Afscheid van Elisabeth Eybers

Toen ik in 1986 Zuid-Afrika bezocht, wankelde het land op de rand van een burgeroorlog. Ondanks toenemend verzet van de zwarte bevolking probeerde het regime met alle middelen de blanke heerschappij in stand te houden. Als rechtgeaard socioloog geïntrigeerd door het nationale drama dat zich daar afspeelde, had ik besloten ter plaatse enig onderzoek te doen.

Niet in de planning opgenomen was mijn ontdekking, in een boekhandel in Kaapstad, van de (in Nederland wonende!) dichteres Elisabeth Eybers. Ik had voor de Afrikaanse poëzie nooit belangstelling opgebracht maar de aankoop van haar recent verschenen bundel ’Dryfsand’ wekte onmiddellijk mijn interesse. Sindsdien behoort zij tot mijn lievelingsdichters, al heb ik door dat bezoek ook waardering gekregen voor de poëzie van Ernst van Heerden en Antjie Krog.

Medio maart 1987 las ik in NRC Handelsblad een recensie van Eybers’ oeuvre van de hand van Willen Jan Otten, een niet onwelwillende beschouwing maar uitlopend op een grove kleinering van de Afrikaanse taal, volgens Otten een ’pitbullterriertaal’, nu en dan op de tv te horen uit de mond van mannen die zich vastbijten in hun verloren zaak.

Hoewel ik begreep dat de hysterische anti-apartheidsstemming in het Nederland van die jaren Otten verplichtte over Zuid-Afrika ook iets onaangenaams te zeggen, sloeg zijn typering van het Afrikaans nu juist als een tang op een varken. Iedereen die met het Afrikaans kennis maakt raakt op slag onder de indruk van het zowel melodieuze als pregnante van die taal en van de rijkdom aan originele uitdrukkingen voor dingen en gebeurtenissen die in het Nederlands met vlakke woorden worden afgedaan.

In mijn column in NRC Handelsblad van enkele weken later ging ik hierop in, waarbij ik onder meer de diplomaat A.I. Schneiders citeerde, die bij zijn contact met Afrikaners het gevoel had gekregen dat juist zijn Nederlands in vergelijking met het Afrikaans onaangenaam ’hard en schneidig’ aandeed.

Elisabeth Eybers’ positieve reactie op mijn column was het begin van een kleine reeks contacten tussen ons. Ik werd onder meer uitgenodigd toen zij in mei 1991 de P.C.Hooftprijs voor poëzie ontving en bij een symposium in 1995 ter ere van haar tachtigste verjaardag. Tussentijds stuurde ze mij enkele van haar bundels en een bibliofiele uitgave, ’Vyf verse’, voorzien van een persoonlijke opdracht waarin sprake is van ’hartlike waardering’.

Haar vriendelijke gestes in mijn richting zijn veelzeggend. Ze laten zien hoe diep zij was getroffen door mijn toch maar eenmalige en bijna terloopse verdediging van de attractie van het Afrikaans. En inderdaad: zij voelde en noemde zich uitdrukkelijk een Afrikaans dichteres. In haar dankwoord bij de uitreiking van de P.C.Hooftprijs maakte zij zich dan ook boos over de in Nederland circulerende benaming ’apartheidstaal’, in haar ogen juist een typische ’smeltkroestaal’ en het product van eeuwenlange ontwikkeling.

Tegelijk wees ze de apartheid met kracht af en had ze kritiek op de materialistische mentaliteit van de Afrikaner die haar een onbarmhartige vergelijking in de pen gaf, in het gedicht Welvaart:

’Hul tydgeheiligde beleid,

hoe ondeurgrondelik ook, bewaar

die eenvoud en regskapenheid

van ’n Florentynse handelaar

wat sonder huiwering vóór in

sy kasboek kalligrafies meld:

In die naam van God en van gewin.’

Maar een Nederlandse was ze niet geworden. Na 46 jaar en een mislukt huwelijk kwam ze in 1961 naar ons land waar ze nogmaals precies 46 jaar zou volmaken en om praktische redenen de Nederlandse nationaliteit zou aannemen. De Afrikaanse taal bleef ze echter trouw, waardoor ze in onze republiek der letteren een heel bijzondere positie inneemt: die van een formeel Nederlandse dichteres die in een buitenlandse taal schrijft en tegelijk mag verwachten dat ze door het Nederlandse lezerspubliek wordt begrepen en gewaardeerd.

Voor wie zover nog niet is, ter aanmoediging het volgende slotstuk van het gedicht Slaaptijd over den kleuter die naar bed gaat:

’Sy fluitster nog ’n laatste opdrag aan

die bolpens teddiebeer wat elke nag

kordaat, trouwhartig en alwetend wag

tot sy haar oë oggendlik opslaan

om onbeneweld rondom haar te kijk

of alles min of meer soos gister lyk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden