tien geboden

Alexander Rinnooy Kan: 'Gelukkig heb ik bijna geen paniekaanvallen meer'

Beeld Mark Kohn

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden. Deze week spreekt hij wiskundige en senator Alexander Rinnooy Kan.

Rinnooy Kan (Scheveningen, 1949) was onder andere voorzitter van de SER, lid van de Raad van het bestuur van ING en voorzitter van VNO-NCW. Sinds 9 juni 2015 is hij lid van de Eerste Kamer. Op 24 september verschijnt bij uitgeverij Balans ‘Bordjes duiken. Ervaringen van een optimist’. 

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Als jongetje van twaalf knipte ik op een dag een bonnetje uit de krant ­waarmee ik een ‘twintigdelige inleiding tot het Rooms Katholieke geloof’ kon aanvragen. Na een paar weken kwam het eerste exemplaar binnen. Ik zie het nóg voor me: op A5-formaat, met een grijs kaftje waarop een kerk met kruis stond afgebeeld. Nadat ik het laatste deeltje had ontvangen, stond er ineens een pastoor voor de deur. Die dacht waarschijnlijk een volwassen aspirant gelovige aan te treffen, maar mijn ­ouders, die van niets wisten, hebben hem onmiddellijk afgewimpeld. Wij waren remonstrants, ook al frequenteerden we een vrij strenge, protestantse kerk, en katholieken ­waren hoe dan ook de vijand, zeker geen oecumenische bondgenoten.

“Ik heb catechisatie gedaan en werd ook lid van de Remonstrantse Broederschap, maar op enig moment ben ik toch van de kerk weggedreven, vooral ook doordat de liturgie me niet langer inspireerde. Ik kwam pas weer in de buurt van officiële religie toen ik rector werd in Rotterdam en via de zogeheten studentenekklesia kennismaakte met het werk van Huub Oosterhuis. Wat ik daar meemaakte, vond ik zó prachtig; dat gevoel heeft me nooit meer verlaten. Het is moeilijk om te beschrijven wat er precies gebeurde... Gods aanwezigheid? Nee, God is voor mij een lastig begrip. Het monopolistische, die personifiëring: daar kan ik niets mee. De omschrijving die het dichtst in de buurt komt, is ‘spirituele ervaring’; het gevoel deel uit te maken van een veel groter geheel.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Op zevenjarige leeftijd richtte ik het genootschap Hulp Aan Arme Kinderen (H.A.A.K.) op en benoemde mezelf tot voorzitter. Van mijn moeder kreeg ik een hamertje cadeau. De behoefte om dingen te begrijpen en voor elkaar te krijgen zat er al op jonge leeftijd in. Ik ben niet iemand die wegduikt als hem iets gevraagd wordt; ik vind het leuk om verantwoordelijkheid te nemen en uit te dragen. Er zijn nu eenmaal mensen die dankzij de talenten die ze min of meer toevallig hebben verworven, zichtbaarder zijn dan anderen. Maar dat is geen excuus voor arrogantie of zelf-tevredenheid. Bescheidenheid is een groot goed. En een eigenschap die – ­zeker hier, in Nederland – hardhandig wordt aangemoedigd.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Als je onzorgvuldig bent, kun je misstanden veroorzaken en door zorgvuldig te zijn kun je juist misstanden voorkomen. Taal doet ertoe. Provocatie kan nuttig zijn, maar dan wel gedoseerd en doordacht. In polemische stukken hanteer ik liever een pincet dan het slagersmes.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“Laatst was ik bij mijn broer op bezoek. Hij woont, vrij geïsoleerd, in Upstate New York en voelt zich erg aangetrokken tot zen-boeddhistische ideeën. Zo begint hij de dag met het doen van de afwas. Elke ochtend. Heel aandachtig. Kopje voor kopje, bordje voor bordje. Hij put vreugde uit de ambachtelijkheid, vindt rust in iets wat je een ritueel zou kunnen noemen. Daarna maakt hij een kleine wandeling, steeds dezelfde route. Op een dag besloot ik met hem mee te lopen – zwijgend, reflecterend – en ik moet zeggen dat ik me sindsdien meer en meer voor de kunst van het mediteren ben gaan interesseren.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Mijn moeder was warm, hartelijk en verzorgend; een klassieke moeder die er altijd was voor haar gezin. Ze was ook heel Engels: aarzelend in het tonen van diepere gevoelens. Naarmate ze ouder werd, kon ze steeds minder goed tegen spanning, ruzie en onenigheid. Als er tussen mijn vader en mij iets voorviel, liet ze duidelijk merken dat ze het naar vond. Mijn vader – ere wie ere toekomt – trok zich dat wel degelijk aan en verschoof de discussie naar een moment waarop ze er niet bij zou zijn.

“Dit zijn dingen die ik heb gezien en meegemaakt, maar als je me vraagt te vertellen hoe mijn moeder werd wie ze uiteindelijk is geworden, dan zou ik dat niet goed kunnen beschrijven, omdat ik daar slechts een oppervlakkige indruk van heb. We bespraken het heden en de toekomst, maar niet het verleden. Ik heb het wel geprobeerd, maar niet ­voldoende. Dat is mijn verdriet, achteraf. Ze is in 1976 op zesenvijftigjarige leeftijd overleden. Het was ook het jaar waarin mijn eerste huwelijk op de ­klippen liep en er een uiteindelijk ­goedaardige tumor uit mijn wervel-­kolom werd verwijderd. Mijn annus horribilis.

“Jaren na haar dood ben ik op zoek gegaan, ik móest meer over mijn moeder te weten zien te komen. Bijvoorbeeld, waarom ze Engeland had verlaten. Eén naam was me bijgebleven: ­Billy Manser, haar vriend tijdens de ­oorlogsjaren. Ik googelde zijn naam en stuitte op twee Michael Mansers van wie er één architect in Londen was. Er ging meteen een belletje rinkelen: had zij misschien ooit iets over een architect verteld? Mijn mail werd snel beantwoord: hij was de broer van Billy, en herinnerde zich mijn moeder nog goed. Ik kreeg ook Billy’s telefoonnummer maar hij bleek bijzonder knorrig en onaanspreekbaar. Michael was wél bereid me meer te vertellen en we spraken af dat ik bij hem langs zou gaan.

“Tijdens die ontmoeting vertelde hij dat mijn moeder vaak bij hen over de vloer kwam omdat het bij haar thuis, op z’n Hollands gezegd, ongezellig was. Billy was als piloot de oorlog ingegaan, werd op enig moment neergeschoten, krijgsgevangene gemaakt en moest toen, omdat hij Duits had gestudeerd, als tolk werken voor zijn bewakers. Mijn moeder stuurde hem brieven en pakketjes en bleef op hem wachten maar de man die in 1945 thuiskwam, leek door alle verschrikkingen die hij had moeten doorstaan in niets meer op de jongen met wie ze had willen trouwen. Ze verbraken hun verkering – of misschien waren ze al verloofd, dat weet ik niet eens – en zij besloot naar Nederland te gaan om haar verdriet te vergeten.

“Ik zou mijn vader zeker niet een tweede keuze willen noemen. Dat zou hem geen recht doen. Volgens mij vonden mijn ouders elkaar in het voornemen alleen nog maar vooruit te kijken. Mijn vader heeft na mijn moeders dood nog dertig jaar geleefd. Ik heb beter mijn best gedaan om hem te leren kennen, maar als ik nadenk over onze relatie zie ik toch ook een paar gemiste kansen liggen. Net zoals mijn moeder vulde ook mijn vader het ouderschap op klassieke wijze in. Hij was zeer liefhebbend, maar er moest wel iets tegenover staan. Mijn vader was een man die, zodra ik iets had bereikt al druk begon te zetten op het nemen van de volgende stap. Wat zijn verleden betreft... misschien kan ik dat het best illustreren aan de hand van de toespraak die ik bij zijn begrafenis hield.

“Hij is negentig jaar geworden en ik zag hoe zijn leven door drie catastrofes werd gedomineerd. Hij was nog maar net geboren toen zijn vader, mijn opa Kan, overleed. Hij werd een lastige jongen, bezocht drie verschillende lagere scholen en kwam pas een beetje tot rust toen mijn moeder met meneer Rinnooy trouwde – daar komt de dubbele achternaam vandaan. Dertig jaar later kwam zijn oudste broer om in de oorlog. Die broer werd ons altijd voorgesteld als een briljante man, iemand die in één jaar een volledige rechtenstudie voltooide, buitengewoon betrokken en een van de eersten die zich bij het verzet had aangesloten. Het verzet zat in nog in een kansloze fase: mijn oom werd al in 1942 opgepakt en in Duitsland gefusilleerd. Die rechtschapen, briljante man vervangen is mijn vaders levenslange opdracht geweest.

“En dan is er nog die derde catastrofe, weer dertig jaar later: de vroege dood van zijn vrouw, mijn moeder. Al met al een droevig beeld, maar er stond veel tegenover. Mijn vader heeft beslist geen treurig leven gehad. Ik heb alleen te weinig van hém begrepen, ik heb hem – net zo min als mijn moeder – echt heel goed gekend. Misschien heb ik daarom nu dit boek wel geschreven. Voor mijn kinderen. Er is een wet over opvoeden die zegt: alles wat je bevalt, doe je later twee keer zo sterk en dat wat je niet ­beviel, doe je helemaal anders.”

VI Gij zult niet doodslaan

“Dat Nederland de euthanasiewet tot stand heeft kunnen brengen, vervult mij in toenemende mate met trots. En als je ziet hoe de Levenseindekliniek dagelijks door een vergrootglas wordt bekeken, kun je niet anders dan bevestigd worden in het idee dat we op een heel delicaat terrein iets hebben gecreëerd wat uiteindelijk recht doet aan ­diepe, wezenlijke sentimenten. Ik kan hier alleen maar dankbaar voor zijn, ook in de wetenschap dat ik er zelf ­misschien nog een keer een beroep op kan doen.

“De dood houdt me in zoverre bezig dat ik me realiseer dat ik, als ik binnen nu en tien jaar overlijd, statistisch gezien niet zou mogen klagen. Da’s een gek idee. Vladimir Nabokov ­beschreef het leven als ‘een kort interval tussen twee afgronden.’ Een mooi, nuchter perspectief, maar als metafoor ook niet helemaal bevredigend om een discussie mee te beëindigen. Het besef dat dit ­leven eindig is, maakt weemoedig, ­onrustig, al ben ik niet iemand met een bucketlist. Er zijn geen dingen die per se nog moeten gebeuren. Misschien ook omdat ik al zoveel heb mogen doen.”

VII Gij zult niet echtbreken

“Eva en ik zijn al 37 jaar gelukkig getrouwd. Ik prijs mezelf gelukkig dat ik haar ben tegengekomen. Mijn eerste huwelijk, begin jaren zeventig, verliep veel minder voorspoedig. Met name mijn vader was tegen onze verkering. Ik trouwde vanuit het gevoel dat ik zélf wel uitmaakte met wie ik omging. Het was een verzetsdaad. Met hoge verwachtingen, dat wel. Toch ging het al na een paar jaar mis. Na onze scheiding heeft mijn voormalige echtgenote een ongelukkig leven gehad – heel pijnlijk allemaal.

“Het was dus ook het jaar waarin mijn moeder doodging en op een of ­andere manier heeft die cumulatie van nare gebeurtenissen iets in werking ­gezet waar ik nooit helemaal vanaf ben gekomen. Ik kreeg last van paniekaanvallen. Het is heel moeilijk te zeggen wat er op zo’n moment gebeurt: je wordt overvallen door een onbestemde angst, door een gevoel van volstrekte hulpeloosheid dat wel weken lang kan duren. Ik bleef wel gewoon functioneren waardoor mensen niet in de gaten hadden dat het niet goed met me ging. En als ik er over vertelde, kreeg ik vaak goedbedoelde, maar toch zinloze ­reacties zoals: ‘Maar je hebt toch een mooie baan, een lieve vrouw en leuke kinderen?’ Het sloot ook wel aan bij de mores die ik van huis uit had meegekregen: niet zeuren, wees blij met wat je allemaal wél hebt, doorgaan.

“Ik ben een keer een lotgenoot ­tegengekomen die het prachtig verwoordde: ‘Ze zeggen tegen me: je kunt toch zwemmen? Maar ze zien niet dat ik onder water aan handen en voeten gebonden ben.’ Dat is het precies. Of ik moet eigenlijk zeggen: dat was het. Ik heb de laatste jaren gelukkig bijna geen paniekaanvallen meer gehad.”

VIII Gij zult niet stelen

“Je hoort weleens zeggen dat rijkdom diefstal van de armen is, maar er zijn verschillen in rijkdom en je kunt ook op verschillende manieren met die ­rijkdom omgaan. Voor bemiddelde mensen, zoals ik, ligt er een uitnodiging, zo niet een taak, om hun welvaart te delen. Meer dan degenen die het minder hebben. Dat zou ik in ieder ­geval normaal vinden.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Wat nu in Amerika gebeurt, met een president die zo’n beetje alles wat hem onwelgevallig is afdoet als fake nieuws, is om allerlei redenen heel zorgwekkend. Amerika was heel lang een voorbeeld van openheid, veranderlijkheid en tolerantie. Die rol raakt het langzaam maar zeker kwijt.

“In de slipstream, of misschien wel tegelijkertijd, zie je in Europa iets soortgelijks gebeuren. De zorgvuldigheid in de politieke arena is de laatste jaren niet bepaald toegenomen. Toch heb ik wel meer vertrouwen in de stabiliteit van de Nederlandse politieke cultuur dan de Amerikaanse. Nederland is een bijzonder land dat aan de ene kant, economisch gezien, al vele jaren onbetwistbaar succesvol is en aan de andere kant solidariteit op allerlei manieren vorm heeft weten te geven. Die twee ­eigenschappen zijn op zichzelf niet uniek, maar de combinatie is dat wel. Er zijn weinig landen die op beide dimensies op zo’n topniveau zitten.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Bepaalde begeertes nemen af. Het plezier van het consumeren wordt minder. Ik kan best nog een sportauto kopen, maar waarom zou ik? En ook jaloezie, voor zover ik daar al last van heb gehad, is geheel verdwenen. Ik geloof dat ik in de loop der jaren veel zelfkennis heb opgedaan, maar of de man die ik nu denk te kennen me bevalt? Nee, niet in alle opzichten. Ik ben nog te ongeduldig, ik heb altijd haast en ook wat mijn inlevingsvermogen betreft zou ik beter kunnen functioneren dan ik nu doe. Kortom, ik ben tevreden en dankbaar, zeker, maar er is nog wel wat werk aan de winkel.”

Alle interviews uit de rubriek 'Tien Geboden' vindt u terug in ons dossier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden