Afzien en inzien bij de Jabbok

De komende vastenmaand ramadan begint omstreeks de jaarwisseling '97-'98. Elk jaar begint de maanmaand ramadan ongeveer elf dagen eerder. Ook de wisseling van het millennium zal dus in de ramadan vallen. Geen moslim die in een Concorde gaat zitten om drie keer de ramadan te beginnen. Wat er ook vooruit en achteruit zal worden gewisseld en herdacht, moslims doen het vastend.

ABDULWAHID VAN BOMMEL

Het gedenken en herdenken is immanent aan de geest van ramadan. De lessen van de geschiedenis van de mensheid, van tijd en ruimte, en wat mensen daarmee doen, schijnt wel het belangrijkste kenmerk van geopenbaarde tekst te zijn. En dat is wat vooral wordt herdacht: de openbaring van de koran.

De eerste openbaring is een worsteling met een engel. De associatie met Jakobs worsteling aan de Jabbok is onvermijdelijk. Er zijn maar weinig overeenkomsten tussen beide godsmannen. Jakob, de verlegen zachtmoedige broer van Esau, die op de wereld verschijnt omdat hij zich vasthield aan de enkel van zijn tweelingbroer. Die zowel het eerstgeboorterecht als de vaderlijke zegen voor diens neus wegkaapt. Met linzensoep en de suggestie van een behaarde hand. A lover not a fighter.

Steeds weer beschrijft de Tora de ontmoeting bij de 'drenkplaats' der dieren. Jakob ziet Rachel en kust haar meteen. Hij werkt zeven jaar voor haar, maar de specialist in linzensoep wordt eerst 'ingehuwelijkt' aan haar oudere zuster.

Mohammed is zelf eerstgeborene en enig kind. Hij wordt ten huwelijk gevraagd door een zelfstandige assertieve weduwe, Chadiedja. Zij is degene die voor hem alle obstakels naar diep inzicht en wijsheid verwijdert. Door hem van zijn wereldse beslommeringen te bevrijden. Zijn herderschap en karavaanleiderschap wordt profeetschap.

Hij begon van de eenzaamheid te houden en zonderde zich af. De sterrenhemel van het onbewolkte multidimensionale spectrum boven Mekka, wordt zijn terrein van meditatie. De horizonnen van de woestijn. Het harde rotslandschap, de absolute stilte; zijn hele omgeving door God gemaakt. Geen mensenhand aan te pas gekomen.

Ook Jakob bleef alleen achter. Hij genoot misschien van de geluiden van de rivier de Jabbok. Maar hij had zich van zijn groot-familie losgemaakt voor een grondig zelfonderzoek. Jakob wordt soms bekritiseerd omdat hij triviale voorwaarden stelde om God als God te kunnen aanvaarden.

Hij vraagt om eten en kleding. Hij wil veiligheid, en ook bij hem kan dat zijn om God volledig te kunnen dienen. Die nacht is hij alleen. Een man worstelt met hem totdat de dag aanbreekt. Hij is geen vechter, hij is een dromer en een minnaar. Hij vecht niet met een man maar met een engel, zijn engel. Het is een gevecht met zichzelf. Eindelijk dwingt de ja-zegger iets af; zegen mij! Pas daar en dan begint zijn overgave en zijn profeetschap. Want hij heeft daar God gezien. Jakob werd Israël. Een man werd een volk.

Mohammed zonderde zich af in een grot van de berg Hira. Hij gaf zich daar over aan nachtwaken en gebeden. Zoals de godzoekers in de woestijn in die dagen. Het woord dat voor zijn devotie wordt gebruikt is van Kanaünitisch-Aramese oorsprong. Hanpa/hanifa, hij zocht God in de eenzaamheid. Tot hij naar Chadiedja terugkeerde en proviand meenam voor nog zo'n periode, waarin hij de waarheid ontving. De engel kwam bij hem en zei: Lees! - “Ik zei: ik behoor niet tot hen die kunnen lezen. Hierop drukte hij mij tegen zich aan totdat alle kracht uit mij week, waarna hij mij losliet en zei: Lees! En ik zei: Ik behoor niet tot hen die kunnen lezen. Daarna omstrengelde hij mij opnieuw en drukte mij voor de tweede maal zo stevig tegen zich aan dat ik dacht de geest te zullen geven. Hij zei: Lees! Toen omhelsde hij mij en drukte mij voor de derde keer tegen zich aan en zei: Lees! In naam van je Heer. Die jou heeft geschapen. Hij schiep de mens uit een klonter - Lees! En je Heer is de edelste. Die de mens door middel van de pen onderwees. En aan de mens leerde wat hij niet wist. (96:1-5).

De berg Hira was Mohammeds Pniël geworden. Hij had God aanschouwd. Hij keerde terug terwijl zijn hart trilde. Hij kwam bij Chadieja en zei: “Wikkel mij in, wikkel mij in.” En zij wikkelde hem in (dekens) totdat de vrees hem verliet. Waarna hij Chadiedja vertelde wat er met hem was gebeurd. En hij zei: ik vrees voor mijzelf! Waarop hij zei: “Nee, nooit zal God jou vernederen. Want jij onderhoudt de familiebanden, je steunt de zwakken en schenkt aan de behoeftigen. Jij onthaalt je gasten overvloedig en helpt degenen die werkelijk in nood zijn.”

Ook bij hem die verscheurende twijfel. Wie ben ik, wat gebeurt er met mij? De ramadan probeert Mohammeds persoonlijke diepte- ervaring universeel te maken. Een zelfconfrontatie en het stellen van de hoogste eisen aan zichzelf en uiterst mild voor zijn omgeving.

Tijdens de vastenmaand kwam een man in verwarring bij de profeet en zei dat hij verloren was omdat hij omgang met zijn vrouw had gehad, waardoor zijn vasten zou zijn verbroken. De profeet vroeg hem of hij een slaaf kon vrijkopen. Maar hij was daartoe niet in staat. Kon hij misschien twee maanden vasten als zoenoffer? Hij? Hij had al moeite met één dag! Kon hij dan misschien zestig armen voeden? Daar was hij ook niet toe in staat. Kort daarna werd er een grote mand dadels binnen gebracht. De profeet vroeg: waar is de man die ik ondervroeg? De man sprong op. Neem dit en deel het uit aan de armen. “Moet ik dit aan mensen geven die armer zijn dan ik”, vroeg de man. “Ik zweer bij God dat er in heel Medina geen familie is die armer is dan de mijne!” Toen lachte de profeet zo dat al zijn tanden zichtbaar werden en zei: “Geef het als voedsel aan je familie.” Een man werd een volk.

Met sommige moslims kun je wel een Jabbok oversteken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden