Afghanisering vereist staatsvorming

Het artikel dat NRC Handelsblad vorige week zaterdag aan Uruzgan wijdde, onthulde bij mijn weten voor het eerst een aspect van onze opbouwmissie dat niet eerder aandacht kreeg: alle initiatieven en inspanningen gaan van Nederland uit en de Afghanen laten het tegelijk afweten. Ze zijn alleen geïnteresseerd in meer gratis spullen dan ze al krijgen, zonder overigens enige dankbaarheid te tonen.

Waar ze in uitblinken is inefficiëntie en spilzucht. Van de vijf politiewagens die uit Nederlandse middelen ter beschikking kwamen, liggen er na 10.000 kilometer op de teller inmiddels drie op het autokerkhof. Men wil nu nieuwe auto’s, uiteraard voor Nederlandse rekening. Het politiehoofdkwartier dat met Nederlands geld is opgeknapt, wordt afgekeurd: het moet hoger en groter worden opgezet.

Het was allemaal voorspelbaar. Vertegenwoordigers van een rijk land die met een forse zak geld gewapend een straatarme bevolking allerlei gunsten opdringen, hoeven niet op dankbaarheid te rekenen. In voormalige koloniën ging het precies zo. De kolonisator kon menen achterlijke gebieden tot levensvatbare staten te hebben omgevormd en daarvoor enige waardering te mogen ontvangen, maar bij het afscheid dat dekolonisatie heette, werd doorgaans alleen over ’vreemde’ invloed geklaagd. Ook de militairen en opbouwwerkers in Afghanistan zullen voor de bevolking ’vreemdelingen’ blijven.

De vervreemding wordt versterkt door de vertrouwdheid van het inheems verzet.

Guerrillagroepen mogen dan op kosten van de bevolking leven en niet zelden hardhandig optreden, ze behoren nu eenmaal tot de eigen partij. Er valt bovendien weinig te kiezen, want tegenover de gewelddadigheid van deze bewapende groepen heeft de gemiddelde dorpsbewoner geen ander antwoord dan aanpassing. En elke onafhankelijkheidsoorlog heeft een ’taliban’ gekend.

De cruciale fout van Nederland in Afghanistan bestond in de verwachting dat men met goede werken de hearts and minds van de bevolking kon winnen en tegelijk de invloed van de taliban kon uitschakelen. Men verwachtte dankbaarheid en medewerking en men oogst vooral opportunisme en passiviteit. Men geloofde bovendien met de linkerhand de taliban in bedwang te kunnen houden, hoewel dat zelfs de Amerikanen met hun harde interventie niet is gelukt.

Het gevolg is dat Nederland en al die andere landen die in Afghanistan humanitair aan het knutselen zijn, de hoofdzaak uit het oog hebben verloren: het vernietigen van de taliban. Dat was trouwens aanvankelijk de enige reden waarom Amerika Afghanistan had bezet. Als gastheren van de terroristische Al- Kaidabeweging moesten ze van alle macht worden beroofd en door een westers gezind regime worden vervangen.

Helaas heeft Amerika daarmee niet volstaan, maar heeft het zich in het hoofd gehaald dit volstrekt onderontwikkelde en etnisch volledig gespleten land te gaan ombouwen tot een moderne democratische staat, compleet met verkiezingen en parlementaire instellingen. Het hilarische gevolg is geweest dat de volksvertegenwoordiging voor een goed deel is samengesteld uit krijgsheren, drugshandelaren en ander geboefte, ooit bestreden of in ieder geval zonder formele status, nu door het ’democratische’ regime officieel in hun positie bevestigd.

Wat de Amerikanen niet begrepen – een oud euvel overigens – was dat staatsvorming aan democratisering vooraf moet gaan, dat state-formation nummer één en nation-building nummer twee is. Slechts landen die een erkend staatsgezag hebben weten te vestigen, met een bestuurlijk apparaat dat heel het grondgebied omvat en met een redelijke rechtszekerheid die de bevolking vertrouwen inboezemt, zullen met succes de stap naar volksinvloed kunnen zetten.

Juist in landen als Afghanistan, met een groot aantal autonome regionale machtscentra, is het bovendien van essentieel belang dat de centrale overheid over een effectieve krijgsmacht beschikt die in voorkomende gevallen rebellerende potentaten tot de orde kan roepen. Een dergelijk nationaal leger kan tevens dienen als school of the nation.

Het is juist dat men de opbouw van een eigen Afghaans leger van de aanvang af heeft nagestreefd. Nog afgelopen week bevestigde de Navo de noodzaak van het overdragen van taken aan Afghaanse troepen; ook onze minister Van Middelkoop uitte zich met tevredenheid over deze operatie, voorzover die in Uruzgan vorderingen maakt. Hij verwacht zelfs dat de inmiddels 1700 Afghaanse militairen in ons gebied al vanaf begin 2010 op eigen kracht kunnen opereren.

Ik vrees dat hij te optimistisch is, zeker indien het gaat om de rol van een nationaal Afghaans leger. Dit pessimisme bespeur ik ook in een opmerkelijk artikel van generaal Berlijn in Trouw van donderdag, waarin gepleit wordt voor een eerder ingrijpen van de internationale gemeenschap in falende staten. Hij zal, bij al zijn optimisme over Uruzgan, onder de indruk zijn gekomen van het helse karwei waarvoor ook Nederland in Afghanistan is komen te staan: het van buitenaf ontwerpen en opbouwen van een nieuwe effectief opererende staat. Menige kolonisator is het zelfs na een eeuw inspanning niet gelukt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden