’Al-Kaida is sterker dan vóór 9/11’

Zes jaar geleden werd het World Trade Center in New York met de grond gelijk gemaakt door negentien terroristen van Al-Kaida. De journalist Abdel Bari Atwan schreef een boek over het terreurnetwerk, als een van de weinige journalisten die ooit in Osama bin Ladens grot logeerde.

Abdel Bari Atwan geeft een stevige handdruk. Het is dezelfde hand die bijna elf jaar geleden rustte in de hand van Osama bin Laden in het ruige Tora Bora gebergte in Afghanistan. De journalist begint te lachen als hem dat wordt voorgehouden. „Ik zal het nog sterker vertellen, hij omhelsde me ook nog.”

De ontmoeting met de man die inmiddels is uitgegroeid tot de meest gezochte terrorist ter wereld heeft een bepalende rol gespeeld in het leven van de journalist Abdel Bari Atwan (57). De zwaar besnorde hoofdredacteur van de in Londen uitgegeven onafhankelijke Arabische krant Al-Quds Al-Arabi hield er een blijvende fascinatie voor Al-Kaida aan over. Die resulteerde vorig jaar in een boek over het terreurnetwerk, waarvan nu de Nederlandse vertaling uit is: ’De geheime geschiedenis van Al-Kaida’.

Als Arabische journalist werkzaam in het Westen staat Atwan met de benen in beide culturen. Hij werd geboren in een Palestijns vluchtelingenkamp, studeerde journalistiek en Engels in Cairo, werkte voor een Libische en een Saoedische krant voor hij in 1978 in Londen neerstreek en in 1989 hoofdredacteur werd van Al-Quds Al-Arabi.

Onomstreden is Atwan niet. Hem wordt verweten dat hij Saddam Hoessein verdedigde. Voorafgaand aan de executie van de dictator zei hij dat diens Irak een „sterk, verenigd” land was „zonder sektarisme”. Eerder dit jaar zei hij nog tegen de Libanese tv dat hij op Trafalgar Square zou dansen als Iraanse raketten Israël zouden treffen.

Ook Atwans beschrijvingen van Bin Laden vielen soms slecht. Hij omschrijft de Saoediër niet alleen als massamoordenaar, maar ook als een vriendelijke, ’enorm bescheiden’, ’beleefde’ man met ’veel gevoel voor humor’, als iemand die een gast op zijn gemak weet te stellen en respectvol behandelt. De journalist stelt er zekerheidshalve bij geen enkele sympathie te koesteren voor de idealen van Al-Kaida, en de aanvallen op onschuldige burgers in het Westen met kracht te veroordelen.

„Ik omschrijf Osama bin Laden zoals je iemand omschrijft die je ontmoet”, stelt Atwan. „Ik beoordeelde zijn manieren en hoe hij eruit zag. Je moet dat in de tijd plaatsen. Ik sprak hem in november 1996, toen de grote aanslagen nog moesten komen. Hij was net Soedan ontvlucht, van waaruit hij de Saoedische autoriteiten bekritiseerde. In het Westen was hij nauwelijks bekend. Mijn artikel over hem in Al-Quds veroorzaakte weinig ophef.”

Bijna was het interview destijds niet doorgegaan. Niet omdat Bin Laden het liet afweten, maar omdat Atwan weinig zin had in de uitnodiging. De journalist lacht: „Ik ben een vijf-sterren-journalist, ik houd van goede hotels en stond toen niet aan het begin van mijn carrière wanneer je graag primeurs wilt. Het zou niet bepaald een luxueuze reis worden. Sterker, er was geen enkele veiligheidsgarantie.”

Het werd de gevreesde barre tocht, die in het diepste geheim moest worden gemaakt. Atwan reist naar Peshawar in West-Pakistan waar een contactpersoon hem in de kledij van een lokaal stamhoofd hijst, compleet met tulband. Met een escorte van twee talibanstrijders en een doldrieste chauffeur, belandt Atwan via de Khyberpas in het Afghaanse Jalalabad.

Hier wordt hij overgedragen aan een nieuwe contactpersoon die hem de volgende avond in een auto zet voor een nachtelijke rit naar Tora Bora, de bergketen waar Bin Laden eind 2001 voor het laatst is gezien. Er volgt opnieuw een dodemansrit door de bergen, tot Atwan ’s avonds laat het ’Adelaarsnest’ bereikt, het hoofdkwartier van de Afghaans-Arabische moedjahedienstrijders.

Bin Laden ontvangt hem in een kale, koude grot van vier bij zes meter. Het belangrijkste meubelstuk is een boekenkast met werken over de islam. De twee spreken over Bin Ladens rijkdom als telg uit een familie van bouwondernemers. Hij zegt niets om geld te geven en zich prima te voelen onder de primitieve omstandigheden. Het martelaarsschap komt ter sprake. Bin Laden vertelt dat hij niet bang is voor de dood, dat hij een martelaar wil worden. Het spijt hem spijt dat hij nog in leven is.

Atwan krijgt een bed aangeboden in de grot. „Bin Laden snurkt niet”, constateert Atwan, die tot zijn schrik ook ontdekt dat de ruimte onder het bed volgepakt is met munitiekisten. Een in dierlijk vet drijvende maaltijd, aangekondigd als Bin Ladens favoriete voedsel, valt de journalist de volgende dag nogal zwaar. Hij deponeert zijn maaginhoud later onder een boom naast de grot. Twee dagen later wordt Atwan weer teruggebracht naar de bewoonde wereld. Hij beseft niet dat hij zojuist de man heeft ontmoet die zal uitgroeien tot een man op wiens hoofd nu 50 miljoen dollar staat.

Sinds die ontmoeting is Atwan de ontwikkeling van Al-Kaida en Bin Laden blijven volgen. Cruciaal daarin is de rol van Bin Ladens rechterhand, de Egyptenaar Ayman al-Zawahiri. Hij zet de beweging in 1998 op een nieuwe koers. Al-Kaida (de Basis) was tot dan toe vooral gericht tegen de Amerikaanse militaire aanwezigheid op het Arabische schiereiland.

„Al-Zawahiri is een heel slimme man. Een ideoloog met een visie”, zegt Atwan. „Osama bin Laden is een eenvoudige, bescheiden figuur. Tot 1997 verzette hij zich alleen tegen de aanwezigheid van Amerikaanse troepen op het Arabisch schiereiland. Al-Zawahiri, een Arabische nationalist en moslimradicaal, breidde de strijd uit tot de wereldwijde djihad.”

Voorheen was Al-Kaida een gecentraliseerde organisatie: met een leider, zijn rechterhand, een derde leidinggevende laag en de leden. „Die piramidevorm bestaat niet meer”, zegt Atwan. „Het is een platte, losse organisatie geworden. Gedecentraliseerd met zeker acht hoofdkwartieren onder meer in Afghanistan, Irak, Saoedi-Arabië, Somalië, Noord-Afrika en God weet wanneer de volgende afdeling wordt geopend.”

De journalist wijst op krantenvoorpagina’s die melding maken van in Duitsland gearresteerde terreurverdachten. „Dit verbaast me niets. Dit zullen we nog veel vaker zien”, voorspelt hij. „Zeker omdat zes jaar na 11 september de ergernissen binnen de moslimgemeenschap nog hetzelfde zijn en erger worden.”

Atwan somt een aantal grieven op met als belangrijkste de schijnbaar onoplosbare Israëlisch-Palestijnse kwestie. Ook over de Amerikaanse invallen in Irak en Afghanistan is veel woede onder moslims.

„In Irak zijn na vier jaar van ’bevrijding’ een miljoen doden gevallen en zijn vijf miljoen mensen op de vlucht geslagen. Het land valt uiteen, er heerst anarchie”, zegt Atwan. „ In Afghanistan hergroeperen de taliban en Al-Kaida zich, de opiumproductie is vertienvoudigd en leiders als Bin Laden en Mullah Omar lopen vrij rond. Buitenlandse troepen willen weg. Dat zijn allemaal duidelijke indicaties dat de oorlog tegen terreur hier verloren is. Ook het Amerikaanse project in Irak is verslagen, geen twijfel mogelijk. Ze zoeken nu naar een eervolle aftocht, maar die zullen ze niet vinden. Net als in Afghanistan.”

„Ik geloof stellig dat het Al-Kaida van nu veel sterker is dan vóór 11 september. De situatie gaat nu van slecht naar nog slechter, niet van slecht naar beter. Daarom zullen we nog veel vaker zien dat slapende cellen zullen proberen aanslagen te plegen tegen burgers en het Westen.”

Atwan bepleit onderhandelingen met groeperingen als de taliban. Samenwerking in plaats van confrontatie is de enige manier om vooruit te komen, vindt hij. „Uiteindelijk zul je toch moeten praten, zoals de Britten met de Ira, de Amerikanen in Vietnam, de Israëliërs met de PLO en de blanke Zuid-Afrikanen met Nelson Mandela. Zo gaat het altijd, het is moeilijk maar uiteindelijk moeten ze wel.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden