Aldo van Eyck (80) geeft vooral het innerlijke vorm

Aldo van Eyck is een icoon van de vaderlandse architectuur, maar weigert hardnekkig bijgezet te worden in historische annalen. Het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam heeft voor dit weekend een hommage in elkaar geknutseld, maar Van Eyck zelf zal het allerminst als de bekroning van zijn architectschap zien, hooguit als een tussenstation op weg naar nog grootse daden. Al heeft ook hij niet het eeuwige leven. Concrete opdrachten zijn er op dit moment nog niet, maar gesprekken worden alweer gevoerd.

ROBBERT ROOS

Van Eycks explosie in het februari-nummer van Archis is verfrissend in een architectuurklimaat, waarin een werkelijke polemiek ontbreekt. Het betrekken van polariserende ideologische stellingen is iets van de jaren zestig en zeventig: het tijdperk dat Van Eyck als redacteur van het tijdschrift Forum en als hoogleraar aan de TU in Delft zich het meest nadrukkelijk roerde. Misschien dat Van Eycks artikel 'Uit de tent gelokt' in de recente Archis weer een gedreven debat entameert over de werkelijke waarden van de architectuur.

Met lede ogen beziet Van Eyck het geklets in de architectuurbladen over postmodernisme, deconstructivisme en supermodernisme. Voor hem is dat gezwets over uiterlijkheden en (semi)wetenschappelijke filosofieën van mensen als Baudrillard en Derrida. De aartsvader van de 'humane' architectuur zou graag willen dat het gesprek weer zou gaan over het interieur van het gebouw, over de manier waarop de mens door dat interieur wordt bediend.

Typerend vindt Aldo van Eyck de bespreking van de Rekenkamer in Archis door Bernard Colenbrander - het stuk waar hij zo vol passie op reageert. Colenbrander begint met een lange uiteenzetting over de positie van Van Eyck (ook nog eens vol fouten, leugens en roddels, meent de éminence grise zelf) en pas aan het eind gaat hij in op het gebouw. En dan nog alleen op de buitenkant. 'Maar het is het interieur van een gebouw dat feitelijk gebruikt wordt. Dáár is het in de eerste plaats voor gebouwd en dáár heeft het ook een exterieur voor nodig als gevolg.', riposteert Van Eyck.

En dat is natuurlijk de positie die Aldo van Eyck al sinds de jaren zestig inneemt. In de introductie op de tentoonstelling in het NAi ter gelegenheid van het hommage-weekend - een reprise van Kassel - stelt hij onomwonden: 'De complete wereld van kunst en architectuur heeft gefaald om een substantiële bijdrage te leveren sinds laten we zeggen 1968, toen de Triënnale in Milaan als thema Il Piu Grande Numero (Het grootste aantal, red.) koos. Nagenoeg niets is gedaan om het soort sensibiliteit op te roepen dat nodig is om de enorme veelsoortigheid en quota een enigszins menselijke maat te geven.'

Het zoeken naar die menselijke maat is al sinds het ontwerp van het Burgerweeshuis (1957-1960) in Amsterdam - het meesterwerk - Aldo van Eycks queeste. Dit gebouw legde het fundament voor de Forum-architectuur, ook wel structuralisme genoemd. Het Burgerweeshuis oogt als een labyrinth, maar tussen de verschillende elementen bestaat geen hiërarchische verhouding. Het balanceert tussen 'binnen' en 'buiten', grote open ruimtes en kleinere intieme ruimtes, tussen nuchter functionalisme, klassieke architectonische waarden en intuïtieve 'emotionele' details. Het is kortom een bloemlezing van contrasten: het bespelen van wat Van Eyck graag 'tweelingfenomenen' noemt (tegengestelde begrippenparen: goed-slecht, groot-klein). Het doel is dynamiek binnen een strakke structuur, zodat een gebouw als een stad ontstaat. Zoals de stad in de ogen van Van Eyck ook een groot gebouw moet zijn.

Door hun hele oeuvre heen blijven Aldo en Hannie van Eyck zich op deze methode baseren. In stijl en vorm zijn er afwijkingen, maar de grondgedachte is onveranderd gebleven. In hun ideologie zijn ze sterk beïnvloed door de cultuur van 'primitieve' volkeren, zoals de Dogon in Afrika, maar ook door de surrealisten en de modernisten uit het begin van deze eeuw. Tijdens zijn studietijd in Zürich aan de Eidgenössische Technische Hochschule (1938-42) leerde Van Eyck behalve zijn vrouw Hannie ook Carola Giedion-Welcker kennen, een kunsthistorica die de jonge architect wegwijs maakte binnen de toenmalige avantgarde. In korte tijd ontmoette Van Eyck kunstenaars als Dali, Klee, Arp, Mondriaan, Brancusi, Tzara en Miro ('The Great Gang', in zijn woorden), die hem blijvend zouden inspireren.

Aldo's belangstelling voor het surrealisme - over het werk van Arp schreef hij ooit: 'reflecting what is constant and constantly changing' - was niet vreemd gezien zijn fascinatie voor de Engelse symbolische literatuur en poëzie. Als zoon van de dichter P.N. van Eyck is Aldo van Eyck opgegroeid in Engeland, waar hij een zeer culturele opvoeding genoot en scholen bezocht waar persoonlijke vrijheid en ontplooiing hoog op de agenda stonden. Zijn vader hing het pantheïsme aan (God en de wereld zijn één), waaraan hij ook een mystiek-religieuze zoektocht koppelde.

Aldo had dezelfde fascinaties als zijn vader, maar hij was wars van 'eenzijdig materialisme en eenzijdig spiritualisme', zoals Francis Strauven in zijn lijvige biografie over Van Eyck schrijft. Dat de architect wel degelijk spiritueel gevoel heeft, blijkt uit de kerken die hij ontwierp (de Molukse kerk (1984-92) in Deventer, de Pastoor van Arskerk (1963-69) in Loosduinen, Den Haag). Hierin is een gewijde sfeer bijna als vanzelfsprekend voelbaar en aanwezig.

Boven alles is Aldo van Eyck de artiest van het interieur. Hij is een typische plattegrond-architect, die door middel van geometrische patronen een breed scala aan ruimtes, tussenruimtes en onverwachte ruimtelijke accenten tevoorschijn tovert. Het exterieur is ook belangrijk, maar alleen in dialoog met het interieur. Het voert ook nooit de boventoon en wordt zeker niet 'monumentaal'. De vormentaal is vaak onnadrukkelijk en bewust sober. Alleen met kleur laat Van Eyck zijn gevels in het stadsbeeld spreken. De fraaiste voorbeelden hiervan zijn het St. Hubertushuis aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam (1973-78) en de uitbreiding achter de Algemene Rekenkamer aan het Lange Voorhout in Den Haag (1992-97).

Eén van de topstukken van zijn late oeuvre had het Centrum voor Beeldende Kunst in Middelburg moeten worden. Van Eyck heeft in zijn carrière verschillende tentoonstellingen ingericht, hij maakte een veelgeroemd paviljoen voor de Sonsbeek-tentoonstelling van 1966 en had zoals gezegd een grote affiniteit met beeldende kunst, maar hij was nog nooit in de gelegenheid geweest een museum te bouwen. In Middelburg leek het dan toch zover te komen - Karel Appel zou een grote wandschildering maken voor de gekromde buitenwanden - maar het plan ketste af op de politieke onwil om een onzeker bedrag in de exploitatie van het museum te dekken. Ontwerpen van Van Eyck zijn wel vaker niet uitgevoerd, maar dit deed veel pijn, vooral omdat het uitsluitend door gemeentelijk politiek gekonkel doodliep.

Het zal zeker ook pijn doen dat allerlei jonge architecten wel de ruimte krijgen voor hun experimenten met een nieuwe beeldtaal. Aldo van Eyck heeft niets op met de recente computerarchitectuur en alle architecten die uiterlijke vorm boven beleving stellen. In de grande finale van zijn Archis-artikel maakt hij dat nog eens ondubbelzinnig duidelijk: “Maar wat die koopmanartiesten betreft, die mentaal onstabiele trendjagers met hun intellectuele supporters aan de redactionele zijlijn links en rechts; dat zijn bijruikers geworden, cultuurpretendenten met twee tongen (de ene klikt kunst en de andere klakt geld) en vijf duimen aan iedere linkerhand. Moet ik mij als architect onder architecten nog op de valreep voor mijn beroepsgenoten gaan schamen?”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden