Aldo Rossi (1931 - 1997) betrok de geschiedenis bij de toekomst

Van onze kunstredactie AMSTERDAM - In Milaan is gisteren de Italiaanse architect Aldo Rossi overleden. De 66-jarige Rossi bezweek in een Milaans ziekenhuis aan de verwondingen die hij bij een auto-ongeluk had opgelopen.

Rossi (Milaan, 1931) gold als een van de tien grootste architecten van de wereld. In Nederland is hij vooral bekend van het Bonnefantenmuseum in Maastricht (1995). Het museum kreeg dit voorjaar nog een speciale vermelding bij de Europese Prijs van het Museum van het jaar 1997. Ook ontwierp hij woningbouw op het voormalige Slachthuisterrein in Den Haag. In Duitsland is hij verantwoordelijk voor het, niet gerealiseerde, ontwerp van het Duits Historisch museum in Berlijn. Zijn beroemdste producten zijn het flatgebouw Gallaratese bij Milaan (1970) en de lagere school in Fagnano Olona (1978). Naast musea, scholen, woningcomplexen, regeringsgebouwen en theaters ontwierp Rossi ook gebruiksvoorwerpen als de Alessi-koffiepot.

Rossi, die zijn loopbaan als publicist en uitgever begon, had een talent om overal ter wereld te bouwen zonder zijn ontwerp in het ontvangende land een fremdkörper te laten zijn. Aandacht voor de directe omgeving en aandacht voor het verleden van die omgeving zijn typerend voor zijn werkwijze. Hij gebruikte de stad als een palet waaruit hij elementen oppikte om, gekoppeld aan beelden uit de hem vertrouwde Romeinse traditie, een uniek gebouw neer te zetten. Uit Rossi's ontwerp voor het Duits Historisch Museum bleek duidelijk hoe hij zich door de stad liet inspireren. Hij bedacht een verzameling kleinere gebouwen die via een lage, logge toren en een hoge spitse aan elkaar zijn geschakeld. Aan de rivierkant - het gebouw zou aan de Spree, naast de Rijksdag, gebouwd worden - had het ontwerp hierdoor een kleinere schaal met kleine ramen terwijl van de kant van het stadspark Tiergarten juist grote, hoge vensters opdoken. Rossi motiveerde zijn keuze als volgt: “Hoge ramen, die het licht van Berlijn in het museum brengen en zo de donkere schaduwen uit de geschiedenis opfleuren met de jeugdigheid van de stad.” Architectuur was volgens Rossi, die niet toevallig de Nederlandse architect Berlage bewonderde, het 'onveranderlijke decor van het menselijk leven'.

Volgens de Italiaanse architectuurtheoreticus Umberto Barbieri was deze gedachtegang niet alleen typerend voor Rossi, maar tekent hij ook het verschil tussen de Italiaanse en de Hollandse cultuur. Terwijl Nederlanders geneigd zijn tot beschrijven en handelen, aldus Barbieri tijdens een architectuurdebat eerder dit jaar in Amsterdam, richten Italianen zich meer op vertellen en historie. De Italiaanse architect vraagt zich niet allereerst af 'hoe kan ik scoren', maar stelt de vraag wat je aan een gebouw kunt beleven. Barbieri: “Italiaanse architectuur moet je ondergaan, je moet ervan genieten.”

Wellicht is dat ook de reden waarom in het 'nuchtere' Nederland zoveel opdrachten aan Italiaanse architecten worden gegeven: Mendini met het Groninger Museum, Natalini is verantwoordelijk voor het vernieuwde stadshart van Groningen en Renzo Piano tekende voor het technologiemuseum New Metropolis aan het Amsterdamse IJ.

Met het monumentaal sobere Bonnefantenmuseum bereikte Rossi, gezien de vele reacties erop, precies het effect dat Barbieri noemde. Het is een plek om genietend te verwijlen. Voor sommigen was dat effect zelfs zo sterk dat zij het jammer vonden dat de ruimtelijkheid van gebouw en zalen 'verstoord' werd door de aanwezigheid van kunstwerken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden