Afname van illegale olie-lozingen is maar niet te constateren

Voor de hulpverleners van Ecomare, het centrum voor natuur en milieu op Texel, viel er weinig te redden. De vierhonderd vogels die eerder deze week op het Waddeneiland aanspoelden, zaten zo dik ingepakt in de olie dat ze geen enkele kans hadden te overleven. Ze moeten in tien tot twintig minuten in een dikke olielaag zijn 'gevangen'.

De olieslachtoffers op Texel (plus nog een kleine honderd die op Vlieland aanspoelden) vormen slechts een klein deel van het aantal vogels dat ieder jaar op de Nederlandse kust aanspoelt. Want bij de tellingen die sinds het eind van de jaren zestig te voet op systematische wijze langs de Nederlandse kustlijn (lengte: 671 kilometer) worden uitgevoerd, worden jaarlijks gemiddeld zo'n dertigduizend vogelkadavers gevonden.

Twee van de drie aangespoelde vogels zijn besmeurd met olie. Omdat uit proeven met op zee uitgezette kadavers blijkt dat ongeveer de helft wordt teruggevonden, moet het jaarlijks aantal aangespoelde vogels zo'n zestigduizend bedragen. Veertigduizend daarvan hebben dus olie in de veren die afkomstig is van een illegale lozing van een schip of van de off-shore industrie.

Het trieste is, zegt Jan Andries van Franeker van het Rijksinstituut voor natuurbeheer op Texel, dat er al die jaren geen afnemende trends zijn te constateren. Er zijn door natuurlijke omstandigheden wel verschillen in aantallen van een bepaalde vogelsoort, terwijl er in jaren met veel rampen uitschieters in aantallen zijn, maar er is nog steeds geen knik in het gemiddelde te vinden.

Marpol

Dit ondanks alle maatregelen om een eind te maken aan de illegale lozingen. In 1973 werd onder de vlag van de Verenigde Naties een verdrag gesloten dat de verontreiniging van de zee door schepen een halt moet toeroepen (het Marpolverdrag). Het eerste onderdeel, over het lozen van olie, trad in 1983 in werking.

Op grond hiervan zijn schepen verplicht afvalolie en oliehoudend afvalwater aan wal af te geven, terwijl de havenautoriteiten moeten zorgen voor installaties waar de olie kan worden afgegeven. In Nederland werd na het van kracht worden van de olie-paragraaf van het Marpol-verdrag bovendien de controle boven de Noordzee met een vliegtuig met geavanceerde apparatuur opgevoerd.

Dit had zeker een preventieve werking: in de eerste jaren was er sprake van een duidelijke terugval van achthonderd geconstateerde vlekken in 1983 naar vierhonderd in 1985. Daarna echter bleef het aantal vlekken in verhouding tot het aantal vlieguren vrijwel constant. Gemiddeld wordt per uur dat wordt gevlogen een olievlek waargenomen. Omdat niet ieder jaar evenveel uren wordt gevlogen, varieert ook het aantal waargenomen vlekken dat vanaf 1986 tussen de 250 en 350 ligt.

Een van de belangrijkste oorzaken dat de illegale lozingen niet verder afnemen, is het ontbreken van een effectief vervolgings- en bestraffingsbeleid. De lozers die (via een 'vingerafdruk' van de geloosde olie) worden opgespoord, lopen weinig risico. Volgens cijfers van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) is door de landen die zijn aangesloten bij het Marpol-verdrag tussen 1983 en 1990 in zestien procent van de geconstateerde overtredingen opgetreden.

Zelfs wanneer het tot een veroordeling komt, kan de overtreder vrolijk fluitend verder varen. Want de gemiddelde boete bedraagt duizend dollar - mede gezien de geringe pakkans slechts een schijntje van het genoten financiele voordeel.

Cijfers over de veroordeling van gepakte, illegaal lozende schepen in Nederland zijn moeilijk te krijgen. De Werkgroep Noordzee wees enkele weken terug in een brief aan minister Maij-Weggen (verkeer en waterstaat) erop dat Nederland sinds de inwerkingtreding van het Marpol-verdrag nog geen gegevens heeft verstrekt over de vervolging en de strafmaat van illegale vervuilers, zoals het verdrag voorschrijft.

Johan Vijfvinkel van de Werkgroep Noordzee: "Uit de fragmentarische gegevens die we hebben kunnen verzamelen, blijkt dat de kans dat een illegale lozer wordt vervolgd erg klein is. Bovendien staat ook hier de boete in geen verhouding tot de kosten die zijn verbonden aan de legale afgifte van afvalolie. De boetes liggen, een enkele uitzondering daargelaten, tussen de vijfhonderd en vijftienhonderd gulden. Dat is dus nog lager dan het internationale gemiddelde."

Havengelden

Een belangrijke impuls om de illegale lozingen tegen te gaan, is volgens de Werkgroep Noordzee het kosteloos afgeven van de olie aan de ontvangstinstallatie. De kosten van het inzamelsysteem zouden dan kunnen worden doorberekend in de havengelden, waardoor illegaal lozen niet zonder meer rendabel is. De Nederlandse havens zijn daar echter tegen omdat daarmee de concurrentiepositie in gevaar kan komen. Dat bezwaar is alleen weg te nemen door zo'n maatregel in alle Europese havens tegelijk in te voeren.

Daarnaast kan op basis van het Zeerechtverdrag worden besloten tot de instelling van een Exclusieve economische zone (EEZ) tot tweehonderd mijl uit de kust. In de praktijk betekent dit dat het gehele Nederlandse deel van het continentale plat onder Nederlandse jurisdictie komt en overtreders dus hier kunnen worden aangepakt. Momenteel is de arm van de Nederlandse justitie beperkt tot de grens van de territoriale wateren (twaalf mijl).

Vier jaar geleden, nadat de Roemeense ertstanker Borcea een spoor van olie op de Westerschelde en de stranden van Zeeland en ZuidHolland achterliet, kondigde de toenmalige minister van verkeer en waterstaat, Smit-Kroes, een reeks maatregelen aan om olielozers beter in de kraag te kunnen vatten. Als een van de mogelijkheden noemde zij de instelling van een dergelijke zone.

Johan Vijfvinkel: "Haar opvolgster geeft er de voorkeur aan die Exclusieve economische zone samen en tegelijkertijd met de andere Noordzeestaten in te stellen. Onlangs heeft zij laten weten dat de onderhandelingen voorspoedig verlopen en dat waarschijnlijk binnen enkele maanden uitsluitsel kan worden gegeven."

Vervolgd

De ramp met de Borcea heeft overigens wel tot vervolging van de verantwoordelijke kapitein geleid. Deze werd door de rechtbank in Rotterdam (bij verstek) tot drie maanden cel veroordeeld. Tevens begon Vogelbescherming toen, mede namens de negentien asiels waarin de duizenden met olie besmeurde vogels zijn opgevangen, een civiele procedure tegen de Roemeense staatsrederij, de eigenaar van de Borcea.

Directeur Jan Bonjer van Vogelbescherming: "De kosten die zijn gemaakt om de vogels schoon te maken en te revalideren, bedroegen 255 000 gulden. In maart vorig jaar zijn wij door de rechtbank in Rotterdam in onze eis tot schadevergoeding ontvankelijk verklaard. Een van de overwegingen daarbij was dat Vogelbescherming al negentig jaar een geloofwaardige advocaat van de wilde vogels is. Voor ons een belangrijke principiele winst."

Schikking

Na de uitspraak kwam de Roemeense rederij met een schikkingsvoorstel van 100 000 gulden. Bonjer: "Wij zijn daar onlangs op ingegaan, omdat we anders in eindeloze procedures verzeild zouden raken. Onze winst - dat we ontvankelijk zijn - blijft in stand, terwijl daarnaast voor de eerste keer een olievervuiler ons een schadevergoeding betaalt. De asiels krijgen nu veertig procent vergoed van de kosten die zij hebben gemaakt om zo'n vijfduizend vogels op te vangen. Meer dan de helft daarvan is daardoor van de dood gered."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden