Ajax piekt weer, maar houden ze het vol te midden van de internationale clubs die barsten van het geld?

De spelers van Ajax delen hun vreugde na de wedstrijd tegen Juventus met de naar Turijn meegereisde supporters. Beeld ANP, Olaf Kraak

Het zou nooit meer kunnen, een Nederlandse voetbalclub bij de allerbeste van Europa. Nu staat Ajax in de halve finale van de Champions League. Lijnen van 1988 via 1995 naar nu.

Hij had nog nooit zo hard geschreeuwd, zei mijn zoon van 19 woensdagochtend. Hij was dinsdag naar een concert ­geweest. Hij had kaartjes voor een andere avond gehad, maar ­Drake schijnt nogal eens een concert te verplaatsen, en wist die veel van Ajax. Met velen volgde mijn zoon Juventus-Ajax tijdens het concert op de telefoon. Hoe Drake was, weet ik niet. Wat ik wel weet en aan hem zag: wat hij op zijn telefoon zag, had hij nog nooit ­gezien.

Nee, dit zou nooit meer kunnen: een Nederlandse club bij de allerbeste van Europa. Met collega’s, vaders, hadden we het er weleens over, over de spijt voor ons kroost. We hadden Oranje in 1988 Europees kampioen zien worden, wat een feest. We hadden Ajax in 1995 de Champions League zien winnen. Onze voetballers van de jaren tachtig, negentig: Van Basten, Gullit, Ronald Koeman, Rijkaard, Bergkamp. Je stuurde soms een filmpje door, om te laten zien hoe goed het ooit was geweest. (En nooit meer zou kunnen zijn, dacht je er weemoedig bij.)

Ze zouden het zo nooit kunnen meemaken. Al dat geld in het voetbal van hun tijd, dat verfoeide geld, dat voor de sportbeleving vernietigende geld. Kijk eens naar de Football Money League, een lijst die accountancybureau Deloitte jaarlijks opmaakt van de inkomsten van Europese voetbalclubs. Real Madrid is de rijkste met een omzet van 750 miljoen euro, Barcelona volgt met 690 miljoen. Tottenham Hotspur, de tegenstander in de halve finale: 428 miljoen. Ajax? De omzet daalde vorig seizoen, waarin de club niet in Europa speelde, naar 92 miljoen.

Zak geld

Onze grote voetballers van de jaren zeventig mochten en mogen er graag op wijzen dat het nooit anders is geweest: dat het kleine Nederland altijd armer is geweest. Johan Cruijff zei het bij leven, Willem van Hanegem zegt het nog. Het was onvermijdelijk ook zo. Maar door een verandering in het transfersysteem in de jaren negentig (daarvóór waren slechts drie buitenlandse spelers per club toegestaan) en door een toevloed aan commerciële gelden (tv, merchandising) explodeerde het voetbal. De verhoudingen zijn in relatieve zin inderdaad niet anders, in absolute zin met de duizelingwekkende cijfers natuurlijk wel.

Cruijff zei ook graag dat hij een zak geld nog nooit een doelpunt had zien maken. Ja, hij kon het mooi vertellen. Hij was 26 jaar – het is niet meer voor te stellen – toen hij van Ajax naar Barcelona ging. Hij had negen jaar in Ajax 1 gespeeld. Later was ook Ronald Koeman 26, toen hij naar het buitenland ging. Ruud Gullit was 25. Ze hadden respectievelijk negen en acht jaar in Nederland gespeeld. Marco van Basten was 23, na zes jaar in Ajax 1.

Dat waren stuk voor stuk voetballers van de hoogste categorie. In het huidige tijdsgewricht kan, even grof gezegd, iedereen naar het buitenland. Bouwen aan een elftal, met spelers die hier jaren spelen, zoals Rinus Michels dat in de jaren zestig en zeventig bij Ajax kon en Louis van Gaal in de jaren negentig, dat kan niet meer. Nee, een zak geld kan geen doelpunt maken. Maar zo’n zak geld helpt wel, en in het buitenland zijn veel meer van die zakken geld – voor de spelers van de hoogste categorie, en voor veel eronder.

Beter inkopen

Laten we wel even wat cijfers bijstellen, voor de eerlijkheid en om het verhaal niet al te romantisch te maken. Ajax verdiende dit seizoen met zijn triomftocht al 90 miljoen euro aan Champions League-inkomsten. Het grote talent Frenkie de Jong is al verkocht, voor minstens 75 miljoen euro aan Barcelona. De verwachting is dat Ajax voor de pas 19-jarige aanvoerder Matthijs de Ligt een bedrag in dezelfde orde van grootte zal ontvangen. Nog meer spelers zullen gewild zijn.

Het geld zal in Amsterdam binnenstromen, in voor Nederland nooit eerder gekende hoeveelheden. Fans kunnen al treuren over het uiteenvallen van dit team. Ach, er zal geld genoeg zijn om spelers te vervangen en Ajax is sinds enige tijd – het is een voorname pijler van het succes – beter en verstandiger gaan inkopen dan voordien. Nee, het zal niet eenvoudig zijn dezelfde kwaliteit terug te halen en misschien zal het op de kortste termijn ook niet lukken. Maar ter relativering van klaagzangen op voorhand kan een klassiek voorbeeld uit het verleden dienen: PSV werd beter, met andere krachten, nadat Gullit er in 1987 was vertrokken.

Pragmatisch

Natuurlijk is dat niet één op één te vergelijken, zoals weinig tot niets dat is in het fluctuerende voetbal. Maar er is ook niet aan te ontkomen, zeker niet bij prestaties die zo onbedwingbaar het verleden oproepen. Dat kan voorlopig ook het verleden van PSV zijn, niet alleen van Gullits tijd. Niet Ajax, maar PSV was hiervoor de laatste Nederlandse club die de halve finale van de Champions League bereikte, in 2005. Maar dat spreekt minder tot de verbeelding, zeker in Amsterdam. Het was in de snellere cyclus van het voetbal al een kortere periode van voorspoed, door coach Guus Hiddink pragmatisch en degelijk geregisseerd.

Nee, meer wordt dezer dagen de link gelegd met de jaren negentig van Ajax. In 1995 won Ajax de Champions League, maar die episode beslaat meer: een samenhang van zes jaar, het tijdvak in Amsterdam van Louis van Gaal, van 1991 tot 1997. Van de opbouw, met winst van de toenmalige Uefa Cup in 1992, naar de top én de knap uitgestelde afdaling. In 1996 reikte Ajax opnieuw tot de finale en in 1997 – het is niet meer voor te stellen – nog tot de halve finale. Dat was vóór dinsdag de laatste keer in de clubhistorie, aanvoerder De Ligt was nog niet geboren.

Louis van Gaal was de gast van Ajax rond de uitwedstrijd tegen Bayern München in de groepsfase, begin oktober vorig jaar. Toen al klonken de eerste voorzichtige vergelijkingen met 1995, in elk geval de vragen ernaar. Van Gaal zei dat het huidige Ajax voor zijn team van toen niet onderdeed. In talent, bedoelde hij, maar voor zo’n nuance is tegenwoordig weinig ruimte meer. De uitspraak, zo kaal, werd al op het internet rondgepompt.

Lesje

Van Gaal had méér gezegd. Hij zei dat hij in 1995 voor het juiste evenwicht ook de dertigers Danny Blind en Frank Rijkaard had en dat de gebroeders Frank en Ronald de Boer (van 1970) ook zo jong niet meer waren. Hij vond ook, zei hij, dat er nu wel erg veel aanvallende spelers werden opgesteld. Dat is leuk en aardig tegen een mindere tegenstander, maar niet als je tegen topploegen speelt, doceerde Van Gaal.

Dat was toch een lesje voor de huidige trainer Erik ten Hag. Hij is een in de top nog goeddeels onervaren trainer, in wie parallellen met Van Gaal kunnen worden gezien. Ze denken in structuren. Van Gaal wilde aanvallend voetbal spelen, maar een onvoorwaardelijke prediker van de aanval is hij nooit geweest. Hij zag er altijd op toe – vormde er zo nodig spelers voor om – dat verdedigende risico’s werden beperkt, het liefst natuurlijk uitgesloten. Dat let nauw en ging niet meteen goed, bepaald niet: hij werd beschimpt in zijn eerste maanden. Hij werd ook niet meteen kampioen.

Zo ging het in grove lijnen ook bij Ten Hag. In oktober vorig jaar speelde Ajax, met gaten soms op het middenveld en in de verdediging, nog voetbal dat trekjes had van het riskante ‘roulettevoetbal’ uit 2016-2017 onder Peter Bosz: het kon alle kanten op. Daar houdt Van Gaal niet van. Ten Hag, die Van Gaal vóór zijn entree bij Ajax consulteerde, ook niet. In een lezing voor Ajax-sponsors noemdeVan Gaal Ten Hag een betere trainer dan Bosz. Het werd in dat stadium niet breed of helemaal niet gedeeld, maar Van Gaals voorkeur kon niet verbazen.

Teamgedachte

Van Gaal was het ook die tegen de stroom in is blijven zeggen dat een Nederlandse club nog Europees succes kan boeken, zelfs de Cham­pions League kan winnen. Een goed team smeden kan zwaarder wegen dan geld, bedoelde hij. De gaten van eerder in dit seizoen vallen bij Ajax niet meer – in Europa dan, in de kleine Nederlandse competitie wreekte concentratieverlies zich soms. Het sluiten van de rijen kan alleen lukken, als spelers een team vormen. Ajax kon het in de jaren negentig nog zo lang aan de top volhouden, omdat het onder Van Gaal onverminderd een team was, en zo is het nu met een vergelijkbare gedachte onder Ten Hag een team geworden.

Het zou te ver voeren om dit succes in een breder perspectief te plaatsen, als voorbeeld voor Nederland. Daarvoor raakt Ajax, dat van oudsher in eigen land al de meeste mogelijkheden had, door de geschetste financiële groei wel ver van de rest verwijderd. Dat is niet zomaar te volgen. Maar die teamgedachte, die is interessant en prikkelend. Ajax heeft goede voetballers, blikvangers. Maar de wedstrijd tegen Juventus, waarin (in de moeizame eerste helft) niet alles goed en leuk kon gaan, bevestigde nog eens dat de teamgedachte de belangrijkste pijler onder het succes is – zoals die dat bij de grootste ploegen is.

Pedagogisch

Het is goed dat de jeugd dát ziet, in niets minder dan pedagogisch opzicht. In al die jaren dat we dachten dat ze niet meer konden meemaken wat wij meemaakten, keken ze naar Messi en Ronaldo, naar de andere toppers van Europa en de wereld. Ze schitterden op het tv-scherm, straalden in de woonkamer, op de zolderkamer. Dat niet alles goed of leuk kon gaan, daar hoefden onze zoons niet over na te denken. In het Playstation-voetbal kun je die sterren nog samen opstellen ook: Griezmann geeft de voorzet aan Ronaldo, wat kan er fout gaan?

Dat Gullit, Van Basten, Ronald Koeman en Rijkaard, onze sterren van 1988, dat ze Van Aerle, Van Tiggelen, Wouters en Erwin Koeman nodig hadden en hoe: zo doordringend heeft mijn zoon die essentie van voetbal nooit voor zich kunnen zien. Laat de vergelijkingen voor wat ze in hun onmogelijkheid zijn. Het mooiste van het Ajax-succes? Dat ze, onze jongens, gelukkig eindelijk kunnen schreeuwen zoals wij konden schreeuwen – dat ze kunnen zien en leren wat wij konden zien en leren.

Lees ook:

Het succes van Ajax: niet dankzij Cruijff, en toch ook weer wel

De directeuren Van der Sar en Overmars stuurden het beleid van Cruijff bij. Nu kunnen ze jubelen om het succes van Ajax. Zij en trainer Ten Hag werden beter, handiger.

Ajax is een elftal met rotsvast geloof

De wedstrijd tegen Juventus leverde alweer een avond op om niet te vergeten. ‘Onze kracht? Dat we erin geloven?’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden