Agnes Kant

Agnes Kant in een SP-vergaderzaal in het Kamergebouw, met aan de wand de Conservatieve Britse oud-premier Churchill. ¿Nuchterheid geeft mij houvast.¿ (FOTO MARK KOHN)

Agnes Kant (Hessisch Oldendorf, 1967) is politica. Sinds 1998 maakt ze deel uit van de SP-fractie in de Tweede Kamer. In juni 2008 volgde ze Jan Marijnissen op als fractievoorzitter en partijleider.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Ligt het aan mijn opvoeding of komt het gewoon door wie ik ben, hoe ik in elkaar zit, dat ik ongelovig ben? Als ik een andere opvoeding had gehad, was ik dan gelovig geweest? En zou ik het gebleven zijn? Die vragen zijn nauwelijks te beantwoorden, maar bij bepalende gebeurtenissen in je leven komen ze toch ter sprake.

Mijn broer Alex kreeg kanker en zou sterven. Hij was de broer die boven mij zat, een paar jaar ouder was. We stonden dicht bij elkaar en bespraken alles. Dus ook hierover wilde hij het in zijn laatste dagen hebben: ’Denk jij dat er hierna nog iets is?’ Ik vond het moeilijk om daar antwoord op te geven. Wat nou als hij net zoiets begon te voelen, moest ik die troost dan van hem afpakken? Gelukkig was hij me voor en zei: ’Het is gek, maar zelfs op dit moment, nu ik weet dat ik ga, kan ik er – hoe graag ik het ook zou willen – niet in geloven’. Die overtuiging maakte het niet moeilijker voor hem. ’Waarom zou ik me druk maken over iets wat er niet is?’ Hij maakte zich alleen maar zorgen over zijn vrouw. Ze hadden samen een zoontje verloren; hoe moest ze dit verdriet erbij verdragen? Daar zei hij nog wel iets over: ’Als wij nou ongelijk hebben, dan ga ik naar Bob’. Dat vond ik een mooie gedachte.

Misschien ben ik te lang te stellig geweest in mijn ongeloof. Ik heb eens meegewerkt aan een televisie-uitzending waarin ik in contact kwam met een non met wie ik het over bijna alles eens was, behalve dat ene: het bestaan van God. En ik ontdekte, tot mijn schaamte, dat zij meer durfde te twijfelen aan haar geloof dan ik aan mijn ongeloof. Door mijn opvoeding – niet eens bewust, ik kwam gewoon nooit met hen in aanraking – had ik niet erg veel begrip voor gelovigen gehad. De non wist me niet te overtuigen, maar ze heeft me wel bewust gemaakt van die houding: alsof ik, door niet te geloven, het gelijk aan mijn zijde heb. Ik ben niet minder stellig geworden, maar ik heb wel meer oog gekregen voor wat het geloof voor anderen kan betekenen. Troost speelt daar een enorme rol in. Het klinkt misschien een beetje raar, maar voor mij is juist het idee dat er niets is een troost. Die nuchterheid geeft mij houvast. Natuurlijk heb ik me, bij de dood van mijn broer, afgevraagd: waarom hij, waarom nu al? Het is zoals het is. Het maakt het verdriet er niet minder om, maar toch: het is beter om te berusten in dingen die je niet kunt veranderen.

Dus, wat maakt dit alles mij? Een agnost? Een atheïst? Een media-adviseur zou nu roepen: ’Zeg maar agnost. Atheïst klinkt zo onsympathiek’. Maar ik héb geen adviseur en bovendien hou ik er niet van om de dingen heen te draaien. Ik geloof niet in God. Het is niet anders.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Je zou mijn politieke werk een afgod kunnen noemen. Soms moet ik – als ik samen met Marc, mijn man, televisie kijk – ineens iets op de computer opzoeken of dringend iemand bellen en dan vraagt hij: ’de hele wereld gaat naar de gallemiezen als jij rustig met mij die film afkijkt, zeker?’ Hij heeft natuurlijk gelijk en ik kán het ook steeds beter relativeren, maar het gaat niet alleen over mijn werk, het is voor een deel een karaktereigenschap.

Ik zei je net dat ik berust in dingen die ik niet kan veranderen, maar als ik nog met één vezel in mijn lijf denk dat iets anders, beter kan, zal ik niet stoppen voor ik dat voor elkaar heb gekregen. Ik kan niet veel doen tegen de oorlog in Irak, de toestand in Rwanda, het onrecht in de wereld maar ik kan er wel iets van vinden, iets over zeggen. Als ik dat niet doe, schiet ik tekort.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Laatst hoorde ik Prem Radhakishun op tv weer eens zeggen dat moslims geitenneukers zijn. Ik zeg niet dat het niet mag, maar ik vraag me wel af: jongen, waarom doe je dat nou? Ik geloof niet provocatie, ik geloof in confrontatie. Wrijving is nodig, strijd is nodig, maar kwetsen is nergens goed voor. Moslims zouden lange tenen hebben, lichtgeraakt zijn, maar volgens mij is dat idee door de reacties op die Fitna-film van Wilders wel voldoende gelogenstraft. Er kwamen geen massale demonstraties; iedereen bleef rustig. Kijk, de moord op Theo van Gogh is een afschuwelijke gebeurtenis en dat Geert Wilders nog altijd moet worden beveiligd is vreselijk, laat dat voorop staan, maar in het algemeen zou ik de verhouding tussen moslims en andersdenkenden geen groot probleem willen noemen. Er komen op televisie wel eens mensen aan het woord die hun scheur opentrekken over ongelovigen, die in alles een belediging van Allah of de profeet Mohammed zien, maar dat zijn individuen. De gemiddelde, gematigde moslim is niet zo. Bovendien: de extreem gevoelige types staan aan allebei de kanten van de streep.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„De SP is, samen met de SGP, bezig met een initiatiefwet rondom de koopzondagen. We vinden niet dat alle winkels op alle zondagen dicht moeten, maar de druk mag voor de kleine ondernemer niet zo hoog worden dat hij alle dagen open moet blijven om zijn kop boven water te kunnen houden. Je moet uit de sleur kunnen stappen, je zinnen verzetten. Tijd voor bezinning nemen. Ik geef onmiddellijk toe dat ik het zelf te weinig doe; in mijn hoofd gaat altijd alles door. Ik bezoek wel eens een sauna en ik ga iedere zondag hardlopen – dat is ook een manier om tot rust te komen – maar ik moet, zeker in de positie waarin ik nu zit, méér ruimte maken voor het nadenken over de dingen waar ik mee bezig ben. Ik ga er iets aan doen. Nee, echt, ik ga er iets aan doen!”

V Eer uw vader en uw moeder

„Wij zijn thuis niet van de grote woorden. Het is, denk ik, een Groningse nuchterheid die bij ons allemaal in de genen zit. Niet naast je schoenen lopen. Mijn ouders zijn vast trots op mij, maar dat hebben ze nooit zo uitgesproken. Ze hoeven ook niet te zeggen dat ze van me houden; dat wéét ik wel. Het is goed. We hebben het goed met elkaar. Dat hoef je toch niet te uiten? Er is maar één, kortstondige, periode geweest waarin ik – moet ik achteraf toegeven – het hen moeilijk heb gemaakt. Voor de rest hebben ze over mij niks te klagen. Als ik de overlevering mag geloven veranderde ik, vrij plotseling, van een lief meisje dat braaf op haar fietsje naar school toe reed, altijd huiswerk maakte en heel sportief was in een puber die allerlei spannende dingen in het leven ontdekte en helemaal los ging. De deur moest letterlijk in het slot. Mijn moeder kon er razend over worden, wanhopig, een gevoel dat ik later ook zou leren kennen. Tegelijkertijd moeten mijn ouders ergens hebben geweten dat het wel goed zou komen, want ik gooide er nooit helemaal met mijn pet naar; ik zorgde dat ik overging op school en ik was te sportief om mezelf in drank en drugs te verliezen. Na een jaartje waren die hormonen zo goed als uitgeraasd. Er veranderen natuurlijk dingen in de verhouding, maar je blijft altijd het kind van je ouders. Dat oergevoel gaat nooit meer weg. Je zult mij niet horen zeggen dat mijn moeder mijn beste vriendin is geworden. Alsjeblieft niet zeg. Misschien is er meer bezorgdheid van mijn kant. Er is gelukkig geen reden om bezorgd te zijn, maar toch* Ik weet dat ik er, als het nodig is, zal zijn. Vorig jaar moest mijn moeder naar het ziekenhuis. Er ging iets mis met een onderzoek en ze moest nog eens terugkomen. Toen ze voor een tweede keer naar huis zou worden gestuurd, heb ik ingegrepen: dit kan zo niet. Ik zei: we blijven hier zitten tot er een arts is en we dit kunnen oplossen. Dat vond ik wel vreemd trouwens: mijn ouders zijn allebei behoorlijk assertief, maar op zo’n moment moet je de boel toch een beetje overnemen. Ik vond het mooi om te merken hoe vanzelfsprekend het allemaal ging. Ik mag zoiets misschien niet zeggen, maar ik denk dat het met bloedverwantschap te maken heeft. Natuurlijk, er zijn meer mensen met wie ik zo hecht bevriend ben geraakt, maar die band met mijn familie is uniek. Ik weet niet of de dood van mijn broer die onderlinge band heeft versterkt* Ik denk eerder dat het zo is dat door die gebeurtenis werd bevestigd dat het goed zat. Misschien was het een lakmoesproef en de uitslag viel duidelijk in ons voordeel uit.”

VI Gij zult niet doodslaan

„Ik ben redelijk pacifistisch van inslag, maar niet dusdanig dat ik denk dat het nooit nodig is om geweld te gebruiken. Soms zul je moeten vechten om te voorkomen dat mensen op grote schaal worden vermoord. Ik heb wel grote moeite met het gemak waarmee, bijvoorbeeld zoals in Irak is gebeurd, bommen worden gegooid waarbij zoveel onschuldige burgers om het leven komen. Wij (de SP-fractie, AV) waren en zijn nog altijd tegen de aanwezigheid van Nederlandse militairen in Afghanistan. Dat hele verhaal is ons als een ’opbouwmissie’ verkocht, ik denk dat ik inmiddels wel kan zeggen dat dat een grote leugen is geweest. Ik geloof dat die mensen daar moeilijk werk doen en dat ze – in tegenstelling tot Amerikaanse militairen van wie ik dat niet zo zeker weet – zorgvuldige afwegingen maken, integer en betrouwbaar zijn, maar het is mijn taak om oppositie te voeren, kritisch te blijven, aan te dringen op terugtrekking, op gesprekken met de taliban. Onze eigen Farshad (Farshad Bashir, SP-Kamerlid, AV), die zelf uit Afghanistan komt en wiens vader voor de taliban is gevlucht zegt: ’Onderhandelen doe je niet met je vrienden, maar met je vijanden’. En zo is het.”

VII Gij zult niet echtbreken

„O jee, o jee* nu gaan mensen natuurlijk denken dat ik me braver voordoe dan ik ben. Ze verwachten karakterologisch iets anders, omdat ik zo actief, zo gedreven, zo onrustig ben, altijd op zoek naar iets nieuws, maar de werkelijkheid is dat ik verleidingen goed kan weerstaan, hecht aan stabiliteit, zekerheid, al vijfentwintig jaar bij dezelfde vent ben, waarvan ruim achttien jaar getrouwd. Bij hem ken ik volledige rust. Ik zal niet zeggen dat die rust er altijd is geweest. Voor de kinderen er waren was het* nou ja, wel eens anders, dat ga ik je niet allemaal vertellen. Ik ben één keer gevlucht. Uit mijn relatie, uit alles wat in die tijd zo’n beetje werd vastgelegd. Ik was net afgestudeerd en dacht: is dit het nou? Toen heb ik op een dag de boot naar Schotland genomen – grappig, dit heb ik nog nooit aan iemand verteld. Ik had alleen een ticket, geen hut of slaapstoel, en het was verschrikkelijk slecht weer. Ik herinner me nu weer hoe symbolisch ik dat vond. Ik heb een paar weken in Schotland rondgetrokken, niks geks gedaan. Ik moest even beseffen wat ik zou missen als ik een andere route in mijn leven zou gaan. En het gebeurde: ik zag duidelijk welke kant ik op moest. Ik ging terug, we verhuisden naar Doesburg, ik werd zwanger, we zijn getrouwd, de kinderen kwamen en ik heb sindsdien nergens meer over getwijfeld.”

VIII Gij zult niet stelen

„‘Huurverhoging is diefstal!’ Die leuze gaat bijna twintig jaar terug, maar ik kan niet ontkennen dat ik nog wel eens van zulke kreten gebruik als ik iets onrechtvaardig vind. Die graaicultuur in de financiële wereld zou je, hoewel alles volgens afgesproken regels is gegaan, in moreel opzicht ook een vorm van diefstal kunnen noemen. Ik ben geen dief, ook niet van mijn eigen portemonnee. SP’ers geven, zoals je weet, hun Kamersalaris aan de SP-kas en krijgen er een fatsoenlijk modaal inkomen voor terug. Het is geen buitensporig bedrag, maar ik vind het, voor wat ik doe, goed betaald. Het is helemaal niet moeilijk om mij aan mijn idealen vast te houden; ik kom niets tekort. We hebben twee puberdochters en ik heb nog niet één keer het idee gehad dat ik hen iets moest ontzeggen. Dát lijkt me erg – nou ja, niet vergeleken met hoe ze het in Afrika hebben natuurlijk, maar toch – dat je je kind niet mee kunt sturen op een schoolreisje, domweg omdat je het geld er niet voor hebt. Het enige wat ik wel zou willen is een keer de reisgids openslaan, zonder naar de prijs te kijken een willekeurige bestemming prikken en er even, zomaar, een paar weken tussenuit gaan.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Ik ben redelijk open. Soms neem ik daarmee een risico, omdat ik dingen zeg waarover ik later met de journalist moet onderhandelen. Hoe ik het er persoonlijk vanaf breng vind ik niet zo belangrijk, maar ik vind het wel lastig als het over andere mensen gaat. Zo heb ik echt last gehad van mijn medewerking aan die documentaire over de SP (‘De Tweede Kamer’ van René Roelofs, uitgezonden in 2003, AV). Het is waar: ik heb me vergist over het moment waarop ik met Jan Marijnissen in gesprek was en door Roelofs werd gefilmd. Ik zei dat het over iets persoonlijks ging, terwijl we een politieke kwestie bespraken, maar zo’n verkeerde herinnering staat niet in verhouding tot het onterechte beeld dat die film van onze partij schetst. Negen maanden lang heeft die journalist ons kunnen volgen en dit was kennelijk wat hij naar buiten wilde brengen: Jan in de rol van een autoritaire leider en ik als de vrouw die zich door hem op zijn kop laat zitten. Dat ik niet zo ben, weet iedereen – dat ik het, met mijn karakter, op die manier één dag zou volhouden binnen de SP is ondenkbaar – maar dat ik heb meegewerkt aan een documentaire waarin iemand die mij zo na staat zo wordt weggezet, ja, dat raakt me nog altijd. Het is een kras die je niet meer weg krijgt. Ik had er niet veel aan kunnen veranderen maar het voelt toch wel een beetje als mijn schuld* of schuld, nee, spijt, ik heb er spijt van dat het niet anders is gelopen. Het blijft lastig: ik vind het belangrijk om mee te werken aan interviews, maar ik krijg er soms wel een sik van om iedere keer weer met dezelfde verhalen te worden geconfronteerd. ’U bent een bijtertje. Komt dat doordat u de jongste thuis was?’ Nee-hee! Dat heb ik ooit eens zo ongeveer gezegd, maar ik ben van nature iemand die zich druk maakt als het over onrecht gaat. ’Vindt u het niet vervelend dat u zich soms zo laat gaan in een debat?’ Ja, daar zal ik iets aan gaan doen. Volgende interview: ’Heeft u er al iets aan gedaan?’ Op een dag werd zelfs in de fractie gevraagd of ik eindelijk een keer wilde stoppen met die publiekelijke functioneringsgesprekken. Maar eh* nu doe ik het alweer! Stop.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Er is maar één ding waar ik jaloers op kan zijn en dat is op het zangtalent van anderen. Mijn man speelt in meerdere bands. Ik ga vaak mee en als ik dan die zangeressen hoor, denk ik: dat wil ik óók! Met muziek, zeker met soul, kun je zoveel emotie overbrengen. Ik ben er gewoon niet zo goed in: duidelijk maken wat ik voor anderen voel. Als ik mooi kon zingen, zou me dat misschien een stuk beter afgaan.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden