AFSCHEID VAN EEN LASTIGE SOLDAAT DE SOLDAAT VAN NU IS GEEN ONDERGESCHIKTE TOCH ALTIJD TROTS OP FLIEREFLUITENDE SOLDAAT

De laatste dienstplichtige komt op 1 april 1996 op, zo besloot defensie vorige week. Dat is een jaar eerder dan verwacht, maar nog altijd een jaar later dan volgens de wildste geruchten die hierover de ronde deden. De dienstplichtigenvakbond AVNM denkt dat de dienstplicht eerder zal worden afgeschaft, maar dat dat dan bij verrassing zal gebeuren: 'jongens, ga maar weer naar huis'. Want hoe krijgt defensie anders de laatste lichtingen vol? Het einde van de dienstplicht: Jammer of hoera? De generaal zal de dienstplichtigen 'verschrikkelijk missen', de sergeant-majoor ziet ze liever vandaag dan morgen vertrekken: “Deze week haalden er van de zeventien die we hier nu opleiden, maar twee de Coopertest. Dat is nou de jeugd van tegenwoordig.”

TEUN LAGAS; GERBERT VAN LOENEN

Acht HBO'ers in een groene tent: sinds vijf dagen zijn deze jongens in opleiding voor een kaderfunctie bij de cavalerie. “Veel mensen zeggen: ga toch nog een jaar naar de universiteit, dan blijf je eruit”, klinkt het in de tent. Vaak moeten ze nog het cliché horen: de dienstplicht maakt een 'man' van je. Tegelijk is uit enquêtes onder personeelwerkers gebleken dat bij een latere sollicitatie de diensttijd geen pré is. “Tien jaar terug was dat misschien zo. Maar nu heb je waarschijnlijk een sollicitatiegesprek met iemand die geen idee heeft wat je diensttijd inhoudt.”

De groep van HBO'ers heeft bovenal haast. Haast om een baan te vinden, want de concurrentie van mensen met een universitaire opleiding is groot. “Voor veel banen vragen ze een academicus of een jonge HBO'er.” En bij sollicitatiegesprekken zullen straks de verplichte maanden op de kazerne niet meetellen als relevante werkervaring. Ook na tien jaar hebben ex-dienstplichtigen gemiddeld nog een loonachterstand van zeven procent, heeft de dienstplichtigenbond AVNM eens berekend. Het verloren jaar blijft levenslang een verloren periodiek.

Daarnaast komt dan nog het inkomensverlies tijdens de dienstplicht zelf, want de wedde is minder dan het minimumloon. Neem een gewone soldaat van 21 jaar. Die krijgt een wedde van 1 133 netto per maand. Het netto minimumloon voor zijn leeftijdsgenoot bedraagt globaal bijna honderd gulden meer.

De laatste dienstplichtigen van Nederland zijn gemiddeld genomen hoog opgeleid. Zestig procent heeft een middelbare beroepsopleiding of hoger. Defensie roept namelijk vooral jongeren op die uitstel hebben gehad. Wie op zijn achttiende niet op hoefde te komen omdat hij een opleiding volgde, moet na afloop van de studie alsnog in dienst. Dat is eerlijk ten opzichte van de leeftijdsgenoten die op hun achttiende wel direct in dienst gingen, zo redeneert defensie. “Maar in werkelijkheid willen ze gewoon mensen die een goede opleiding hebben gehad”, denkt AVNM-bestuurder Dirk Jan Brakel. Neem twee jongens die allebei niet in dienst willen. De één is achttien, de ander is na jaren studie-uitstel inmiddels drieëntwintig jaar oud. Van hen maakt de jongste de meeste kans de dans te ontspringen.

De 'weigeryuppen', die met behulp van handige juristen uit de dienst proberen te blijven door een halfzacht beroep op de wet gewetensbezwaren, worden door defensie tot het eind toe keihard aangepakt. Elke maand worden er weer 125 van hen opgeroepen in Bussum, waar ze dan nog een keer voor de keus worden gesteld: of je laat je zaak direct in een soort snelrechtprocedure afhandelen en je doet je alternatieve dienstplicht, of je gaat alsnog gewoon in dienst. Gemiddeld komt vijftig procent niet opdagen in Bussum; zij worden door de marechaussee thuis opgehaald en direct naar de militaire rechter in Arnhem gebracht.

Die strenge aanpak is misschien een schrale troost voor de jongens die nu nog op moeten komen. Feit blijft dat de meeste jongeren helemaal niet meer naar de kazerne hoeven. Defensie heeft lang niet alle beschikbare jongens nodig om de krijgsmacht te vullen. De meerderheid wordt dan ook afgekeurd of buitengewoon dienstplichtig verklaard. De dienstplichtlast komt daarmee op de schouders van steeds minder jongens, nu dit jaar slechts ongeveer 20 procent van de in aanmerking komende mannen onder de wapenen moet.

Toch is het op zich niet zo nieuw dat maar een beperkt deel van de mannen wordt opgeroepen, om van de vrouwen maar te zwijgen. “Sinds 1814 hebben we nooit meer dan vijftig of zestig procent van de jongens opgeroepen voor militaire dienst. Maar nu is die onevenredige belasting opeens een argument voor afschaffing”, zegt luitenant Polman Tuin op de langzaam stiller wordende Bernhardkazerne in Amersfoort.

Komen de recruten daarmee zwaar vloekend de poort binnen? Dat blijkt mee te vallen. “De klacht van dienstplichtigen dat uitgerekend zij in dienst moeten, hoor je vooral in het begin”, merkt wachtmeester Loonen van het opleidingscentrum cavalerie. “Uiteindelijk proberen ze er het beste van te maken en weten ze hun militaire opleiding te waarderen.”

“Wij horen na afloop van een bivak vaak van een vent met Nijenrode of een andere bedrijfskundige opleiding dat wij een enorm rendement weten te halen in korte tijd”, zegt luitenant Boom, een jonge beroepsofficier die dienstplichtigen opleidt. Het is niet de enige keer dat een jonge landmachtofficier een hoge pet lijkt op te hebben van Nijenrodianen.

“Ik zal de dienstplichtigen verschrikkelijk missen”, zegt generaal Huysman, een van Nederlands snelst opklimmende militairen. “Ik heb gigantisch goede ervaringen met ze. Hun spontane kritiek hield het beroepskader voortdurend op z'n qui vive.” In voormalig Joegoslavië en eerder ook in Libanon heeft de Nederlandse soldaat zich bewezen. “Onze dienstplichtige was van wereldklasse, ondanks zijn oorringetje.”

Huysman was vorige week in het centrum van Roermond bij de opening van de zesde van elf nieuwe banenwinkels. Met deze avontuurlijk ingerichte informatiecentra hoopt de landmacht de vervangers van de dienstplichtigen te werven, de Beroeps Bepaalde Tijd (BBT'ers). Maar kolonel Timmermans zal de dienstplichtigen niet missen. Hij is de man achter de grootschalige wervingsoperatie - de landmacht heeft volgend jaar van alle werkgevers het grootste aantal vacatures. “Niet dat de dienstplichtigen niet goed waren, maar ze horen bij de oude, grote landmacht.” Nu er een kleine, snel inzetbare en flexibele landmacht komt, heeft de dienstplichtige geen waarde meer voor de landmacht.

Bij het rijopleidingscentrum van de pantserinfanterie in Veldhoven zijn de beroeps al net zo verdeeld over hoe jammer het nu eigenlijk is dat de dienstplichtige uiterlijk per 1 januari 1997 verdwijnt. Adjudant Deenen, die tot voor kort dienstplichtigen opleidde tot onderofficier of officier bij de infanterie, betreurt het. “Een dienstplichtige kon je zelf verantwoordelijk maken voor zijn eigen opleiding. Op de tweede dag van de opleiding in Ermelo gingen we al op bivak, en dan liet je ze zelf de tent bouwen. De instructie legde je gewoon ergens neer, en dan keek je of iemand hem vond en of ze erachter kwamen hoe handig het is als iemand de leiding neemt.”

Maar zijn collega, sergeant-majoor Kusters, met de traditioneel bij die rang passende enorme snor, is minder te spreken over de dienstplichtigen. “Deze week haalden er van de zeventien die we hier nu opleiden, maar twee de Coopertest. Dat is nou de jeugd van tegenwoordig.”

De grote vraag is in hoeverre de sfeer in het leger verandert nu de dienstplichtige geleidelijk wordt vervangen door de nieuwe beroepssoldaat. Luitenant Polman Tuin denkt dat de groetplicht zal terugkeren, nu het leger geheel beroeps wordt en steeds vaker in het buitenland wordt ingezet. Ook de soldatenvakbonden doen die voorspelling. Dat de Nederlandse militair als enige ter wereld niet verplicht is zijn meerdere te groeten, is een voorrecht dat het buitenland niet begrijpt. En het voert wat ver om een erfenis uit de jaren zestig te gaan verdedigen in de multinationale krijgsmacht in het Joegoslavië van 1994.

De haardracht blijft vrij, daar niet van. Maar bij de luchtmobiele brigade, de nieuwe trots van de Koninklijke Landmacht die geheel uit beroeps bestaat, komt lang haar niet meer voor. Het mag wel, maar de groepsnorm verbiedt het.

Het beroepskader staat intussen nog wat ambivalent tegenover de nieuwe beroepssoldaten. “Het opleidingsniveau en bevattingsvermogen van een BBT'er is beduidend lager dan dat van een dienstplichtige”, zegt luitenant Boom. De gevleugelde uitspraak onder officieren is dat je 'met LTS zwakstroom en drie danslessen' al wordt aangenomen. Inderdaad moet ook de drop out die zonder diploma van school gaat, bij de landmacht terecht kunnen. De landmacht heeft straks duizenden banen voor mensen zonder diploma.

De beroepssoldaat moet zich in elk geval minder gaan vervelen dan de dienstplichtige. Was de dienstplicht decennialang gericht op het verdedigen van het stukje Duitsland rond Uelzen tegen het Warschaupact, de moderne landmacht moet overal ter wereld ingezet kunnen worden. Niet alleen in Joegoslavië zitten Nederlandse militairen, de laatste jaren zijn ze ook ingezet voor humanitaire missies in Angola, Rusland en Cambodja. Het grote wachten op de Rus is vervangen door daadwerkelijke inzet in de brandhaarden van de wereld. “Vandaag geen oorlog, vandaag weer niks te doen”, is een kreet die in de nieuwe krijgsmacht niet zo gemakkelijk meer kan worden geslaakt.

“Het woord 'leegloop' komt in het woordenboek van de BBT'er niet voor”, zegt kolonel Timmermans. Hij moet volgend jaar 5 000 mannen en vrouwen beneden de dertig jaar zien te werven voor een BBT-contract, en zit allerminst te wachten op een slecht imago voor die nieuwe baan.

In de minimaal twee jaar tijd dat een BBT'er in dienst zit, wordt hij of zij opgeleid, waarschijnlijk een half jaar uitgezonden naar het buitenland, en moet er liefst ook nog tijd zijn om vakdiploma's te halen, waarmee de BBT'er na afloop van het contract terecht kan in de burgermaatschappij. Bovendien moet de beroepssoldaat minimaal zes uur per week sporten, want de landmacht maakt tegenwoordig weer een punt van de lichamelijke conditie van zijn personeel.

Sergeant-majoor Kusters denkt dan ook dat de BBT'ers voor verveling geen tijd zullen krijgen. Die klachten van dienstplichtigen zijn trouwens ook wel eens overdreven, vindt hij. “De laatste zes jaar zat ik bij een bataljon in Duitsland, waar niemand ooit riep 'ik verveel me'. De dienstplichtigen waren blij als ze even niets te doen hadden. In de tijd daarvoor in Steenwijk had ik wel vaak niets te doen voor de dienstplichtigen. Maar dan moet je als commandant gewoon de verantwoordelijkheid nemen om ze naar het zwembad te sturen. Dat betaalde ik dan met geld uit de winst van de kantine.”

De commandanten in de Bernhardkazerne hanteren een simpele stelregel: “Een taxichauffeur rijdt ook niet als er geen klanten zijn.” Op sommige kazernes verdrijven ze de verveling wel heel origineel: daar krijgen dienstplichtigen 'efficiency-verlof': als ze niks meer te doen hebben, mogen ze naar huis.

De geleidelijke overgang naar beroepsmanschappen is pijnlijk voor de laatste dienstplichtigen. Zij zien beroeps naast zich die hetzelfde werk doen, maar daar veel meer mee verdienen. Dirk Jan Brakel, die zijn diensttijd inmiddels aanmerkelijk leuker weet door te brengen als bestuurder van de soldatenvakbond AVNM, zat aanvankelijk in 't Harde bij een peloton dat bestond uit mannelijke dienstplichtigen en vrouwelijke BBT'ers. De mannen verdienden veertig procent minder dan de vrouwen. Om dit te voorkomen, streeft defensie ernaar de laatste dienstplichtigen zoveel mogelijk apart van de BBT'ers in te delen. Dat is trouwens ook nodig omdat bij de BBT'ers veel meer aan groepsvorming wordt gedaan.

Nu het leger zoveel vrijwilligers zoekt, maakt defensie het soldatenleven opeens veel aantrekkelijker. De grote zalen waar dienstplichtigen opgestapeld lagen, en waarvoor ze ook nog eens een flink bedrag aan 'huisvestingskosten' moesten betalen, worden vervangen door eenheden voor drie tot vier mensen, met een eigen keuken en woonkamer. De poort van de kazerne waarop de beroepssoldaten wonen, gaat bovendien wijd open. Alleen rondom de wapenopslagplaatsen en andere gevoelige plekken blijft het hek dicht.

Bestaat de Nederlandse kazerne nu nog voor een flink deel uit voor alle rangen gescheiden eetzalen, straks kent de landmacht alleen nog all ranks messes. Er wordt samen gegeten, iedereen die bediening wenst kan dat, ongeacht rang, tegen bijbetaling krijgen. Alleen blijven er nog aparte zithoeken voor de officieren, de onderofficieren en de manschappen. De gevoelige scheiding tussen officieren en onderofficieren wordt doorbroken. “Het zal tijd worden”, zegt sergeant-majoor Kusters. Bij de vredesoperatie in Joegoslavië is het rangonderscheid aan tafel al afgeschaft. Daar bestaan wel twee messes, maar die zijn niet opgedeeld naar rang. Er is een nuttiger onderscheid ingevoerd: één mess met muziek en één waar het stil is.

Het leger aan hofmeesters, zoals de dienstplichtigen heten die als ober in al die verschillende eetzalen en bars werken, kan al met al flink worden ingekrompen. Daarmee verdwijnt dan meteen een van de meest zichtbare vormen van verspilling bij de landmacht. De laatste dienstplichtigen worden voornamelijk nog voor zulke ondersteunende taken ingezet: hofmeester, soldaat-schrijver, chauffeur of in de technische dienst. De opleidingen lijken op die weinig krijgshaftige functies te zijn toegesneden. “Je slaapt een nachtje in een pubtent, je marst eens een of twee keer, schiet nog een keer en dat is het”, zegt AVNM-bestuurder Dirk Jan Brakel. De dienstplicht is met negen maanden zo kort geworden, dat er van een uitgebreide opleiding bij veel dienstplichtigen weinig terecht komt. “Ze zijn al blij als de jongens met hun linkervoet wegstappen.”

Grote uitzondering is de opleiding van dienstplichtigen die worden uitgezonden naar ex-Joegoslavië. “Wij gaan vaker schieten in de opleiding, gooien met echte granaten, oefenen met abseilen en met het dragen van gewonden op brancards”, zegt Jan Weijman, die binnenkort als ambulance-chauffeur naar Joegoslavië gaat.

Vijf jaar na hun diensttijd komt een groep reservisten aan op kazernecomplex Ede-Oost. Hun weekje herhalen begint bij de poort al met een verrassing: de wacht heeft een onbekend, blauw uniform. Sinds wanneer bewaakt de luchtmacht onze kazernes? Maar het blijkt geen luchtmachtuniform; de wacht wordt gelopen door burgerpersoneel in zo'n fantasie-uniform waar beveiligingsmensen graag in lopen. Dienstplichtigen hoeven nog maar op sommige plaatsen en tijden - vooral in het weekend, klagen ze zelf - wacht te lopen.

Op de appelplaats, waar vroeger elke ochtend honderden dienstplichtigen aantraden, staat nu om acht uur een laatste restje soldaten, nog geen peloton vol: de inkrimping heeft toegeslagen bij de landmacht.

Teruggebracht tot een onopvallend gebouw staat daar de militaire inlichtingendienst. Vóór de bezuinigingen had die nog een geheel eigen kazerne in Apeldoorn, met alle bijbehorende hofmeesters. Een ander gebouw huisvest de school van de inlichtingendienst, ooit ondergebracht in twee inmiddels ook al opgeheven kazernes in Harderwijk. Deze school verzorgde dit najaar voor het laatst een van de meest wonderlijke opleidingen voor dienstplichtigen: een stoomcursus Russisch voor vertalers, afluisteraars en krijgsgevangenondervragers. Een klein groepje beroeps neemt hun plaats in en beperkt zich bovendien niet meer alleen tot het Russisch.

Hoeveel kazernes er ook zijn samengevoegd op kazernecomplex Ede-Oost, de stilte op het terrein wekt de indruk dat er na alle inkrimpingen van het hele Nederlandse leger niet meer over is dan een peloton.

“Ik verwacht dat de discipline weer zal worden aangetrokken. Dat er weer meer drill zal komen. Maar in Nederland zullen we daarin nooit meer zo ver gaan als bijvoorbeeld de Britten.” Generaal Huysman kan als baas van een vier-landendivisie dagelijks vergelijken en staat soms vreemd te kijken hoe Britse commandanten hun manschappen straffen. Want het is tegenwoordig ondenkbaar in het Nederlandse leger: een beroepssoldaat die met de schoenveters samengebonden over de appelplaats moet springen. Als extra vernedering krijgt het Britse slachtoffer opdracht ook nog een rondje langs de druk bezochte kazernewinkel te huppelen. “Nee, zo zullen we ook in de nieuwe landmacht niet met elkaar omgaan”, bezweert de generaal.

Veel commandanten zeggen zelf ook niet meer terug te verlangen naar de tijd waarin ze als een soort halfgod over hun 'onderhebbenden' konden beschikken. “De ondergeschiktheid is de ziel van de militaire dienst”, luidt de stokoude regel die iedere militair kent, maar die hooguit in echte crisissituaties nog uit de kast wordt gehaald. Ondergeschiktheid? De commandanten hanteren thans het moderne jargon dat hoort bij de moderne krijgsmacht.

Luitenant Boom omschrijft zijn 'werkverhouding' met de cavaleristen die hij opleidt op de Bernhardkazerne in Amersfoort: “Ik handel zoals in het bedrijfsleven. Ik werk met medewerkers, niet met ondergeschikten.” Generaal Huysman: “Vroeger hadden we het zelfs over onderhebbenden, een vreselijke term. Ik denk dat Nederlandse commandanten wat dit betreft een grotere slag naar voren hebben gemaakt dan in andere landen. Wij letten er veel meer op wat voor man er in dat pak zit. Leiderschap is natuurlijk nodig, maar ik zoek het meer in stimulatie. Als je manschappen zover krijgt dat ze hun commandanten bewust willen volgen, dan is het goed.”

De opleiders op de Bernhardkazerne vinden zichzelf ook niet meer geknipt om op een ouderwetse, keiharde manier hun manschappen onder de te duim te houden. “Ik wil dat zelf niet meer. Zou ik die oude discipline nog uit kunnen dragen? Ik ben toch niet opgeleid als een drillende sergeant-majoor? Ik ben opgeleid als een manager”, meent luitenant Polman Tuin, terwijl we met hem over het kazerneterrein wandelen. “Ik weet dat een dienstplichtige alles voor me wil doen. Als ik hem maar voldoende de ruimte geef voor eigen initiatief.” Vluchtig in het voorbijgaan priemt zijn vinger in de richting van een dienstplichtige bij de deur van de mess, wiens uniform er wel erg losjes bijhangt. “Hé joh, maak je tenue even in orde.”

Recruten die vers binnen zijn, zijn er vaak nog stellig van overtuigd de brullende sergeant tegenover zich te krijgen. Dat beeld is volgens de commandanten zwaar verouderd. Aan de andere kant wordt er tijdens de eerste opleiding wel degelijk het nodige afgeknepen. Boom vertelt in de bossen naast de kazerne hoe een groepje net opgekomen dienstplichtigen juist deze middag tot het uiterste wordt gedreven. “We leren hen dat ze onder een slechte leiding dingen gaan doen die ze eigenlijk niet moeten doen.” De strakke orders die onder grote tijdsdruk in het bos moeten worden uitgevoerd, zorgen zo te zien inderdaad voor spanning in de groep. Toch hangt er in het legergroene kampement meer de sfeer van een stevig survival-weekend dan van een opgefokte krijgshaftige training. Nog een paar dagen bivak en de commandanten verwachten de eerste resultaten te zien: de nieuwelingen moeten in staat zijn als een team te opereren, de zwakkeren in de groep mogen niet buiten de boot vallen.

Loebas Oosterbeek pakt in zijn Amsterdamse stamcafé nog een cappuccino als hij terugkijkt naar de sfeer bij de landmacht in de jaren zestig. Het is de zomer van 1966 als Oosterbeek als dienstplichtig soldaat gelegerd is in de Elias Beeckmankazerne en mee voorop loopt bij de oprichting van de Vereniging Voor Dienstplichtig Militairen, de VVDM. Daar in Ede-Oost is roerig Amsterdam ver weg. Thuis, op straat in de hoofdstad, ziet Oosterbeek de Provo's het gevecht met het bevoegd gezag aanbinden, op de Veluwse kazerne heerst intussen nog altijd de sfeer zoals al tientallen jaren in de landmacht.

Een soldaat in het midden van de jaren zestig heeft te maken met grofweg dezelfde krijgstuchtelijke regels die zijn vader en grootvader al als dienstplichtige moesten slikken. En dat voor een rijksdaalder zakgeld per dag.

De slaapzalen zijn massaal, de strozakken hard en het vervoer naar de kazernes gaat nog met de verplichte militaire treinen, samengesteld uit de oudste en tochtigste wagons die de spoorwegen in huis hebben. De commandanten zijn nog de ijzeren heersers uit de oude soldatenliederen. Betrappen ze je tijdens het laatste appel van de week op een losse knoop, dan heb je pech. Het aanzetten kost zoveel tijd dat de militaire trein naar huis die dag niet meer wordt gehaald. Dienstplichtigen die het bezoek aan de kapper te lang uitstellen wacht eenzelfde lot: kort knippen en een nachtje langer blijven. Het zijn de jaren waarin veel leidinggevenden nog altijd bezield zijn van een harde drill.

Veel regels die de zestiger-jaren soldaat moet opvolgen zijn van een onthutsende zinloosheid. Niet alleen de dienstplichtigen bij de ontluikende VVDM klagen, ook een deel van het kader ziet het in. Zo rekent een kolonel-luitenant der cavalerie tijdens een lezing voor dat een huzaar zo'n twee uur per dag kwijt is aan het gemiddeld achttien keer 'afmarcheren' over afstanden van 150 tot 500 meter. “Wat een zinloze bezigheid”, oordeelt deze kritische officier, Luining.

De groetplicht bestaat nog in volle glorie, minstens zoveel ergernis bestaat er onder dienstplichtigen over het zinloze koperpoetsen waarmee ze hun lege uren op de kazernes dienen te vullen. Afschaffing van het verplicht groeten en de poetsplicht zullen dan ook eind '66 tot de eerste successen behoren van de eerste vrije soldatenvakbond ter wereld, de VVDM.

Het broeide al langer, maar de directe aanleiding tot oprichting van de soldatenbond is een staaltje ouderwets leiderschap op de Elias Beeckmankazerne. Als een dienstplichtige daar 'wat lullig' in de houding staat en vervolgens zijn sputterende meerdere toevertrouwt 'het hier maar een lachwekkende vertoning te vinden', krijgt hij vijf dagen verzwaard arrest. De boot is aan. Op de slaapzalen morren 's avonds zijn collega-soldaten dat zo'n straf niet meer van deze tijd is. In de militaire treinen begint een gerucht rond te sissen: “We moeten onze eigen vakbond oprichten.”

Loebas Oosterbeek: “De echte doorbraak kwam tenslotte tijdens een voorlichtingsles. Daar stond een luitenant Kamphorst die ons uitdaagde. Wat dachten wij dan wel te bereiken met zo'n soldatenvakbond? Uiteindelijk werd daar in dat lokaal een serie actiepunten op een rij gezet. Daarmee zijn we de boer opgegaan.” Dat was precies de bedoeling van de luitenant.

Inmiddels is duidelijk dat in 1966 niet alleen dienstplichtigen behoefte hebben aan verfrissing van de krijgstucht. Het is een tijd waarin ook sommige commandanten en de legerleiding in Den Haag beseffen dat de rebelse sfeer gemakkelijk kan overslaan van de Randstad naar de groene legerplaatsen in het land. De nieuwe VVDM mag een doorbraak voor soldaten zijn, de oprichting van de bond wordt ook voor leidinggevenden dankbaar aangegrepen om de nieuwe kritische soldaat min of meer in het gareel te houden. Nu bijna dertig jaar later geeft Oosterbeek toe: “We zijn in feite ingekapseld toen onze eerste eisen zo gemakkelijk werden ingewilligd. Ik heb dat nooit als een probleem ervaren. Het leger is voor mij nooit een vijand geweest. Door die soepele houding van de hoogste leiding kregen wij wel de gelegenheid de VVDM snel uit te bouwen. En daar ging het ons toch om.”

Het is het begin van een periode waarin de Nederlandse soldaat zich verzekerd weet van grote internationale aandacht. De koude oorlog is op z'n hoogtepunt, de Verenigde Staten sturen hun dienstplichtigen naar Vietnam, terwijl hun wapenbroeders in Nederland vechten voor hun rechten. De werktijden worden soepeler, de slaapzalen minder spartaans. Het zakgeld wordt vervangen door wedde, waarmee erkend wordt dat de dienstplichtigen, als gelegitimeerde dwangarbeiders, wel degelijk voor hun werk betaald horen te worden. Toch speelt die strijd voor betere arbeidsvoorwaarden zich nog voornamelijk achter de kazernepoorten af. Pas na 16 juni 1971 ziet de buitenwacht, letterlijk de hele westerse wereld, met eigen ogen dat de Hollandse soldaat is 'losgeslagen'. Dan marcheert er plotseling een hippieleger rond.

De Haagse dienstplichtig soldaat Rinus Wehrmann komt in maart 1971 op. Hij is niet te beroerd zich bij de commando's te onderwerpen aan een harde opleiding. Eén ding weigert hij echter: een schaar door zijn haar te laten halen. Het negeren van dit dienstbevel levert hem voor de krijgsraad een straf op van twee jaar cel. Waarmee Wehrmann uitgroeit tot een martelaar voor elke soldaat die z'n haar lang wenst te dragen. Hoewel de commando aanvankelijk geen vakbondslid is, werpt de VVDM zich in de strijd: De haardracht zal en moet vrij.

Uiteindelijk gaat minister Den Toom op die zestiende juni overstag. Nog even zint de bewindsman op defensie op een compromis. “Laat ze dan de haardracht van de Beatles nemen, zo'n soort opgeknipt kapsel”, houdt hij de legerleiding voor. Uiteindelijk laat hij ook die poging varen. Het mag gewoon zo lang als de Rolling Stones.

Mèt de haarlengte komt nog dezelfde dag Wehrmann vrij en Rinus verlaat als een hippieheld de gevangenis. Het zijn de dagen dat de musical Hair volle zalen trekt. Wanneer Wehrmann in het Haagse Congresgebouw als toeschouwer bij de voorstelling zit, stopt de Amerikaanse Hair-crew midden in de voorstelling: of het publiek maar even wil opstaan om een donderend applaus te geven aan deze militaire held in de zaal.

De Navo begint zich zorgen te maken. Buitenlandse generaals klagen bij hun Nederlandse collega's over de fierenfluitende Hollandse soldaat die met een netje in zijn haar op internationale oefening het gezag zou ondermijnen. Al snel blijkt er echter bij veel Nederlandse commandanten een merkwaardig soort trots gegroeid. Het ziet er dan wel niet uit, ons hippieleger, maar onze jongens doen hun werk bijzonder goed, verweren zij zich tegen internationale kritiek. Vanaf midden jaren zeventig moet de Navo mokkend toegeven. In allerlei officiële rapporten blijkt zwart op wit dat de Koninklijke Landmacht het tijdens oefeningen helemaal niet slechter doet dan zwaar gedisciplineerde, kort geknipte oefeneenheden bij Westerse bondgenoten.

Het positieve oordeel van veel commandanten over hun dienstplichtigen is ongewijzigd. Mooi meegenomen is dat het haar nu in de praktijk weer boven de oren is. Met het naderen van het einde van de dienstplicht lijkt het enthousiasme van het kader alleen maar toe te nemen. Een officier: “Wat zo bijzonder is aan die eigenwijze, kritische Nederlandse dienstplichtige is z'n vermogen om zelf beslissingen te nemen. Je ziet het gebeuren tijdens oefeningen. Komt een Amerikaanse tank met pech stil te staan, dan gaan die Amerikanen er bovenop liggen, bakken een eitje en wachten op een vervangende tank. Een Nederlandse dienstplichtige wacht niet af. Die begint zelf aan dat ding te sleutelen. Onze soldaten denken in oplossingen. Dat is nou net het verschil en daarom zal ik die lastige dienstplichtigen missen.”

De dienstplicht mag dan worden afgeschaft, ook volgend jaar nog blijft het mogelijk: een herhalingsoproep op de deurmat. Na afschaffing van de dienstplicht zullen er nog vele jaren overheen gaan voordat de landmacht ook geen reservisten meer nodig heeft. Pas ver in de volgende eeuw zal de laatste ex-dienstplichtige zijn vervangen door een ex-beroeps. Dat wordt namelijk de toekomst: de beroeps die de dienst verlaat, kan nog enkele jaren lang voor herhaling worden opgeroepen, net als nu de dienstplichtige die afzwaait. Vooral ex-dienstplichtigen die onderofficier of officier zijn, zullen nodig blijven. Van de 20 000 reserve-kaderleden wil de landmacht er na de inkrimping 9 000 overhouden, die aan zwaardere eisen moeten voldoen dan tot nog toe. Ex-dienstplichtigen met de rang van soldaat lopen volgens het ministerie van defensie “een minieme kans” een herhalingsoproep te krijgen. Zij kunnen immers vrij snel worden vervangen door de eerste lichtingen beroepssoldaten die afzwaaien.

Wat ook blijft bestaan: de mogelijkheid van mobilisatie. Alleen gaat het nu 'activeringssysteem' heten. Het principe blijft gelijk: het leger behoudt de mogelijkheid om snel uit te dijen in crisistijd. Want naast alle vredesoperaties ver van huis houdt de landmacht ook de taak om in een groot conflict het Navo-grondgebied te verdedigen, en dat kan niet zonder extra mensen op te roepen.

Mocht Europa opnieuw te maken krijgen met een grootschalige dreiging, vergelijkbaar met die voor de val van de Berlijnse Muur, dan staat de Haagse politiek nog een mogelijkheid open: de dienstplicht kan alsnog uit de ijskast worden gehaald. In 1997 bestaan er geen dienstplichtigen meer in Nederland, maar van meet af aan is afgesproken dat de opkomstplicht slechts wordt opgeschort. Dat betekent dat jongens in hun zeventiende jaar nog altijd worden ingeschreven in de archieven van defensie. Ze worden alleen niet meer gekeurd en hoeven niet meer op te komen. Maar in theorie wordt bij een nieuwe grootschalige dreiging de opkomstplicht gewoon weer ingesteld.

In de top van de landmacht is steeds gewaarschuwd dat zo'n herinvoering niet eenvoudig zal zijn: de opleiders voor dienstplichtigen zijn er dan niet meer, de kazernes zijn er niet meer op berekend, de benodigde spullen zullen tegen die tijd ontbreken. “Reactivering van de opkomstplicht is pas mogelijk na een aanzienlijke voorbereidingstijd”, zegt minister Voorhoeve van defensie. Hoeveel reactietijd er precies mee gemoeid is, geeft hij niet aan.

Op de kazerne in Amersfoort denken de beroepsmilitairen dat ze wel in staat zijn snel de taak van opleiders weer op te pakken. Ook bij hen leeft echter wel de vrees dat de landmacht momenteel zoveel materiaal afstaat, dat de opnieuw opgeroepen dienstplichtigen feitelijk met lege handen staan.

Generaal Huysman ziet de mogelijkheden om de dienstplicht bij een grote crisis te reactiveren somber in. “Er moet wel iets heel ergs gebeuren wil je de dienstplichtigen weer uit de kast halen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden