Albanië, een land met puistjes

Albanië is het kruispunt van Oost en West. Een beetje Turkije, een beetje Italië. Restaurants serveren zowel kebab als spaghetti. Toch is het als vakantieland nog onbekend. Ten onrechte.

’De Nederlandse voetballer Robin van Persie is moslim”, zegt de man plompverloren. „En Jan Jongbloed en Wim Suurbier, die spelers van het beroemde WK-elftal van 1974, die waren óók moslim”, verzekert hij.

Plaats van handeling: de uit 1492 daterende Koningsmoskee van de stad Elbasani in het hart van Albanië. De man laat nog een Engelstalige folder achter over ’Vrouwen in islam – voorbij de stereotypen’, geeft een hand en vertrekt.

Het is één van de vele verrassende, aangename ontmoetingen in dit enige moslimland van Europa, dat vijftig jaar volkomen van de buitenwereld is afgesloten geweest.

Even later komt padre Nicolas, de orthodoxe priester van de aan de moskee grenzende Mariakerk al even spontaan uit de hoek. Na een korte rondleiding door de met schitterende iconen behangen kerk stopt hij een cassette in een tientallen jaren oude cassetterecorder. Byzantijnse gezangen weerklinken. Dan begint hij mee te zingen, steeds luider, de ogen gesloten. Zijn prachtige baritonstem galmt minutenlang door de verder lege kerk.

Zo’n zeventig procent van de drie miljoen inwoners van Albanië is moslim, de rest is christen, vooral Albanees orthodox. De meeste gelovigen zijn amper belijdend. Hoe kan het ook anders in een staat die van 1967 tot 1990 officieel atheïstisch was en alle gebedshuizen sloot. Het Albanese straatbeeld telt minder hoofddoekjes dan het Nederlandse. Toch is het een vleugje Azië, dit vergeten bergland dat zo lang onderdeel uitmaakte van het Ottomaanse Rijk. Maar het is óók Europa, met talloze overblijfselen uit de tijd dat de Italianen hier de baas waren. Het Latijnse alfabet wordt gebruikt en sinds een jaar is het land ook lid van de NAVO.

Albanië – of Shkipëria, Land van de Adelaar, zoals het in het Albanees heet – lonkt naar het Westen. Maar voor veel westerlingen is het land nog steeds het Noord-Korea van Europa. Onbekend, geïsoleerd, en met het imago van een rovershol.

In Berat valt de schemering. De azaan, de oproep tot gebed, schalt vanaf de diverse minaretten over de kasseienstraatjes van de Ottomaanse stad. Hier heeft de tijd nagenoeg stil gestaan. De witte vakwerkhuisjes met hun oranjebruine pannendaken lijken tegen de berghelling omhoog te kruipen. Boven torent de citadel boven alles uit. Binnen de muren gaat het leven ook na zonsondergang gewoon door. De burcht wordt nog altijd bewoond, zoals hij bewoond is sinds de vierde eeuw voor Christus. De straatjes, trappetjes en steegjes zijn het domein van voetgangers, katten en kippen. Auto’s kunnen dit kruipdoor-sluipdoorlabyrint niet bereiken.

Het communistische tijdperk is nog overal voelbaar in dit landje, in oppervlakte nog geen tweederde van Nederland en ingeklemd tussen Montenegro, Kosovo, Macedonië, Griekenland en – aan de overzijde van het water – Italië. Albanië is een land met puistjes. Overal, overal liggen nog de eenpersoons bunkertjes die de dictator Enver Hoxha liet aanleggen uit vrees voor een invasie vanuit de boze buitenwereld. De 700.000 betonnen schuttersputjes zijn nagenoeg onverwoestbaar. Tot in lengte van dagen zullen ze blijven liggen in achtertuinen, op berghellingen, in wegbermen en op de veelal schitterende stranden.

Tijdens de adembenemende autorit over de kustweg langs de Albanese Rivièra, tussen Saranda en Vlorë, wijst chauffeur Rakim naar beneden, naar de Baai van Palermo. In de rotswand aan de waterkant is een immense tunnel uitgehakt. „Dáár lagen de Sovjetonderzeeërs, onzichtbaar vanaf de zee en vanuit de lucht.” Vanaf de landzijde waren er al helemaal geen pottenkijkers. „We waren echt overal van afgesloten toen. Van zes tot tien uur ’s avonds was er op één zender staatstelevisie. Andere informatiebronnen hadden we niet”, vertelt Rakim, zelf voormalig militair.

Dwars door hartje Tirana loopt de brede Boulevard van de Martelaren van de Natie tussen de voormalige regeringsgebouwen. De straat eindigt op het centrale Skanderbegplein, dat wordt gedomineerd door een immens mozaïek aan de gevel van het Nationale Historische Museum. Trotse, vaderlandslievende gestaalde arbeiders en wapperende rode vaandels. De bovenste verdieping van het museum bevatte tot voor kort een overzicht van de communistische periode. Inmiddels is de afdeling gesloten. „Voor renovatie”, zegt de suppoost. En nee, ze heeft geen idee wanneer die klaar is.

Overal in het land zijn de standbeelden van Hoxha inmiddels neergehaald – zoals Irak in 2003 afrekende met de beeltenissen van Saddam Hoessein. In plaats daarvan zijn her en der monumenten opgericht ter ere van Moeder Teresa – met Hoxha de bekendste inwoner die dit land heeft gekend.

Toen Hoxha het land nog in zijn ijzeren greep hield, had hij een deel van Tirana volledig afgesloten voor de Albanezen. De Blloku heet de wijk rondom zijn voormalige villa aan de Ismail Qemalistraat. Tegenwoordig is dit het meest trendy gedeelte van de voor het overige nogal slaperige stad. Hippe cafés en restaurants, flitsende disco’s, peperdure fashionwinkels. Op de trottoirs van dezelfde straten zitten jonge Roma-kinderen met ontbloot bovenlijf tot middernacht te bedelen.

Het straatbeeld van Shkodra met gewapende mannen in traditionele Albanese dracht, zoals de schrijver A. den Doolaard beschreef in zijn roman ’De herberg met het hoefijzer’, is niet meer. Maar de burcht van Shkodra torent nog altijd uit boven de samenvloeiing van de rivieren Drini, Kiri en Buna, tegen een decor van de besneeuwde pieken van de Albanese Alpen. Met de val van dit kasteel, in 1479, eindigde het verzet van de Albanezen tegen de Turkse veroveraars. De herinnering aan die strijd wordt overal in Albanië levend gehouden. Aanvoerder Skanderbeg (1405-1468) is dé nationale held, elke stad telt wel een standbeeld of een naar hem genoemd plein.

In Butrint, in het uiterste zuiden van het land, liggen de overblijfselen van een andere roemrijke periode uit de Albanese geschiedenis. Hier bouwden de Romeinen een al langer bestaande burcht uit tot een bloeiende handelsstad. De Romeinse elite bouwde hier buitenhuizen, ook Julius Caesar verbleef er een poos. In de Middeleeuwen raakte de stad in verval als gevolg van dichtslibben van de baai. Tegenwoordig is het rustig tussen de ruïnes. Had Butrint tien kilometer zuidelijker gelegen, aan de Griekse kant van de grens, dan zouden de touringcars waarschijnlijk af en aan rijden bij deze archeologische topattractie.

Aan de overzijde van het water schemert Korfoe. Op het smalste punt van de baai ligt dit Griekse eiland drie kilometer uit de Albanese kust, een afstand die zwemmend valt te overbruggen. In de communistische tijd schoten Albanese grenswachten op nietsvermoedende toeristen die vanaf Korfoe te dichtbij kwamen.

Eind jaren negentig was het andersom. Toen probeerden tienduizenden wanhopige Albanezen over zee het land te verlaten. Met name de havenstad Vlorë was het toneel van chaotische toestanden. De Albanezen hadden net het juk van de communisten afgeworpen en wierpen zich massaal op de geneugten van de vrije markt. Waar een arbeider in vroeger tijden van staatswege maar twee broeken mocht hebben, lonkte nu ineens de rijkdom en het privébezit. Onder de communisten reden er in heel Albanië vijfhonderd auto’s rond, uitsluitend roetspuwende Oostblokkarretjes voor de apparatsjiks. Tegenwoordig heeft Albanië vermoedelijk de hoogste Mercedesdichtheid ter wereld. Tweedehandse, veelal gestolen auto’s uit West-Europa, geliefd vanwege hun oersterke assen die de Albanese wegen aankunnen.

Verblind door gouden bergen en niet gewend aan de survival of the fittest van het kapitalisme deden de Albanezen zichzelf kort na de val van de communisten de das om. Massaal en naïef belegden ze hun eerstverdiende eigen geld in schemerige piramidespelen. Toen de zeepbel in 1997 uiteenspatte veroorzaakten de berooide burgers een oproer. Albanië balanceerde op de rand van burgeroorlog, en in sommige steden waaronder Vlorë nam de maffia feitelijk bezit van het publieke domein. Het versterkte het beeld in Europa van Albanië als onguur land. Tegenwoordig is het weer veilig en rustig, heel rustig zelfs, in deze stad waar in 1912 de onafhankelijkheid was uitgeroepen. In een schaduwrijk parkje aan de hoofdstraat spelen tientallen mannen triktrak en domino. Ze drinken sterke Turkse koffie en ze roken de ene sigaret na de andere. Oriëntaalse taferelen op een steenworp afstand van West-Europa.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden