Review

Al die jaren leef ik al met m'n tijd mee

Remco Campert, 'Dichter', De Bezige Bij, geb. 666 blz f 75,-.

Ergens halverwege staat het gedicht 'Iets tegen verzamelbundels'. (-) alsof niet wat ik gisteren schreef mij vandaag nog overkomt zoals ook wat ik morgen schrijven zal mij nu reeds door het hoofd spookt. (-) want wie zijn gedichten verzamelt en zegt zo tot hier ben ik gekomen nu de deur uit ermee schuift af op andermans schouders in andermans kast z'n eigen leiden in last.

Zo zou ik dat tenminste voelen je zuster zal je bedoelen.

Campert was '35 jaar lang één dag oud' toen hij dit schreef. Afgelopen zondag, dertig jaar later, nam hij in de Amsterdamse Kleine Komedie zijn eigen bundel in ontvangst, op het podium omlijst door een Nachtwacht van applaudisserende geestverwanten (van Hertzberg tot Deelder, van Claus tot Vinkenoog tot Komrij tot Fens).

“Dat gedicht”, zegt hij daags na de poëzieavond in zijn Amsterdamse woning in Oud-Zuid, “bewijst maar weer eens dat ik niet consequent ben. M'n mening verandert. Bundelen, dacht ik toen, doe je na je dood. En de dood was toen wel heel ver weg.”

Op z'n 35ste had hij er ook niet aan moeten denken dat hij niet alleen ooit zou bundelen, maar dat hij samen met ex-voetballer/thans schrijver Jan Mulder met z'n gedichten het land in zou trekken om die nota bene ook nog eens aan den volke voor te dragen. Het idee alleen al. Dit najaar begint hij aan z'n zesde seizoen met Mulder - 50 optredens in Vlaanderen en Nederland - en houdt daarmee ook z'n 'afscheidstoernee'.

“Gaandeweg raakte ik aan publiekelijk voordragen gewend. Ik hoef het publiek niet langer als vijand te zien of als mensen die mij bedreigen. Onze grootste angst was steeds: we moeten nog 40 voorstellingen en wie weet vindt niemand er iets aan. Maar dat is niet gebeurd. Het is een beetje brutaal, maar nu zou ik wel voor 50.000 toeschouwers durven op te treden. Maar 500 vind ik een prachtig getal. Er zijn ook wel eens 40 aanwezigen, en dan doe ik het met evenveel plezier.”

Een getal als 50.000 laat zich moeilijk met Campert rijmen: hij heeft toch immers alles met De Eeuwige Toeschouwer, zoniet Beschouwer, met Het Individu, en uitgerekend niets met groepen? Als Ajax of Stones hem hadden gevraagd om hun feest poëtisch luister bij te zetten, had hij dan ook voor die kolkende mensenzee op het Museumplein opgetreden?

“Als ik gevraagd was, had ik het gedaan. Je staat natuurlijk niet tussen die groep hè, net als in het theater wil ik graag op een podium staan. Niet om me van de mensheid te verheffen, maar om me enigzins af te zonderen. Bij die voetbalsupporters had ik het waarschijnlijk wel moeilijk gekregen: ik had moeten uitleggen dat er dichters zijn. Tegen de tijd dat je dat gedaan hebt, heb je het natuurlijk al verloren.”

Dat hij dichter wilde worden en zijn, stond al vroeg voor hem vast; het klassieke jongensverlangen naar het brandweer-, politieagent- of pilotenschap drong zich nooit aan hem op. Alleen, hoe moest je daar van leven? Met een mapje eigenhandig geschreven artikelen uit de schoolkrant, een stukje uit Het Parool, een artikel uit de Kleine Krant in de Groene Amsterdammer, 'misschien ook wel een kinderverhaaltje', wankelmoedig en met frisse tegenzin toog hij ooit naar het 'Het Vrije Volk zaliger'. Het sollicitatiegesprek in de vage veronderstelling om leerling-journalist te worden werd niks. “Het mislukte falikant, tot mijn ongelooflijke opluchting. Ach, geld kwam er toch wel. Er was altijd wel iemand die geld had. Ik heb me nooit arm gevoeld, we hadden ook niet zo veel nodig. Naar Parijs liften we, jazz kwam er ook wel: soms kwam er weer eens iemand met een grammofoonplaat langs.”

In 'Leven met J.C. Bloem' typeert Clara Eggink de Haagse dagen van de jongen Campert als volgt: “De zeelucht daverde van de onzin. Geest is aanstekelijk en we hadden allemaal geoefende tongen. Onze gesprekken, onze grappen, onze verhalen knetterden gemakkelijk over de onlust heen, waar wij ook aan leden.” (Wij = o.a. J.C. Bloem, diens eerste vrouw Clara Eggink en latere vrouw van Jan Campert, Remco's vader die in Neuengamme werd vermoord.)

Campert heeft niet de indruk dat hij ooit iets gelaten heeft omdat er geen geld voor was. “Geld heeft nooit een rol gespeeld. Als ik er al aan dacht, dacht ik: dat komt wel eens een keer. Nu is het er wel een beetje, maar als het morgen weg zou zijn zou - een beetje hypothetisch - m'n leven weinig veranderen.”

Is het dichterschap dan misschien niet alsnog 'het schoonste beroep ter wereld'?

“Ja, dat zou je kunnen zeggen.”

Toch is het ook met dat leerling-journalistenschap, zij het in merkwaardige boemerangomzeiling, ook nog goed gekomen. Maar dan is het de schrijver Campert die de journalistiek laat jongleren. Uit 'Het leven is vurrukkulluk' (1961) (de journalist Ernst-Jan:)

'Geloof je dat poëzie en trouwens proza ook in deze moderne wereld nog een plaats hebben?'

'Eh...', zei Boelie. 'Ummmm... Ik geloof eigenlijk van niet....of misschien toch ook weer wel, ja.'

'Kun je iets duidelijker zijn?' vroeg Ernst-Jan.

'Tja, ik bedoel.... het is een moeilijke vraag... ik sta er nooit zo bij stil. Het wordt geschreven, dus het zal wel een plaats hebben... Ik.... ummmm....ja.'

'Zou je ook schrijven als niemand je las?'

'Ummm...ja, ik denk van wel... ik bedoel.... ik... eh...ja, ik breng geen boodschap tenslotte.... niet dat ik weet tenminste... dus als ze me niet lezen is er geen man overboord.... ummmm.... maar financieel is het natuurlijk niet prettig... ik.. eh...'. (-) 'Hij (de journalist) zweeg, keek toen op zijn horloge.

'Jezus', zei hij. 'M'n voetbalwedstrijd. Nog een paar vragen. Even kijken, waar waren we gebleven... Ja, je leerde het alfabet uit je hoofd. Haha. Ging je toen van de weeromstuit schrijven?'

'Welnee', zei Boelie. 'Ik schreef al jaren. Maar ik vernietigde alles. Godzijdank.'

'Was het zo slecht?'

'Slecht?! Het was veel te goed. Wereldschokkend. Het kon eenvoudigweg niet gepubliceerd worden. De goden zouden uit de hemel getuimeld zijn. De paus was van zijn troon gevallen. Mijn schrijven geleek een natuurramp in die jaren. Vulkanen erupteerden. Oceanen droogden op. De aarde beefde en opende zich. Vrouwen idem. Bomen barstten brullend uit hun schors. Ik verenigde alle schrijvers in me, die ooit hadden geleefd en ooit zouden leven. Homerus, Shakespeare, Bilderdijk, Herman Robbers.... noem maar op. nee ik besloot me te beheersen en de aarde niet uit haar baan te stoten.' '

Als je hem vraagt hoe hij de overbrugging van ooit naar nu heeft ervaren, kom je wat in het luchtledige te hangen. Is er eigenlijk wel zo veel veranderd? En is het leven nog steeds vurrukkulluk?

“Jawel, niet continu, maar dat was het toen ook niet. Ik zie meer zonzijden dan schaduwkanten. Schaduw speelt natuurlijk wel mee, anders zie je de zon niet: die bestaan bij de gratie van elkaar.

Het leven is een stuk opener geworden, het Nederland van de jaren vijftig was wel erg opgesloten. Bijna zou ik zeggen dat er nu te veel mogelijk is. Ik vind het moeilijk om grote verschillen te duiden. Al die jaren leef ik al met m'n tijd mee. Ik ben een kind van m'n tijd, ja. Totaal. En met huid en haar aan het leven verslingerd. Ik wandel er niet in totale slordigheid doorheen. Voor tijdsbeelden ben ik niet helemaal geschapen, dat moet je Hofland maar vragen.'

Maar er zijn toch wel zichtbaar dingen veranderd, de toename van het aantal auto's bijvoorbeeld, die bovendien vandaag de dag als muzikale tijdbommen voorbijbonken: hoe verfijnder de motor werd, hoe harder de muziekdecibellen werden.

“Ik weet het niet. Meer auto's vind ik niet erg. Ik betreurde het destijds dat auto's in de Leidsestraat werden verboden; het rook er zo lekker naar benzine. Ook daar ben ik weer aan gewend, nu moet ik in de Leidsestraat voor fietsers oppassen.”

“Voor de Vpro-radio ben ik nu 'Het leven is vurrukkulluk' aan het voorlezen, en wat me na al die jaren opeens opviel was dat het niet erg verouderd is. Ja, voor de voetbalwedstrijd Holland-België gaat men op zondag naar huis om de radio te beluisteren, dat klinkt nu archaïsch. Toch hield het stand, het wordt nog steeds herdrukt. En het is kennelijk ook wel goed geschreven.”

Knikkeren

Wat is het eigenlijk toch aardig gedichten te schrijven! Het is als die knikker in je zak die een knikker is en ook nog heel wat anders en je bent nu zoetjesaan te oud dat iemand je hem nog af zou pakken.

Daarom jongens! niet klagen maar knikkeren en ook nog wat anders.

“Dat heb ik vrij los opgeschreven. 'Ook nog wat anders', daar gaat het om hè. Ook nog wat anders dan precies te zijn. Maar dat moet ik allemaal niet uitleggen. Veel verklaring heb je bij mij niet nodig. Het is duidelijk, tenzij je overal wat achter wilt zoeken.”

Uit 'Notities van een straatslijper': Naar Buiten

Ach ik ga de straat maar op van werken komt weer niets. Rechtsaf de deur uit vandaag die kant uit is meer te beleven. Ze breken bijvoorbeeld de tramrails op daar ga ik naar staan kijken.

“Dat schreef ik voor Henk Hofland. Het is een notitie die tegen poëzie aanhangt, ik weet niet of het poëzie is.” Tijdloze taferelen van drie mannen die ergens een gat staan te graven, daar de hele dag over doen, hoofdzakelijk gebarend en niemand die weet waar de put voor dient, bevallen hem uitermate. “Ik blijf vaak bij bouwputten staan. Bij de fundamenten van wat het 'Kasteel van de Heren van Aemstel' zou zijn bleven veel mensen kijken - dat was nog uit echte interesse. Maar ook bij gewone bouwputten of opgebroken rioleringen sta ik wel eens stil. Niet met de bedoeling om te dichten; ik sta daar niet te noteren, maar verkeer in een soort wazige ontvankelijke stemming.”

In zijn onlangs verschenen pastiche op het Rotterdamse Poetry International, 'Ohi, hoho, bang, bang of het lied van de vrijheid' verschijnt de ongetemde dichter Menno van der Staak ten tonele. Amper is de hoofdpersoon op het poëziefestival 'de World' aangekomen of een journalist klampt zich aan hem vast.

“'En als het kan een primeur bemachtigen. Heb je al iets over een of andere rel gehoord?'

'Nee, ik kom net aan', zei Menno.

'Ik hoorde dat er een verkeerde Afrikaan is gekomen. Maar wat er precies aan de hand is, ben ik nog niet achter. O god, poëzie. Nu al.' '

De poëziegangers zijn er niet uit hoe goed of fout de Afrikaanse dichter en zijn land - waar elk moment een tegenstaatsgreep te verwachten valt - zijn, en hoe het nu met de prijsuitreiking voor 'de meest vervolgde dichter' zit.

“'Het is een Filippijn, hè?'

'Nee, een Koreaan. Sun Moon of zoiets. Ook zo'n dichter die steeds opgesloten wordt, maar nu is hij weer even vrij. Hij heeft zelfs een uitreisvisum gekregen. Niemand heeft een woord van hem gelezen, maar hij is aanbevolen door Joseph Brodsky, dus moet hij wel goed zijn.' '

Onderling verstaan de deelnemers van 'de World' elkaar niet altijd even goed.

“'I come from Sneek,' beantwoordde Sjoukje Minnema Philip Murdochs vraag.

'Snake? Wat een grappige naam voor een stad.'

'In Friesland we say Snits'.

'Snitch? Hoe buitengewoon interessant'.

'No, no, Snits. Our language muts like yours'.

'Is that so?'

Die 'verkeerde' Afrikaanse dichter en die 'meest vervolgde dichter' figureren vrolijk in de bundel, maar dienen zich ook in de werkelijkheid aan, wanneer Campert zitting heeft in een beoordelingscomité van Poetry International.

Campert: “Wat dat betreft is het aanbod groot. Het aantal mensen dat vervolgd wordt, is groot, veel dichters zitten letterlijk. Je verkeert dan in een soort beulachtige situatie, want we mogen maar één vervolgde dichter uitkiezen en uitnodigen. We trachten natuurlijk wel iemand te vinden die een beetje behoorlijke poëzie schrijft. Er was een periode van nogal revolutionaire poëzie, een beetje agit-prop-poëzie, die niet speciaal van talent getuigde. Je weet nooit in hoeverre zo'n uitverkiezing tot hun vrijlating heeft bijgedragen, maar die zal die in ieder geval niet tegengewerkt hebben.”

De tijd heeft hem niet melancholischer gemaakt. Dat was hij vanaf den beginne al, en dat bleef op ongeveer hetzelfde pitje doorpruttelen. “Ik ben melancholisch, niet zwaarmoedig en nooit radeloos melancholisch. En ik hoop dat ik toch ook over vrolijkheid, ironie beschik. Maar ironie als bestrijding van melancholie? Nee, zo werkt het niet. Melancholie was nooit zo diep bij me aanwezig om er aan ten onder te gaan. Of misschien heb ik de gevolgen van ernstige melancholie buiten de deur weten te houden, dat kan ook. Ik heb ook altijd gewerkt, dat helpt ook. Nu weer eens wat proza, de poëzie komt wel weer eens een keer. Het dient zich vanzelf aan; ik werk niet in strikte prozaische of poëtische perioden.”

De titel van de verzamelbundel kwam na nogal wat wikken en wegen tot stand. Even overwoog hij een variant te maken op 'Alle gedichten tot gisteren' van Gerrit Komrij - iets als 'Alle gedichten tot vanochtend' - maar dat zou toch te veel op Komrij's bundel gaan lijken. Iemand opperde het woord en beroep 'dichter' - tout court. En ja, waarom eigenlijk ook niet? Vroeger werd hem nog wel eens gevraagd wat hij nou echt deed, nadat hij 'schrijven' of 'dichten' had gezegd. Waar, kortom, verdiende hij nou werkelijk z'n kost mee, want dat schrijven, dat deed je er natuurlijk maar zo'n beetje in de weekeinden of avonduren bij. Dat overkomt hem nu niet meer. Waarom dus niet eigennaam gevolgd door beroep?

“Gewoon, zoals in het telefoonboek of op een naambordje: Wim Jansen, timmerman.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden