Akzo los van Twentse bodemschat

"Na bijna een eeuw zoutwinning onder de vlag van AkzoNobel en zijn voorgangers krijgt de fabriek in Hengelo een nieuwe eigenaar." Beeld ANP XTRA

AkzoNobel komt niet in handen van het Amerikaanse PPG. Akzo’s zoutfabriek in Hengelo krijgt wel een andere eigenaar. Een eeuw lang reikten Akzo’s wortels tot diep in de Twentse bodem.

Het was baron Rodolphe Frédéric van Heeckeren van Wassenaer die in 1886 bij zijn zoektocht naar drinkwater in zijn tuinen stuitte op zout water. Teleurgesteld wendde de heer van het landgoed Twickel in het Overijsselse Delden zich tot Almelo, waar al drinkwater was gevonden. Dus legde hij voor de Deldense bevolking een van de eerste waterleidingen van Nederland aan. Toch deed de baron zijn vondst niet voor niets. Ze leidde een grote industrie in: de zoutwinning.

32 jaar na de vondst, in 1918, startte de Koninklijke Nederlandse Zoutindustrie (KNZ) met de winning van zout, dat tot die tijd voornamelijk uit Duitsland werd gehaald. Niet in Delden, maar in het verderop gelegen Boekelo, want daar lag een spoorlijn.

In 1936 begon KNZ met de bouw van een tweede fabriek in Hengelo vanwege de aanleg van het Twentekanaal. De nieuwe fabriek gebruikte water uit het kanaal voor de winning van het zout en de waterweg voor het transport. Die fabriek staat er nog steeds, alleen dan onder de vlag van AkzoNobel, waarin KNZ in 1969 is opgegaan.

Enthousiast vertellen Wim ter Schegget en Diet Remmers over de geschiedenis van de zoutwinning in Twente. De twee zijn oud-medewerkers van de zoutfabriek in Hengelo - respectievelijk 38 en 37 dienstjaren - en nu als vrijwilliger actief bij het Zoutmuseum in Delden. In het spierwitte museum, een ode aan het witte goud zoals zout wel wordt genoemd, doet het tweetal zijn verhaal.

Tekst loopt door onder grafiek. 

Beeld Trouw

Puur zout

Meer dan 100 miljoen ton zout is er in 99 jaar uit de Twentse grond gehaald. In het eerste jaar van de nieuwe fabriek in Hengelo werd er 130.000 ton zout geproduceerd. Nu jaarlijks meer dan 2,5 miljoen ton, weet Remmers. Tafelzout voor bij een ei, maar ook strooizout, likstenen voor de agrarische sector en zout om water te ontharden. De grootste hap gaat naar de chemische industrie, bijvoorbeeld voor de productie van chloor.

Het proces van zoutwinning is in die 99 jaren nooit wezenlijk veranderd. Via een smal boorgat wordt water in de laag zout gepompt. De zoutoplossing die daaruit ontstaat (pekel), wordt via een tweede pijp in het boorgat naar boven gehaald en naar de fabriek getransporteerd. Na een proces van zuivering, indamping en drogen blijft er puur zout over. Ter Schegget claimt dat het zout uit de Twentse bodem door dit proces het zuiverste ter wereld is.

Tussen Hengelo, Enschede en Boekelo zijn circa zeshonded boringen uitgevoerd, herkenbaar in het landschap. Boven op veel van die boorgaten staan kleine groene zouthuisjes. In het schuurtje komen de leidingen boven. Van daaruit wordt de pekel door leidingen naar de fabriek gepompt. Op enkele plekken in de regio staat nog een oude houten boortoren, uit de tijd dat mobiele boortechnieken niet bestonden.

Na bijna een eeuw zoutwinning onder de vlag van AkzoNobel en zijn voorgangers krijgt de fabriek in Hengelo een nieuwe eigenaar. AkzoNobel heeft aangekondigd zijn chemiepoot, inclusief het zout, te verkopen. Het wil zich alleen nog richten op de productie van verven en lakken.

Een overname? Ter Schegget en Remmers halen hun schouders op. Het tweetal heeft goede contacten bij AkzoNobel, mede omdat het bedrijf nauw betrokken is bij het Zoutmuseum. Ze zijn het erover eens dat er waarschijnlijk weinig zal veranderen in Hengelo. Het is het witte goud dat blijft, ook als de naam Akzo uit Twente verdwijnt. Want de zoutlaag die in 1886 door baron Van Heeckeren van Wassenaer werd ontdekt, kan nog honderden jaren zoutwinning mee.

Tekst loopt door onder afbeelding. 

Beeld ThinkStock

Onder de grond zijn de gaten zo groot als de Arena

De holtes in het landschap die ontstaan zijn door zoutwinning na 1980 zijn veilig, maar oudere kunnen instorten.

Een eeuw zoutwinning heeft zo zijn keerzijde. Diep in de bodem van het gebied tussen Hengelo, Enschede en Boekelo zitten zo’n 250 cavernes: enorme holtes zo groot als een voetbalstadion in de steenzoutlaag, ontstaan door jarenlange mijnbouw. Nieuwe cavernes zijn veilig. Maar 62 van de oude holtes, ontstaan voor 1980, zouden kunnen instorten.

Dat bleek op 18 januari 1991. Plotseling was daar ‘het gat van Hengelo’. Een krater van 4,5 meter diep met een doorsnede van 30 meter. Een ingestort boorgat, het gevolg van ongecontroleerde zoutwinning.

Als AkzoNobel uit Twente verdwijnt, blijven die cavernes net als het zout in de bodem aanwezig. De kans op een verzakking, zoals in 1991, is klein maar aanwezig, zegt Robert Hack, bouwkundig geoloog en verbonden aan de universiteit van Delft.

“Alle cavernes zijn in kaart gebracht en worden regelmatig met sonar gecontroleerd op ondergrondse verzakkingen”, zegt hij. Dat hoeft alleen maar bij de oude holtes, uit de tijd dat zout werd gewonnen zonder dat de risico’s daarvan bekend waren. Nieuwe cavernes die ontstaan door de huidige zoutwinning leveren geen gevaar op: ze worden verticaal gevormd. 

Daarbij hebben nieuwe cavernes een zoutdak van vijf meter dikte. Door een laagje olie op het opgeloste zout te laten drijven, kan het dak niet oplossen. “Om de hele caverne zit dus een laag steenzout die vrijwel ondoorlatend is.”

Dun zoutdak

Anders is dat bij tientallen oude cavernes. Sommige vormen een serieus gevaar vanwege de ligging: onder wegen, huizen, bedrijven hoogspanningsmasten. “Die cavernes hebben een horizontale vorm en vaak een dun zoutdak. Door de enorme druk van de bovenlaag kan zo’n dak instorten. Als dat gebeurt zal een verzakking pas na vijftien tot twintig jaar aan de oppervlakte zichtbaar worden, maar dat het gebeurt is vrijwel zeker. Deze cavernes moeten gestabiliseerd worden.”

Dat kan door slurry, een mengsel van kalk en gips dat vrijkomt bij de zoutwinning, terug in een caverne te pompen. Twee zeer instabiele cavernes werden al met slurry gevuld, maar de beschikbaarheid van deze stoffen is beperkt. Op zoek naar een alternatief kwam AkzoNobel uit bij Twence, de afvalverwerker uit de regio. Vliegas, een restproduct van vuilverbranding, kon een goedkope stabilisator vormen.

Dat plan stuitte op weerstand van omwonenden. Uiteindelijk trokken de Twentse gemeenten, aandeelhouders van Twence, de stekker uit het plan. Dus moet degene die aansprakelijk is voor schade door beweging in de bodem, AkzoNobel of de nieuwe eigenaar van de fabriek, op zoek naar een alternatief. Die zijn er maar beperkt zegt Hack. “Zand, klei of cement, dat kan. Maar die grondstoffen zijn duur en de kosten om ze onder de grond te pompen zijn hoog.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden