Alex Roeka vluchtte voordat de onthechting in verloedering veranderde.

door Hans Nauta

Het is een opvallende parade, die zanger-muzikant Alex Roeka voorbij laat komen in een broeierig stadstoneel. Orgel, drums en gitaar jagen hem op, terwijl in zijn stem zowel verontrusting als verbazing klinkt.

Daar is Big Daddy Vetpens, die bulkt van het goud en voor zijn leven moet vrezen. De dwerg uit Hamburg en Willy zijn vriend, die niet meer met elkaar praten, duiken even later op. En zie, Jules uit de Junksteeg, geheel in het zwart, de armen wijd als een kraai aan het kruis. Terwijl ook vader Christoffel voorbijschuifelt, en tegen de duivel roept: ’Ik weet waar je bent’.

Hun namen kregen ze van Roeka, maar ze hebben wel degelijk echt bestaan, de figuren uit dit lied ’Brand in het hart van de stad’, dat door de volheid van beelden en de vaart Roeka’s persoonlijke favoriet is op zijn vijfde cd ’Hadeskade’.

Ze zijn gebaseerd op ontmoetingen en observaties in Amsterdam, zo rond de Warmoesstraat en in havensteden overal in de wereld. „Nog kom ik wel in kroegen waar bijzondere karakters rondhangen, echte outsiders. Of ik ga naast ze zitten op een bank, en luister naar hun gesprekken.” In het echt zijn ze even eigenaardig als in Roeka’s liedteksten. „Of misschien worden ze dat vooral door mijn blik. Zoals ook Jeroen Bosch of Brueghel de curieuze eigenschappen van hun figuren konden uitvergroten.”

De vele songs van Roeka (Ravenstein, 1955) vormen samen een ’autobiografische liederencyclus’. Er zijn nog wel wat gaten in de tijd te dichten. Zoals zijn negen jaar kostschool in Oss en Venray. Daar werd de muziek in hem wakker geroepen toen hij op tienjarige leeftijd Little Richard vanaf een pick-up ’Long Tall Sally’ hoorde zingen. „De kostschool heb ik ervaren als een vreemde, van de samenleving afgesloten gemeenschap, die maakt dat je je terugtrekt in een eigen droomwereld.”

Hij ging psychologie studeren in Nijmegen, rondde dat later af in Amsterdam, maar voelde dat hij eerst naar zee moest. De biografie op zijn website beschrijft die wilde tijd staccato als morse code:

’Werkte op een sleepboot in de Adriatische wateren. Werd door een Italiaanse koningin van de betaalde liefde ingewijd in de geheimen van de erotiek. Vatte een onmogelijke liefde voor haar op. Werd van boord gezet en maakte een reis door Italië, Noord-Afrika en Spanje. Kwam uiteindelijk in Genua terecht.’

Daar monsterde hij aan voor twee reizen naar West-Afrika. Later vertrok hij vanuit Singapore naar zuidoost Azië en Japan. Terug aan wal belandde hij in de buurt van de Warmoesstraat. „Een schimmige wereld, die authentieker, echter en eerlijker lijkt. Iedereen doet er wat hij wil, omdat het toch weinig uitmaakt.”

Hij vraagt zich soms af waar die fascinatie voor de schemerkant vandaan kwam. „Misschien heb ik me van dat goede milieu afgekeerd omdat mijn ouders me naar kostschool hadden gestuurd.”

In die tijd, toen hij steeds dieper in de stad wegzakte, voelde hij zich prettig ’ongebonden’. „Maar die onthechting gaat op een gegeven moment over in verloedering. En dat merk je als het bijna te laat is.” Op een gegeven moment zei hij tegen zichzelf: ’ik wil een ander leven’. „Dat is niet gemakkelijk. Je moet van verslavingen en van sommige mensen afkomen, en een stabiele wereld vinden. Daar heeft het Nederlandse lied me enorm bij geholpen.”

Zijn eerste cd ’Zee van onrust’ verscheen in ’1996’. Daarna kwamen ’Wildernis’, ’Wolfshonger’, ’Schemerdrift’ en nu ’Hadeskade’. In 2000 kreeg hij voor het lied ’Noem het geen liefde’ de Annie M. G. Schmidtprijs voor het beste theaterlied. Zijn muzikale helden komen vooral uit de jaren zestig. „Bob Dylan, Randy Newman. Later kwamen Tom Waits en Steve Earle daar nog bij.” Sinds enkele jaren neemt Jacques Brel de toppositie in. Wat Roeka van hem leert is dat hij zijn eigen ’zeggingskracht’ wil vergroten. Even onontkoombaar worden in zang en in teksten als Brel. „Maar op mijn eigen wijze.”

Nog altijd is hij rusteloos. „Maar nu gebruik ik dat voor iets creatiefs. Nadenken, me terugtrekken op mijn kamer met gitaren, boeken en cd’s. Songs schrijven, spelen met de band, theatertournees. Ik kan weinig meer wensen.” Omdat hij voor veel teksten uit zijn vorige leven put, was dat ’geen verloren tijd’.

Roeka weet wel dat je de onderwereld niet te veel moet romantiseren. „Zo schetst de Engelse gevangenispsychiater Theodore Dalrymple een beeld van een totaal krankzinnige en misdadige onderklasse. Een keiharde, geschifte wereld van verkrachting, incest, bedrog en geweld, waar je ver vandaan moet blijven. Tot op een bepaald punt is de schemerkant in zijn algemeenheid interessant. Ik gebruik bepaalde beelden uit die wereld graag als metafoor. Zo’n maf verhaal als in het nummer ’De Sloeberbruid’, over een vrouw in vodden die Wolfman ontmoet in de struiken bij het slachthuis: ik denk dat de liefde in de Vinex-woningen ook zo kan zijn. Even gek en geschift als in die struiken. Daar hangt dan alleen een gordijn van schone schijn voor.”

Soms, als hij in Rotterdam bij Hotel New York het water overkijkt, roept de zee nog wel eens. Hij zou best weer op reis willen. „En dan ’s nachts weer aan komen varen op Hongkong.” Dat komt later misschien. Maar het gevoel heeft hij alvast beschreven in ’Ik hou van’:

’Ik hou van de diesel die stampt door het duister / In het midden van nergens met de fles aan je mond. / En de vrouwen vliegen naakt rond de stuurhut / En je jankt als een luizige hond. // En je waggelt je dwars door het eind van de wereld / Een grom aan de reling, een hikkende spat. / En de ochtend breekt open met het wit van de meeuwen / En op de einder trilt weer de stad’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden