wij om daarover te oordelen?

In een tijd die bol staat van spanningen tussen ongelijkwaardige culturen maken progressieve denkers en media een discussie over waarden en normen continu belachelijk en verdacht. Want zo'n discussie zou wel eens tot de conclusie kunnen leiden dat de normen en waarden van de geseculariseerde joods-christelijke erfenis superieur zijn aan die van exotische kannibalen op Papoea Nieuw-Guinea. Wat nu als kannibalisme geen kwestie van smaak is maar een teken van culturele achterlijkheid? Dat de muziek van Johnny Hoes objectief inferieur is aan die van Johannes Brahms? Dat culturen intrinsiek inferieur zijn aan andere? Met andere woorden: moeten we niet discrimineren om te kunnen vaststellen wat van waarde is, en moeten we wat van waarde is niet actief beschermen?

Multiculti, zinloos geweld, gedogen, de verloedering van de openbare ruimtes, de banalisering van de intimiteit - dit zijn geen bij elkaar gesprokkelde misverstanden en problemen, nee, dit alles houdt verband met elkaar. Het verband is het verdwijnen van de hiërarchie in ideeën, normen en waarden. Het verband heet: de tirannie van de gelijkheid.

Als dit proces onomkeerbaar is, zal de samenleving verder versplinteren en uiteenvallen in groeperingen die elk op zoek gaan naar hun eigen sacrale middelpunten en volstrekt van elkaar vervreemden. Ten langen leste draait het om dit begrip: het sacrale, de essentie van wat ons bindt en dat de groep overstijgt en ons deel van een traditie maakt en dat haar leden ertoe kan bewegen om te offeren wanneer er dreiging ontstaat. Zonder hiërarchie bestaat het sacrale niet, en als het sacrale niet bestaat, kan er niet verdedigd worden wanneer de groep geconfronteerd wordt met een antagonist.

Dit lijkt de kern te zijn van de cultuurcrisis waarin Nederland verkeert, en waardoor Pim Fortuyn zijn grote populariteit kon verwerven. Het fenomeen Fortuyn was een reactie op het antiburgerlijke gelijkheidsdenken dat de zwijgende meerderheid van autochtone Nederlanders heeft gefrustreerd en bij de uit niet-Westerse culturen stammende immigranten het misverstand van het recht op gelijkheid heeft opgeroepen. Fortuyn gaf de al decennia in stilte teruggetrokken burgerlullen hun stem terug. Fortuyn, privé een extreme hedonist, pleitte voor publieke discipline. Hij was een seculiere man die hunkerde naar het sacrale, naar de ideeën die het waard maakten om bezield deel te nemen aan het avontuur van de Staat der Nederlanden, waarin een meerderheid van burgers leefde die niet meer bij machte was om haar band met de staat of de identiteit van de staat te omschrijven. Op elke poging daartoe stond verbanning naar de regionen van racisten en xenofoben. Dus zweeg de meerderheid en vond er een innere Emigration plaats, waaruit zij pas bij Fortuyns optreden in het najaar van 2001 terugkeerde. Maar aan de 'tirannie van de gelijkheid' is geen einde gekomen. Niets van wat Fortuyn aan de orde heeft gesteld, is ook maar bij benadering besproken, laat staan tot stand gebracht. Na de dood van Fortuyn hielden de politiek correcte elites zich een tijdje koest. Inmiddels blaffen zij weer volop. De burgerij zwijgt.

Ondertussen wordt duidelijk dat de verzorgingsstaat structureel onbetaalbaar is geworden, dat wijken in grote steden no go areas worden, dat de specifieke problematiek rond immigranten acuut blijft en zal toenemen, dat Nederland geleidelijk oplost in een verre en vage Europese Unie, dat Nederlandse scholen vergeleken met buitenlandse onderpresteren, en dat Arne en Bep als politieke commentators niet meer zijn weg te denken. Wie zijn Arne en Bep? Arne en Bep hebben afgelopen zaterdag gedemonstreerd tegen het kabinet-Balkenende. Arne en Bep zijn allebei 17, allebei hebben ze hun hoofdhaar afgeschoren maar één baan laten staan, en van die haren hebben ze met stijfsel een hoge indianenkam gemaakt. Ze hebben hun lippen en neuzen laten piercen, dragen zwarte leren jacks met metalen punten, en de Volkskrant drukte naast hun foto het volgende vraaggesprek met hen af:

'Arne: Die Balkenende denkt alleen aan zichzelf. Mensen stoppen heus niet met roken omdat hij het nog duurder maakt.

Bep: Ja, als peuken en alcohol niet meer te betalen zijn gaan mensen alleen maar jatten. Zuipen doen ze toch wel.

Arne: Dit kabinet heeft de meest achterlijke bezuinigingen. Als ze m'n pil niet meer betalen ben ik wel honderd keer zwanger in een jaar. Weet je wat een abortus kost?

Bep: Die Balkenende kraamt alleen maar onzin uit en ondertussen helpt hij de maatschappij naar de klote.

Arne: Balkenende moet weg, anders weet je zeker dat het helemaal fout gaat in dit land.'

Wat valt hierna nog op te merken? Verbijsterend is de omvang van hun leeghoofdigheid, de diepte van hun gebrek aan kennis en fatsoen.

We staan met de mond vol tanden wanneer we geconfronteerd worden met problemen die alleen met een culturele herbezinning en het formuleren en uitdragen van traditionele burgerlijke normen en waarden kunnen worden benaderd. Maar 'Zoiets doe je niet' is een zin die tegenwoordig niemand uit zijn strot krijgt. En zelfs als dat wel zou gebeuren, kunnen Arne en Bep niets horen omdat ze er geen oren voor hebben.

Na de event in de spiegeltent op het Museumplein nam ik de trein naar huis. Het was nu rustig. Maar al jaren is het onverstandig om in de trein te ontspannen. Ik heb er diefstallen en vechtpartijen meegemaakt. En meer dan eens heb ik in een trein de sociale terreur van één of meerdere 'schijtaanalleshebbers' ondergaan. Ik was dan deel van de zwijgende meerderheid, gefrustreerd wachtend tot het tuig zou verdwijnen, bang voor een mes of een boksbeugel, ook al wist ik dat ik met mijn medeburgers zou moeten opspringen om de openbare ruimte te heroveren. 'Zoiets doe je niet', heeft vaak op het puntje van mijn tong gelegen. Maar net als bijna iedereen heb ook ik me in stilte teruggetrokken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden