Albina: Surinames eigen voorpoort naar de hel

'Attention. Ralentisseur de vitesse', waarschuwt het verkeersbord even buiten Meerzorg. Frans voor verkeersdrempels dus, en dat valt op in een gehucht dat Voorburg heet en dat bijna uitsluitend door Javanen wordt bevolkt. Maar de weg voert naar Albina, grensplaatsje aan de Marowijne, de rivier die Suriname van Frans-Guyana scheidt, vandaar.

Vermaningen om het tempo op vijftig kilometer te houden zijn eigenlijk overbodig. De weg is beroerd, en anders zijn het de vele drempels wel waar Bisai met zijn Mercedes overheen kruipt, want hij is zuinig op zijn slee. Vrachtwagens met enorme boomstammen bewegen zich in tegengestelde richting, op weg naar het veer voor Paramaribo. Ze komen van verder zuidelijk, uit het binnenland, waar de kap van tropisch hardhout woedt. Niet hier, hier regeert de kustvegetatie, de mangrove- en parwaboom.

Ook verder langs de weg naar het oosten zijn het voornamelijk Javanen die het beeld bepalen, met wat creoolse vrouwen die vanuit Paramaribo, aan de overkant van de rivier, hier hun kostgrondjes bewerken. Een Javaanse jongen probeert een groenroodgele papagaai te venten. Voor drieduizend Surinaamse guldens, omgerekend nog geen tientje.

De tolbrug Stolkesijver over de Commewijne vormt de toegang tot het district Marowijne. Sinds 1986 wordt hier geen tol meer geheven, in dat jaar en op deze plek ontbrandde de binnenlandse oorlog. Hier was het dat Ronnie Brunswijk met zijn mannen de eerste aanval uitvoerde en de eerste manschappen van Bouterse gijzelde.

We zijn nu duidelijk op het territorium van de boslandcreolen, de marrons, voor wier vrijheid en belangen Brunswijk en zijn legertje zeiden te vechten en van wie er vele tientallen zijn omgekomen. Nu is het er vredig. Rondom de hutjes heerst bedrijvigheid, langs de weg verkoopt een vrouw kwie kwie's, die vis gedijt hier goed in de kreekjes en aan de hemel cirkelt een majesteitelijke arend. Het wordt wat moerassiger om ons heen, met mauritius- en pinuspalmen.

De enorme krater in de weg vlakbij Albina leidt geen twijfel: oorlogsgebied. Voormalig oorlogsgebied dan, maar het verkoolde en verroeste wrak van het militaire voertuig dat destijds is opgeblazen ligt na al die jaren nog steeds in de berm. En menige woning bij binnenkomst in Albina vertoont nog kogelgaten, of is compleet een ruïne.

Albina. Ooit was dit een rustiek grensplaatsje, Surinames meest oostelijke buitenpost, pal tegenover het Franse stadje Saint Laurent, aan de overkant van de Marowijne-rivier. In Albina woonden voor 1986 zo'n duizend boslandcreolen, Aukaners vooral. Nu nog geen driehonderd, en nauwelijks nog een Aukaner. De bevolking ontvluchtte het plaatsje toen het Surinaamse leger daar september '86 hevig slag leverde met het Junglecommando, dat de kazerne had omsingeld. Vanaf de rivier werd het plaatsje door de Surinaamse marine beschoten, en van het voormalige vakantieoord bleef niet veel meer over.

Nadat de strijd geluwd was, trokken er weer boslandcreolen naar Albina. Maar vrijwel niemand van de oorspronkelijke bewoners. Handeldrijvers, scharrelaars, lieden die goud geld zagen in de smokkel naar Frans-Guyana, waar de levensstandaard zoveel hoger ligt en waar de goedkope Surinaamse produkten tegen goed Frans geld konden worden verkocht. Zo groeide Albina uit tot een berucht smokkelnest, een piratenoord. De criminaliteit tiert er welig, ook al omdat het plaatsje al sinds een maand of vijf verstoken blijft van elektriciteit waardoor het na zonsondergang helemaal een 'no go area' is. Albina, zo heet het, is nu de voorpoort naar de hel, waar god noch gebod heerst en waar een ieder met zware wapens op zak loopt en menige bezoeker uitkleedt. 'Compleet wild west', klonk onlangs nog in het radioprogramma ABC-Actueel.

Dat valt nogal mee. Maar misschien komt dat door de aanwezigheid van Bisai, zelf een boslandcreool, die zijn pappenheimers kent en bovendien nog vergezeld is van zijn maat Delano, ook een marron, maar die moet tijdens onze rondgang wèl bij de auto blijven. Bij de steiger aan de kade wordt flink gehosseld, karrevrachten met alle denkbare handel staan klaar om via het officiële veer naar de overkant te gaan, van meubels tot etenswaren.

Twee agenten van de militaire politie stempelen braaf de paspoorten, terwijl twintig meter verderop het hek ontbreekt en de toegang tot de aanlegsteiger vrij is. De enige douanier heeft het, voor zover actief, druk met de legale passanten, en bekommert zich niet om de smokkelaars en andere contrabandieten. Op een steenworp laden die rustig hun spullen in de korjaal, jerrycans in dit geval, waarschijnlijk met benzine. Die is in Suriname spotgoedkoop, nog geen 55 Hollandse centen, dus tel uit je winst.

Verder op het strandje aan de rand van de rivier liggen de korjalen in afwachting van hun oversteek. Uitgerust met een 25 pk Japanner, en daarmee geen partij voor de Franse rivierpolitie, zeker niet als ze met zes korjalen tegelijk de overkant bestormen. Op korte afstand houden de eigenaars hun vaartuigen in de gaten, want in Albina is alles zó verdwenen.

Het dorpje zelf vertoont nog alle sporen van de oorlog. Naast opgeknapte huisjes staan verlaten woningen met gaten van de inslagen. Een aan flarden geschoten tankstationnetje nabij de waterkant meldt 'Beware. I'm armed'. Dat maakte kennelijk geen indruk. Een enkele doortastende waaghals is in de halve ruïnes toch maar alvast een eethuisje begonnen, hopend op betere tijden.

Misschien komen die er, nu de minister van regionale ontwikkeling, Romeo Russell, zelf het startsein heeft gegeven voor het project 'Schoonmaak Albina', met een 'crash-programma' voor wederopbouw, zoals het zo mooi heet. Vechters van het vroegere Junglecommando werken daar zelfs aan mee. Allemaal prachtig, maar voorlopig zijn de restanten van de uitgebrande gebouwen al bijna geheel overwoekerd door het onkruid, en elders op het veldje liggen nog de karkassen van vernielde voertuigen.

Vooral in de buurt van de kazerne moet hevig zijn gevochten, getuige de ravage. Wanneer we daar een foto nemen van een passerende soldaat, de M 16 losjes over de schouder, breekt de pleuris los. Geheel over de rooie eist hij het rolletje op, 'militair object, oorlogssituatie', zoiets. Het geduldig soebatten van Bisai in het Sranantongo, de voertaal, helpt geen zier. Van de soldaat mogen geen foto's genomen, zelfs niet van achteren en zeker niet door een bakra, een Nederlander.

Er ontstaat een oploop, dorpelingen bemoeien zich ermee. 'Het is democratie', wordt er geroepen, 'Bouterse is niet meer aan de macht', 'legerterreur'. De soldaat raakt alleen maar meer over z'n toeren, de hand gaat naar de kolf van het geweer, de loop dreigend richting boosdoener. Wanneer een wapenbroeder nadert die duidelijk partij kiest voor zijn maat, lijkt het verstandiger het rolletje maar af te staan. Er is hier al genoeg oorlog geweest.

De soldaten verdwijnen, de omstanders morren na. Dat het ellendelingen zijn, die militairen, dat ze mensen intimideren, lastig vallen. Dat ze hier rondlopen en zich gedragen als bezetters, alsof het nog oorlog is.

Maar allemachtig, natuurlijk, Suriname is een democratie, de militaire politie is het daarmee volstrekt eens, en in gezelschap van een MP-officier in burger vervoegen we ons bij de bevelhebber van de kazerne. Ook deze blijkt niet gecharmeerd van het gedrag van zijn ondergeschikten en de hele troep wordt opgecommandeerd, 'en snel'. De bewuste soldaat meldt zich en krijgt de wind van voren. Termen als democratie, burgerrecht en persvrijheid vallen, maar het rolletje komt niet boven water, en daar gaat het toch om. 'Vernietigd', zegt de soldaat, en fouillering ten overstaan van een ieder levert niks op. Wel moet hij het filmpje vergoeden, 2000 Suri-guldens, een derde van zijn maandsoldij. Maar dat is een schrale troost.

Buiten Albina, op de weg terug, belanden we al weer snel op het territorium van de Aukaners met hun vredige, vertrouwde hutjes. Bisai slaat een maal kwie kwie's in. Vijftig gulden per stuk, anderhalve cent, een schijntje van wat ze in de stad kosten. Vlak daarop rijden we Javaans gebied binnen. Verzorgde huisjes, aangeharkt, fleurig, de bougainville staat in volle glorie. Bisai, wat dit is toch een mooi land. Zuiver, verzucht Bisai, zo mooi dat we niet eens weten wat we er mee moeten doen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden