Aldo van Eyck, 1918-1999

Architect Aldo van Eyck is woensdagnacht op 80-jarige leeftijd overleden aan een hartstilstand. Hoewel zijn gebouwde oeuvre klein is, wordt hij als een van de belangrijkste Nederlandse architecten van deze eeuw beschouwd. Vooral in de jaren zestig en zeventig was zijn invloed groot. Het door hem ontworpen Burgerweeshuis in Amsterdam (opgeleverd in 1959) legde de basis voor de Forum-beweging. In de Forum-architectuur staat de mens centraal en diens beleving en gebruik van ruimte. Dit thema bleef Van Eyck zijn hele werkzame leven trouw, waar gelijkgezinden andere richtingen gingen verkennen.

Aldo van Eyck werd op 16 maart 1918 in Driebergen geboren als zoon van de dichter P.N. van Eyck. Het grootste deel van zijn jeugd bracht hij door in Engeland, waar zijn vader als correspondent voor de NRC werkte. Deze vroege jaren waren van belang voor zijn verdere carrière. Hij ontwikkelde in Engeland literaire gaven en leerde er vloeiend Engels spreken en schrijven. Vooral in de Forum-tijd werden dit belangrijke wapens in het internationaal verspreiden van zijn gedachtengoed.

Na een studie Bouwkunde aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag (1935-38) vertrok hij naar Zürich waar hij ging studeren aan de Eidgen"ssische Technische Hochschule (1938-42). Hier leerde hij zijn latere vrouw Hannie van Roojen kennen. Daarnaast kwam hij in contact met de kunsthistorica Carola Giedion-Welcker die hem introduceerde bij belangrijke avantgardistische kunstenaars als Dali, Klee, Arp, Brancusi, Tzara en Miro. In deze periode ontwikkelde Van Eyck een grote liefde voor het surrealisme, die later in zijn architectuur zou gaan doorklinken. Terug in Nederland raakte hij bevriend met leden van de Cobra-beweging. Vooral met Constant voelde Van Eyck zich verwant. De architect richtte in 1949 de grote Cobra-tentoonstelling in het Stedelijk Museum in, waarvoor hij Constant, Appel, Brands en Corneille zelfs speciaal een werk op groot formaat liet maken.

In 1946 was Aldo van Eyck gaan werken bij de afdeling Stadsontwikkeling van de dienst Publieke Werken in Amsterdam. In deze hoedanigheid ontwierp hij onder meer 730 speelplaatsen door de hele hoofdstad. In de architectuur spelen kinderspeelplaatsen een marginale rol, maar in Van Eycks gedachtengoed zijn het essentiële ruimtes in een stad.

In 1951 startte Aldo van Eyck zijn eigen architectenbureau. Hij was toen al lid geworden van de Nederlandse CIAM-groep 'De 8 en Opbouw', waarin hij zijn stem luid liet horen. Met de realisatie van het Burgerweeshuis kreeg ook zijn architectonische stem ineens een groot gehoor. Het complex is opgezet als een kasbah, met ruimtes die in elkaar overvloeien, maar ook autonoom kunnen functioneren. Spannend is de interactie tussen binnen- en buitenruimtes in het interieur. Van Eyck sprak in zijn theoretische onderbouwing van zijn architectuur vaak over 'duofenomenen': tegengestelde begrippen die samen een paar vormen, zoals binnen-buiten, groot-klein, dynamisch-statisch. In het Burgerweeshuis worden dit soort contrasten met grote vaardigheid bespeeld. Van belang is ook dat Van Eyck in het Burgerweeshuis elementen uit niet-westerse culturen introduceerde, waarmee hij het puur westerse modernisme van nieuwe impulsen voorzag.

Na het weeshuis was het lange tijd stil. Pas in 1966 en 1969 werden de volgende belangrijke bouwwerken opgeleverd: een expositiepaviljoen voor de Sonsbeektentoonstelling (1966), de Pastoor van Ars-parochie in Loosduinen (1969) en het woonhuis van vormgever/kunstverzamelaar Martin Visser in Bergeyk (1969). In alledrie gebouwen introduceert hij de cirkel als een wezenlijk element in de plattegrond, een verwijzing naar de Afrikaanse kraal-architectuur. In 1972 zou Van Eyck zelfs werkelijk in een andere cultuur gaan bouwen en woningbouw in Peru realiseren. Rond diezelfde tijd werkte Van Eyck samen met Theo Bosch - met wie hij inmiddels een bureau voerde - mee aan de volkshuisvesting in het Nieuwmarktgebied in Amsterdam.

Een belangrijk thema in het latere werk van Aldo van Eyck is kleur. Voor het eerst paste hij dit heel nadrukkelijk toe in het Hubertushuis voor alleenstaande moeders aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam (1973-8), maar ook in de Molukse Kerk in Deventer (1990-2), het Estec-complex in Noordwijk (1989), het kantoorgebouw Tripolis in Amsterdam (1993) en de uitbreiding van de Algemene Rekenkamer (1997) is kleur essentieel. Bij deze late werken is Hannie van Eyck de co-architect. Na de breuk met Theo Bosch in 1982 zette Van Eyck zijn bureau met haar voort.

In gebouwen als Tripolis, Estec en de Rekenkamer toont Van Eyck een fascinatie voor organische vormen. De plattegronden lijken op abstracte organismen, waarin zowel open ruimtes als intieme plekken zijn gecreëerd. In essentie is die opzet niet anders dan in het Burgerweeshuis. Van Eyck legt veel nadruk op de interne organisatie van een gebouw. Het exterieur wordt natuurlijk wel zorgvuldig ontworpen en gedetailleerd, maar het speelt een meer ondergeschikte rol. De architect was wars van monumentaliteit. De omgeving van de Rekenkamer, met onder meer een vrij dominante kerk, is ook meer gebaat bij een ingehouden sprekende architectuur dan bij een architectonische schreeuw.

In 1997 deed Van Eyck samen met Rem Koolhaas mee aan de vijfjaarlijkse avantgarde-tentoonstelling Documenta, een laat eerbetoon. Dezelfde presentatie was vorig jaar in het Nederlands Architectuurinstituut te zien ter viering van Van Eycks 80-ste verjaardag.

Zo terughoudend als Aldo van Eyck kon zijn in zijn exterieurs, zo nadrukkelijk was hij in het architectuurdebat aanwezig. Als non-conformist hield hij van de felle polemiek. Met veel mensen heeft hij ruzie gemaakt. Met bureaupartners, met collega's op de Technische Universiteit in Delft (Van Eyck heeft een belangrijke educatieve rol gehad en gaf tussen 1966 en 1984 les in Delft), met collega-architecten. De toorn van Van Eyck is inmiddels legendarisch.

Vorig jaar schreef hij nog een soort schotschrift in het architectuurtijdschrift Archis, waarin hij een criticus de oren waste over fouten in een bespreking van de Algemene Rekenkamer en waarin hij en passant wat vegen uit de pan gaf aan andere critici en de hedendaagse architectuurpraktijk fel attaqueerde. Zo eindigde hij het artikel met een uitsmijter over eigentijdse architectuur: “Maar wat die koopmanartiesten betreft, die mentaal onstabiele trendjagers met hun intellectuele supporters aan de redactionele zijlijn links en rechts; dat zijn bijruikers geworden, cultuurpretendenten met twee tongen (de ene klikt kunst en de andere klakt geld) en vijf duimen aan iedere linkerhand. Moet ik mij als architect onder architecten nog op de valreep voor mijn beroepsgenoten gaan schamen?”

De woede over wat nu wordt gebouwd had voor Aldo van Eyck ook een wrange kant. De ene na de andere jongeling krijgt prachtige openbare opdrachten en die eer is Van Eyck - ondanks alle lauweren - nooit gegund. Vooral dat hij nooit een museum had mogen maken, deed de architect pijn. Eë keer was hij er dicht bij: in Middelburg, maar een onwillige gemeenteraad liet het plan op een futiel ongedekt bedrag in de begroting struikelen. Het leek nog goed te komen, want juist deze maanden was hij bezig met een schetsontwerp voor een hunebedmuseum in het Drentse Borger. Als het al gebouwd wordt, zal Van Eyck het zelf helaas nooit meer af zien. Hopelijk krijgt zijn vrouw Hannie de kans om het als eerbetoon aan haar man af te maken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden