AFRIKA PARIJS KOESTERT ZIJN ACHTERTUIN

De Franse president Chirac heeft woensdag op de Afrikaanse top het een en ander uit te leggen. De vroegere Franse koloniën willen wel eens weten waar ze aan toe zijn: in Parijs wil de jongere garde Afrika beschouwen als de rest van de wereld, terwijl de ouderen niet willen dat er geschoffeld wordt in de Afrikaanse achtertuin. Want Frankrijk wil toch een wereldmacht blijven?

De boulangerie in de brousse en de kiosk waar de Franse krant Le Monde prominent te koop ligt, zijn lang niet de enige aanwijzingen voor de nog altijd hechte banden tussen Parijs en zijn zestien voormalige koloniën in Afrika. Neem om te beginnen de permanente stationering van zo'n 8 000 Franse militairen op het continent, die bijna overal wel een keer hebben geïntervenieerd sinds de jaren zestig. Of de Franse bescherming van de munteenheid in veertien landen. En wat te denken van het perfecte Frans dat veel Afrikanen nog altijd spreken: zuiverder dan veel Parijzenaars.

Straten in Afrikaanse steden, hoe stoffig en armoedig ook, dragen vaak nog imponerende Franse namen. Zoals de Avenue Charles-de-Gaulle en Boulevard de la Révolution in Ouagadougou, de hoofdstad van Burkina Faso. Deze straten zijn zojuist opgeknapt voor de Frans-Afrikaanse top die woensdag begint. Met spanning wordt uitgekeken naar de komst van 'De Grote Jacques', zoals de Afrikanen president Chirac noemen.

De top is meestal vooral een folkoristische bijeenkomst waar oude vrienden elkaar ontmoeten, maar dit keer worden in de wandelgangen de nodige irritaties verwacht. Veel Afrikanen zijn namelijk bezorgd dat Parijs hen in de nabije toekomst in de steek zal laten. Hoe moet het bijvoorbeeld met de koppeling van hun CFA-franc aan de Franse munt, als de Euro zijn intrede doet? En wat gaat er gebeuren als Parijs in de nabije toekomst steeds meer hulp via Brussel laat lopen - een schrikbeeld voor Afrikaanse staatshoofden die vrezen hun voorkeursbehandeling te verliezen.

Progressieve landen als Mali hebben bovendien de laatste tijd veel kritiek op Parijs. Intellectuelen en democraten in Afrika vinden het schandalig dat Frankrijk nog altijd steun verleent aan alleenheersers met bloed aan hun handen, zoals Omar Bongo van Gabon, Etienne Eyadema van Togo, Paul Biya van Cameroen en Mobutu Sese Seko van Zaiée. Sommige van deze 'dinosaurussen' zijn al meer dan dertig jaar aan de macht; het Jurrasic Parc van Frankrijk is dan ook de nieuwe term voor de Afrikaanse achtertuin.

Maar Parijs steunt “bij gebrek aan beter” niet alleen oude dictators. Opzienbarend was de Franse goedkeuring van de militaire staatsgreep in Niger afgelopen januari. Parijs veroordeelde de coup officieel, maar volgens critici hadden de Fransen hem zelf geregisseerd en financierde Parijs drie maanden later de verkiezingen die de macht van kolonel Mainassara legitimeerden.

Een andere barst in de Frans-Afrikaanse vriendschap is de verharding van de immigratiepolitiek in Frankrijk. De verwijdering van de hongerstakende sans-papiers uit de kerk Saint Bernard in Parijs heeft veel ergernis opgeroepen in Afrika. Evenals de problemen die Afrikanen ondervinden bij het aanvragen van visa en de vernederende behandeling die ze bij de Franse douane hebben te verduren.

De Afrikaanse landen in de Franse zone realiseren zich echter dat ze nog altijd aangewezen zijn op hulp, en dat ze de relatie dus goed moeten houden. Net zoals Parijs op zijn beurt sterk hecht aan zijn grote achtertuin, die Frankrijk het gevoel geeft een wereldmacht van betekenis te zijn. Bovendien stemmen de Frans-Afrikaanse landen in de VN altijd voor Parijs, en houden ze de Francofonie levend: de spreiding van de Franse taal en cultuur als tegenwicht tegen het oprukkende Engels en MTV.

De kans dat president Chirac en zijn protégés rollend over de straten van Ouagadougou zullen gaan, is dan ook klein. Veel Afrikanen hebben wel vertrouwen in Chirac, een ware Gaullist die zegt veel van Afrika te houden. Sinds zijn verkiezing, anderhalf jaar geleden, is hij er dan ook al drie keer op bezoek geweest. De laatste keer afgelopen zomer in Gabon, waar hij president Bongo moest sussen in verband met mogelijke verduistering van Gabonees geld door directeuren van de Franse oliemaatschappij Elf.

De top in Ougagadougou zal bovendien vermoedelijk worden overschaduwd door de crisis in Zaïre en Rwanda. Hoewel deze landen vroeger bij België hoorden, heeft de strijd de Franse rol op het continent weer volop voor het voetlicht gebracht. De ijver waarmee Parijs zich inzet voor een interventiemacht wekt immers grote argwaan. Hielpen de Fransen twee jaar geleden niet de Hutu-milities vluchten uit Rwanda? En zouden zij ook nu geen egoïstische motieven hebben? Zoals het terugdringen van de 'Anglosaksische' Tutsi-rebellen, die de invloed van Frankrijk bedreigen.

Het bijzondere van Frankrijks dekolonisatie in Afrika is immers dat deze in feite nooit heeft plaatsgevonden, aldus critici. Terwijl de Britten in de jaren zestig in één klap hun Afrikaanse koloniën verlieten, wilde Parijs juist van Mauretanië tot Congo een grote invloed behouden. Na de onafhankelijkheid sprak generaal De Gaulle dan ook klare taal: jullie kunnen je eigen weg gaan of dicht bij ons blijven en daarvan profiteren. Wie voor de sterke schouders van Parijs koos, behield op elk belangrijk ministerie hoge Franse adviseurs. Daarnaast kreeg men investeringen en veel hulp; het kleine Togo krijgt vanuit Parijs nu nog altijd evenveel geld als zes Oost-Europese landen tesamen; de Kaapverdische eilanden evenveel als China.

De Franse zone werd wel het beschermde jachtgebied, het précarré van Parijs genoemd. Franse bedrijven wisten al hun potentiële concurrenten uit hun gereserveerde domeinen weg te houden. Het gebied was één groot Frans-Afrikaans dorp, compleet met schandalen, familiebanden en gekonkel, waar elke indringer werd geweerd.

Berucht waren vooral de netwerken van Jacques Foccart, de Afrika-adviseur van De Gaulle. Franse zakenlieden, diplomaten en ontwikkelingswerkers bepaalden wat er in Afrika gebeurde en wie er waar aan de macht kon blijven. De bemoeienis was zelfs zo groot, dat Omar Bongo in 1967 op audiëntie moest komen bij De Gaulle om te zien of hij wel geschikt was voor de baan van president van Gabon. Foccart was eigenlijk een soort Machiavelli, aldus het tijdschrift Jeune Afrique: een man die van lange afstand coups en tegencoups arrangeerde.

Ondertussen werd Afrika armer en armer. Steeds meer westerlingen verlieten het rotte schip, maar de Messieurs Afrique bleven. Een van de beroemdsten was de zoon van wijlen president Mitterrand, Jean-Christophe, ook wel 'Papamadit' (Papa heeft tegen me gezegd...) genoemd. Hij was het beste voorbeeld van de verwevenheid van politiek en privézaken. In 1982 kreeg hij een hoge post in de 'Afrika-cel' van het presidentieel paleis en onderhield hij nauwe contacten met kinderen van Afrikaanse staatshoofden, zoals Manda Mobutu, Jean-Pierre Habyarimana en Ali Ben Bongo. Van deze laatste, zoon van Gabons machthebber, mocht Jan-Christophe altijd zijn gedeukte, roze Mercedes met video en minibar lenen. De twee mannen beleefden vele nachtelijke avonturen.

Door alle ondoorzichtigheid konden Franse hulpgelden via staatshoofden en andere invloedrijke Afrikanen ook makkelijk naar Parijs terugvloeien. Zo citeerde Omar Bongo ooit president Pompidou: “Ontwikkelingshulp is een vicieuze cirkel. Het komt door de grote deur binnen en gaat door een klein deurtje weer terug.” Vrijwel alle (ex-)staatshoofden uit Franstalig Afrika bezitten luxe appartementen in de Parijse Gouden Driehoek of de voorstad Neuilly. En velen hebben goede vrienden in Frankrijk, wier verkiezingscampagnes ze regelmatig sponsoren. Zo zou Mobutu vijf jaar geleden Chirac voor de verkiezingen een koffertje met geld hebben geschonken. Geen wonder dat de dictator, die bijna nergens ter wereld nog welkom is, in zijn villa in het Franse Cap Martin mag herstellen van zijn ziekte.

De Fransen hebben Mobutu nodig, en dat weet hij. Ze beschouwen hem als de enige die Zaïre bij elkaar kan houden: de breuklijn tussen het Francofone en het Anglofone gedeelte van Afrika. Een breuklijn die momenteel bedreigd wordt, volgens sommigen in Parijs. Voor Foccart, inmiddels boven de tachtig maar nog dagelijks aan de telefoon met Chirac, is het complot overduidelijk: via steun aan de Zaïrese rebellen proberen de Amerikanen de Fransen van het continent te verjagen. Hij adviseert de president dan ook de greep op het gebied desnoods met militaire middelen te versterken. Volgens geruchten zouden er zelfs al Franse huurlingen meevechten met het Zaïrese leger.

De vraag is alleen hoe groot de invloed van de oude Afrika-kliek nog is op de Franse regering. “Foccart is een soort oom, die Chirac elke dag even braaf moet aanhoren”, zegt Antoine Glaser, hoofdredacteur van de goed geïnformeerde nieuwsbrief Lettre du Continent. Al onthult het laatste nummer een 'olie-oorlog' tussen de Amerikanen en de Fransen om een gigantisch olieveld in Angola, van een Amerikaans complot is volgens Glaser geen sprake. Washington is slechts geïnteresseerd in olie en telecommunicatie, maar streeft verder geen grotere invloed in Afrika na.

Maar die complottheorie leeft wel in Frankrijk, zegt Jean-Francois Bayart, een van de bekendste Afrikanisten in Parijs. Een van de redenen is volgens hem het complex van Fachoda. Eind vorige eeuw droomden de Fransen van een rijk aan de Rode Zee, maar bij het stadje Fachoda aan de Nijl stuitten zij op de Britten. Parijs besloot dat een goede relatie met Engeland belangrijker was dan een stadje in de woestijn, en gaf het Franse leger in 1898 de opdracht zich terug te trekken.

Veel Fransen ervaren dit nog altijd als een enorme nederlaag, zegt Bayart, directeur van het Centre d'Etudes et de Recherches Internationales. Volgens hem lijden vooral hoge legerkringen aan het Fachoda-complex. “Generaals, maar ook enkele politici, willen zich nog steeds wreken op de Angelsaksen. Niet meer op de Britten, want die stellen niks meer voor in de wereld, maar nu op de Amerikanen, de Oegandezen en de Rwandese Tutsi's.”

Volgens Francis Cornu, journalist bij Le Monde, is er sprake van een “stupide, kinderachtige rivaliteit tussen Parijs en Washington, die momenteel over de hoofden van de Afrikanen wordt uitgevochten.” Iran, Irak, Bosnië, de rol van de Verenigde Naties, de opvolging van Boetroes Ghali... het zijn allemaal twistpunten tussen Frankrijk en de VS die een kordate aanpak voor Rwanda en Zaïre in de weg staan.

Deze rivaliteit is begonnen met het einde van de Koude Oorlog. Voordien kwam het Washington, dat met Moskou om invloedssferen streed, goed uit dat de Fransen in een groot deel van Afrika politieagentje speelde. Maar nu moet Parijs zich toch eens aan de regels gaan houden, liet de toenmalige Amerikaanse onderminister voor buitenlandse handel Ron Brown in 1994 in Ivoorkust weten. Het hek van de Afrikaanse achtertuin moet open voor iedereen, niet alleen voor Airbus, maar ook voor Boeing.

Hoewel de Fransen roepen dat het voor de Afrikanen fantastisch zou zijn als er investeerders uit de VS komen, steekt de Amerikaanse bemoeienis wel. Tot vermoeiens toe wordt in Parijs herhaald dat Washington nauwelijks ontwikkelingshulp geeft aan Afrika, dat de Amerikanen alleen in hun eigen winsten zijn geïntereseerd en zich totaal niet bekommeren om het geluk en het salaris van de Afrikanen.

Frankrijk is zelf de grootste donor op het continent. Het steekt jaarlijks bijna veertien miljard gulden in Afrika ten zuiden van de Sahara: vijf keer meer dan de Verenigde Staten. “Dat moet ik toegeven”, zegt Bayart, “in onze Afrikapolitiek tref je tegelijkertijd het ergste en het beste aan.”

Jarenlang was het echter wel nogal ondoorzichtig hoe de Franse geldstromen liepen. Vooral het ministerie van ontwikkelingssamenwerking speelde een dubieuze rol. Het werd in de volksmond het ministerie van Afrika genoemd, met vele onduidelijke loketten waar alleen Afrikaanse staatshoofden de weg wisten. “Door dit soort toestanden zijn wij in feite de maîtresse van de corruptie op dat continent”, zegt Bayart.

Onder leiding van premier Alain Juppé, een technocraat zonder banden met Afrika, wordt momenteel overigens wel getracht het ministerie te herstructureren, onder andere door het onder 'voogdij' van buitenlandse zaken te stellen. Maar veel komt er nog niet van terecht. “Wat dacht je? De Afrikaanse staatshoofden hingen onmiddellijk aan de lijn toen ze hoorden dat hun ministerie werd opgegeven”, lacht een medewerker van buitenlandse zaken.

Dat deze jongeman voorzichtig kritiek uit, illustreert de analyse van Afrikakenners als Glaser en Bayart. Namelijk dat Chirac gevangen zit tussen twee kampen. De jongere garde wil een transparant beleid en Afrika meer beschouwen als de rest van de wereld. Maar de 'oude school' diplomaten wil niet dat er geschoffeld wordt in de Afrikaanse achtertuin. “En die oudjes zijn voorlopig nog in de meerderheid”, aldus Glaser.

“Bovendien heerst er in de regering grote verdeeldheid”, zegt ook Bayart. “De drie belangrijkste Afrika-adviseurs van de president praten niet meer met elkaar. De ministers Godfrain van ontwikkelingssamenwerking en De Charette van buitenlandse zaken hebben vaak totaal andere analyses. De eerste is een echte Gaullist, terwijl De Charette juist modernisering van de Franse rol in Afrika wil.”

Toch zal Parijs langzaamaan de banden met Afrika losser maken, voorspellen de Afrikanisten. Frankrijk gaat zich immers steeds meer richten op zijn Europese partners. “Als de bewindslieden telkens Hollanders, Zweden en Duitsers tegenover zich vinden die hameren op de mensenrechten, dan zal dat op den duur lastig worden”, zegt Francis Cornu.

Bovendien is de bemoeienis van het IMF en de Wereldbank met Afrika gestegen. Deze instituten eisten al lange tijd een grondige devaluatie van de CFA-franc, wat Parijs echter nooit durfde, uit vrees voor woedende Afrikaanse reacties. Dat de regering-Balladur twee jaar geleden toch tot deze impopulaire maatregel besloot, typeert dan ook de kentering in de Franse Afrika-politiek.

Uiteraard was de devaluatie met vijftig procent een hard gelag voor de Afrikanen in de dertien CFA-landen, maar ze zijn er goed bovenop gekomen, volgens Parijse economen. De groei bedraagt nu gemiddeld tussen de 4 en 6 procent. Dat is nog niet veel vergeleken met de Aziatische tijgers, maar voor het eerst sinds lange tijd is de economische groei hoger dan de bevolkingsgroei. En kunnen de mensen dus meer kopen. Vooral uit landen als Ivoorkust, Senegal en Burkina Faso komen steeds meer succesverhalen. “In de hotels van Dakar hoor je weer Amerikanen en Italianen. Die zijn er lang niet geweest”, zegt een medewerker van de Franse ontwikkelingsbank.

In landen in het midden van Afrika, zoals Congo, Gabon en de Centraal-Afrikaanse republiek, gaat het economisch nog heel slecht. Maar, klinkt het vaak in Parijs, er zijn “in onze landen” tenminste niet zulke bloedige conflicten als in Liberia, Sierra Leone, Somalië, Rwanda, Burundi... noem maar op. “Wat dat betreft heeft de Franse bemoeienis misschien toch ook een gunstige werking gehad”, aldus de kritische Afrikanist Bayart.

Maar nu is het tijd voor Frankrijk om het koloniale verleden helemaal achter zich te laten. Mitterrand zei wel dat hij zich “Frankrijk in de 21-ste eeuw niet zonder Afrika kon voorstellen”, maar de bemoeienis zal straks vooral in Europees verband zijn. Er wonen ten zuiden van de Sahara 500 miljoen potentiële consumenten, een markt die voor Europa bestemd is, zo vindt Parijs. Japan heeft immers al het oosten, de Verenigde Staten hebben Latijns-Amerika, en Europa heeft Afrika. Zo houden de Fransen toch nog een beetje vast aan hun eigen jachtgebied.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden