Afrekening met Karremans

interview | Eerst nam hij het op voor Dutchbat-commandant Thom Karremans, die hij destijds aanstuurde. Nu niet meer. Karremans had meer kunnen doen om de massamoord in Srebrenica te voorkomen, stelt kolonel b.d. Charlef Brantz in zijn boek.

Twintig jaar geleden is het inmiddels, zijn verblijf in Bosnië, maar de Nederlandse kolonel b.d. Charlef Brantz is er nog vrijwel dagelijks mee bezig. "Als je me vraagt wat ik gisteren heb gedaan, weet ik het niet meer, maar van die tijd herinner ik me heel veel, tot in de details. Het waren de beste en de slechtste jaren van mijn militaire carrière. Ik heb er prachtige mensen ontmoet, maar ook vreselijke dingen gezien. Het was heel intens."

Brantz (1947) was in 1995 gestationeerd in de Bosnische stad Tuzla als plaatsvervangend VN-commandant van de sector noordoost, het gebied waar ook de moslim-enclave Srebrenica lag. Hij was daarmee de directe baas van Thom Karremans, die als commandant van Dutchbat de verantwoordelijkheid had voor de bescherming van de regio die door de VN in 1993 tot 'veilige haven' was uitgeroepen.

Vorige maand verscheen zijn boek 'De Srebrenica-dagboeken'. Mede op basis van notities die Brantz destijds heeft gemaakt presenteert hij daarin zijn kijk op die fatale dagen in juli 1995, toen de enclave door de Bosnische Serviërs onder de voet werd gelopen en tal van slachtoffers werden gemaakt.

Het is een bittere visie. In Brantz' ogen hebben velen enorme steken laten vallen; de VN, de pers, politici, collega-militairen. Het is ook een visie die in de loop der tijd is veranderd en deels haaks staat op wat hij dacht vlak na de val van Srebrenica in juli 1995. "Ik heb de afgelopen jaren veel nieuwe informatie gekregen, ook van militairen van Dutchbat die destijds in de enclave waren."

Niet veranderd is zijn overtuiging dat de aanval op de enclave door de Bosnische Serviërs (lang) van tevoren gepland was. Dat onderzoekers van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Niod), die ook met hem hebben gesproken, in 2002 in het uitgebreide rapport over de val van Srebrenica tot een andere conclusie kwam, vindt hij onbegrijpelijk.

In zijn boek noemt Brantz tal van aanwijzingen. Hij wijst op eerder optreden van het Bosnisch-Servische leger, het karakter van hun generaal Ratko Mladic, het feit dat de enclave al sinds het voorjaar van 1994 werd afgeknepen. En hij wijst op de doden die moslimstrijders onder leiding van Naser Oric in de voorafgaande jaren in de rond Srebrenica liggende dorpen onder Bosnische Serviërs hadden gemaakt. "Ik wist één ding zeker: die 3000 doden die er door Oric zijn gevallen, zijn voor Mladic voldoende reden om de enclave binnen te vallen."

Wél veranderd is zijn oordeel over Karremans en de mannen van Dutchbat. In interviews kort na de val van de enclave neemt hij het nog voor hen op tegen die 'leunstoeldeskundigen' die vinden dat de militairen zich laf hebben gedragen. "Het bataljon verdient het niet dat hun commandant zo wordt neergesabeld", zei hij eind juli 1995 in Trouw.

Twintig jaar later heeft hij weinig goede woorden meer over voor Dutchbat en zijn toenmalige commandant. Dit ondanks het feit dat voor Brantz sindsdien heel duidelijk is geworden dat de Nederlandse militairen bij de verdediging van de enclave door de internationale gemeenschap zwaar in de steek zijn gelaten.

Luchtaanvallen

Veel is er te doen geweest over de vraag waarom er in die dagen geen luchtaanvallen zijn geweest om de opmars van de Bosnische Serviërs te stoppen. Er was grote onduidelijkheid of er om was gevraagd en door wie. Uit de aantekeningen van Brantz blijkt dat er wel degelijk verzoeken zijn geweest, direct vanuit de enclave aan Sarajevo (waar het VN-hoofdkwartier zat) en indirect via Tuzla (dat volgens de offici-ele commandostructuren eerst zo'n verzoek moest ontvangen). Toezeggingen zijn er ook gedaan.

Vandaar dat Brantz op 11 juli 1995 om 05.00 uur noteerde: "Iedereen zit in spanning op de grote redding te wachten." En een uur later: "Vol verwachting kijken we naar de lucht." De redding zal niet komen en inmiddels is ook duidelijk geworden waarom. In een rapport van het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken, dat pas in 2005 openbaar werd, staat te lezen dat Washington - dat de beslissende stem had als het om militair ingrijpen ging - al ruim een maand voor de fatale ontwikkelingen in Srebrenica had besloten dergelijke acties "voor de afzienbare toekomst stilletjes uit te sluiten". Brantz vat het kort maar krachtig samen: "We zijn opgeofferd." Het waarom is ook hem nog steeds niet duidelijk geworden, al is er het vermoeden dat men de Bosnische Serviërs de enclave heeft laten innemen om de kaart van Bosnië te vereenvoudigen om zo makkelijker tot een vredesregeling te komen.

Dappere taal

Is het dan echter niet merkwaardig dat hij Karremans nu zo hard aanvalt? Dutchbat was toch gewoon kansloos? Brantz: "Karremans zat in een lastige situatie, hij wist heel veel niet, maar desondanks had hij meer kunnen doen. Bij allerlei besprekingen heeft Karremans dappere taal uitgeslagen. Als de Bosnische Serviërs de enclavegrens over zouden gaan, zou hij optreden. Dat gebeurde al begin juni, maar hij deed niets. Dan ben je ongeloofwaardig."

Het had anders gekund, meent Brantz, en daarvoor wijst hij naar ontwikkelingen in Gorazde, een andere veilige haven in Bosnië. De Britse commandant Jonathon Riley had, zo schrijft Brantz in zijn boek, "de bedoeling van het mandaat beter begrepen". Net zo goed (of slecht) uitgerust als Dutchbat schoot hij wel terug toen eind mei 1995 de enclave door het Bosnisch-Servische leger werd aangevallen. En hij had een evacuatieplan gemaakt voor de bevolking in geval van nood. Gorazde werd niet ingenomen.

Brantz: "Natuurlijk zijn er collega's die zeggen: 'Maar de omstandigheden daar waren anders.' Of ze zeggen: 'Als je dat had gedaan, waren er veel meer bodybags naar Nederland gekomen.' Maar dat is de zaken omdraaien. Je zat daar toch om die mensen te beschermen?"

Het stoort hem dat Karremans en zijn militairen als slachtoffers worden neergezet. "Wie zijn hier nou de echte slachtoffers? Het effect van onze daden wordt weggemoffeld. Maar Nederlandse politici hebben niet die vijf mensen in bomen zien hangen die zelfmoord hebben gepleegd na de val van Srebrenica, en al die vluchtelingen die we in Tuzla hebben opgevangen."

Het is zware kritiek, die de vraag oproept hoe Brantz dan zijn eigen handelen ziet. Zijn er geen zaken waarvan hij denkt: dat had ik anders moeten doen? "Ik zat in Tuzla, zestig kilometer verderop. Door de VN-leiding in Sarajevo was ons nadrukkelijk verboden naar Srebrenica te vliegen zonder toestemming van Ratko Mladic."

Hij wil maar zeggen: hij kon er niet even heen en moest het doen met de soms gebrekkige informatie, vanuit de enclave zelf en elders in Bosnië. "Karremans had, juist daarom, een grote mate van vrijheid gekregen om te handelen."

Spijt heeft hij wel dat hij niet eerder en niet harder aan de bel heeft getrokken, toen hij in de maanden voor zijn vertrek naar Tuzla de situatie in Bosnië zag verslechteren. "Er is wel over gepraat, er is op gewezen, maar er is niet naar gehandeld. Ja, je kunt mij kwalijk nemen dat ik toen niet veel luider van me heb laten horen."

Te weinig middelen

Brantz: "Nederland had er nooit aan moeten beginnen. Het was een onmogelijke opgave. Je moet neutraal zijn, maar dat kan dus niet. Want je moet de ene partij beschermen tegen de ander. Dan ben je integraal deel van het conflict. Voor elk land was dat een lastige opgave geweest. Maar vervolgens hebben wij ze uitgestuurd met veel te weinig middelen. We hebben geen militaire traditie, geweld vinden we smerig. Maar in een land waar een burgeroorlog wordt gevoerd, is het eerste wat je doet je wapen van de veiligheidspal afhalen en het op vuren zetten."

Binnenkort gaat Brantz terug. Op 25 mei wil hij aanwezig zijn bij de herdenking van de zwaarste aanslag die Tuzla in de oorlog heeft doorstaan. Die dag, dit jaar twintig jaar geleden, vielen er 74 doden, onder wie veel jongeren, op het Kapija-plein in het centrum van de stad door een granaat-aanval van de Bosnische Serviërs. De dag erna bezocht Brantz het mortuarium. "Stil en geschokt lopen we door de ruimte", schrijft hij in zijn boek," en de geur van de dood blijft in mijn neusgaten en kleding hangen."

Brantz nu: "Ik ga met mijn echtgenote, die wil nu eindelijk weleens zien waar ik het altijd over heb. Maar het boek Srebrenica kan nog steeds niet worden gesloten."

Charlef Brantz

Charlef Brantz: De Srebrenica-dagboeken. Ooggetuigenverslag van een hoofdrolspeler. Uitgeverij Karakter, 328 blz., euro 22,95.

Charlef Brantz (1947) groeide op in Den Haag, stond een aantal jaar onder contract bij voetbalclub ADO en trad in 1972 toe tot de Koninklijke Landmacht. Van februari tot september 1995 was hij plaatsvervangend en waarnemend commandant van de sector Noordoost Bosnië. Na afloop kreeg hij problemen binnen defensie. Hij werd er onder meer van beschuldigd informatie naar de media te hebben gelekt, wat hij zelf altijd heeft ontkend. In de jaren daarna bekleedde hij diverse functies in het buitenland. Zo was hij Nederlands liaison officier bij het Amerikaanse leger in Fort Monroe, Hampton (Virginia). Sinds 2005 is hij buiten dienst.

De oorlog in Bosnië

Met de onafhankelijkheidsverklaring van Kroatië en Slovenië in juni 1991 begon het uiteenvallen van Joegoslavië. Begin 1992 konden de inwoners van Bosnië zich in een referendum uitspreken over hun toekomst. Kroaten en moslims (die samen een meerderheid vormden) verkozen onafhankelijkheid, Serviërs voelden daar in meerderheid weinig voor en riepen daarop hun eigen Republika Srpska uit. Om in het nauw gedreven Bosniërs, met name moslims, te beschermen riepen de VN in 1993 verschillende regio's in Bosnië uit tot 'veilige haven': Srebrenica, Tuzla, Bihac, Zepa, Gorazde en Sarajevo, die werden beschermd door VN-blauwhelmen. In Srebrenica werden Nederlandse militairen gestationeerd. Dat kon echter niet verhinderen dat de enclave in juli 1995 door het Bosnisch-Servische leger werd ingenomen, waarbij duizenden slachtoffers vielen. Ingrijpen van de internationale gemeenschap bleef uit, maar volgde wel eind augustus na een mortieraanval van Bosnische Serviërs op een markt in Sarajevo. Later dat jaar kwam het in het Amerikaanse Dayton tot een vredesovereenkomst. De publicatie van het Niod-rapport over Srebrenica leidde in 2002 tot de val van het kabinet-Kok.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden