Afdaling: snelheid, dynamiek en gevaar

VAL D'ISERE - Discutabel was de Olympische afdaling in Val d'Isere reeds voor de eerste wedstrijd van belang er op was afgewerkt. De meningen botsten: superlatieven tegen walging. Maar toevalstreffers, zoals de snelheidsloterijen in vroegere tijden wel opleverden, die waren door de extreme moeilijkheidsgraad bij voorbaat uitgesloten.

ROB VELTHUIS

Het enige dat daarom enigszins tegen de verrassende winnaar Patrick Ortlieb kan pleiten, was het voordeel dat hij zich als eerste mocht wagen aan wat het grootste spektakel van de Winterspelen had moeten worden. De machtige, steile wand waarop piste-architect Bernhard Russi volgens sommigen een geheel nieuwe discipline in het alpine-skien heeft geschapen, lag gisteren pal in de felle zon. Bij de start om 12.15 uur was het op twee kilometer hoogte reeds vijf graden boven nul. En het had er daadwerkelijk lange tijd alle schijn van, dat deze klimatologische omstandigheid beslissend was. Het was uitgerekend de Fransman Franck Piccard die als 23ste in de startvolgorde de Oostenrijker op een fractie benaderde en de sceptische theorie weerlegde. Zodat het koningsnummer van de Winterspelen niet geheel in een anti-climax eindigde.

Het is bepaald geen vriendelijk gezicht dat La Face de Bellevarde aan Val d'Isere toont. Een kale, vrijwel verticale rots, die slechts in de winter dankzij een dikke, witte schmink-laag toonbaar is. Toen organisator Jean-Claude Killy oudOlympisch kampioen Russi in 1987 meetroonde naar de berg, was zijn eerste reactie: "Geen mens op ski's komt daar naar beneden" . Pas toen de parkoersontwerper de slechts van bovenaf zichtbare 'vlakke' richels waarnam, accepteerde hij het aanbod om een 'super-afdaling' te creeeren.

Het voornaamste argument dat voor de locatie pleitte, was dat vanuit Val d'Isere tachtig procent van de 972 meter lange afdaling voor toeschouwers waarneembaar is. En in de ogen van die getuigen lijken de deelnemers voor een haast onmogelijke opgave te staan. Snelheid en dynamiek, daar gaat het om tijdens de Winterspelen en als daarbij ook het gevaar zo duidelijk voelbaar en zichtbaar is, is voor de showmakers succes verzekerd. Steeds frequenter gaan stemmen op, dat in afdaling en super G de grenzen inmiddels zijn overschreden om de commercie te paaien. Het moderne materiaal heeft de snelheden enorm doen toenemen, waardoor met name knie- en enkelgewrichten te zwaar worden belast. Pas de dood van Gernot Reinstadler vorig jaar in Wengen, op wat als het snelste afdalingsparkoers ter wereld bekend staat, verontrustte ook de internationale skifederatie FIS. Niet in het minst omdat de ski-industrie plots dreigde met een sterke vermindering van sponsorbedragen. Voor die tijd voelden met name de skiers Bittner en Girardelli zich roependen in de woestijn.

Keuringsfeest

Een van de eerste maatregelen die de FIS afriep, is de voorwaarde dat elk WK of Olympisch parkoers van te voren in een wereldbeker-wedstrijd moet worden uitgetest. Val d'Isere was daarvoor de eerste gelegenheid, maar het keuringsfeest ging niet door. De begin 1991 geprogrammeerde wedstrijd werd wegens hardnekkige mist afgelast; de herkansing in december werd op het oude, in de ogen van de organisators te trage parkoers gehouden omdat men de Olympische afdaling te zwaar vond, zo vroeg in het seizoen. De vraag rijst dan of de opdracht sowieso niet van een te hoog gehalte was.

Toen de Duitser Tauscher (gisteren zevende) voor zijn eerste training op de top aankwam, overwoog hij sterk de terugweg ook per skilift af te leggen. Vlak onder zich overzag hij het stuk waar binnen korte tijd een topsnelheid van 145 kilometer kan worden bereikt, waar de FIS tegenwoordig het Nederlandse snelwegmaximum van 120 als richtlijn hanteert. Die top is er snel weer af, maar het vervolg is van een ongeevenaarde gecompliceerdheid. 28 Bochten, zes passages met een dalingspercentage tussen de 50 en 63 procent; een gemiddeld verval van 37 procent, hetgeen inhoudt dat voor elke drie meter skien een meter hoogteverschil staat. Inderdaad, de bochten temperen de snelheid (tot een gemiddelde van ruim negentig kilometer per uur voor winnaar Ortlieb), maar het is natuurlijk de vraag of daarmee de veiligheid is bevorderd. Niet alleen van techniek, coordinatie, zelfbeheersing en concentratie wordt van de skiers het uiterste gevraagd, maar ook van de musculatuur, die de klappen van de resolute wendingen moet opvangen.

De echte afdalers kraakten de opdracht tot op zeeniveau af, daar zij een triomf van een technische geschoolde Super-G-slalommer vreesden. Maar Ortlieb is een afdaler pursang. Na het behalen van de belangrijkste triomf die er te vergeven is, beaamde hij dat het voor de toeschouwer inderdaad spectaculaire avontuur van gisteren niets met een afdaling te maken heeft. "Dit succes verandert mijn mening over het parkoers niet. Het heeft als afdaling geen toekomst, het is te langzaam. Op zo'n piste kan je als afdaler niet jezelf zijn" .

S-bocht

Russi houdt van extremen. Voor de wereldkampioenschappen in Vail van 1989 creeerde hij een verijsde Sbocht zoals bobsleeers die kennen. In Val d'Isere schiep hij een compromis tussen snelheid en techniek, tussen risico en zekerheid. Picard: "Dit is goed voor het imago van het skien. Technisch vergt het het uiterste en de snelheid is hoog. Zo hoog dat ik mijn Super G-ski's er niet voor durfde te gebruiken" . Criticasters menen dat Russi een monument heeft geschapen ten koste van de skiers. Op financiele kosten behoefde hij van de organisatie niet te sparen. Temeer daar de Amerikaanse televisiemaatschappij CBS zich bij het zien van de nog ruwe berghelling aanbood de uitzendrechten met enige miljoenen dollars te verhogen, indien de 'superafdaling' zou kunnen worden gerealiseerd. Aanpassing van het parkoers vergde meer dan vier miljoen gulden; voor skiliften en skistations op de helling waarop ook de combinatie, Super G en reuze-slalom wordt afgewerkt, werd 8.5 miljoen uitgetrokken.

De inspiratiebron van Ortlieb, een monument in Lech, kostte slechts een fractie van die investering. In het tegenover de school in zijn woonplaats staande gedenkteken las hij als jong knaapje dagelijks de ingekerfde namen van Oostenrijks Olympische skikampioenen. Trude Jochem-Beisse (1952), Orthmar Scheider (1956) en Egon Zimmermann (1964). Zoals vele van zijn leeftijdsgenoten in zijn land, droomde hij er ooit bijgevoegd te zullen worden. Als uit de kluiten gewassen kerel van 1.89 meter en 93 kilogram meldde hij zich gisteren bij de graveur zoals zijn landgenoot Stock dat in 1980 in Lake Placid deed: direct met zijn eerste triomf.

Ortliebs eerste grote confrontatie met de internationale pers, enkele uren na zijn zege in een ruim gevulde theaterzaal, was van een beschamend niveau. De 24-jarige student realiseerde zich amper wat hij had gerealiseerd, toen de openingsvraag luidde of hij tijdens zijn tocht had gedacht aan Gernot Reinstadler, die voor zijn dramatische ongeval een teamgenoot van hem was geweest. Of hij zijn medaille ter nagedachtenis aan zijn vriend opdraagt? Stompzinnig gelach links en rechts, toen Ortlieb de vraag door een technische storing eerst niet begreep en er vervolgens nauwelijks raad mee wist. Uiteraard had hij er op dat moment niet aan gedacht. "Ongevallen en missers probeer ik zoveel mogelijk weg te steken" . Wat kan een afdaler die extreme risico's trotseert anders antwoorden?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden