Af en toe zeggen ze iets tegen elkaar

Hopeloos en horendol kun je er van worden: het boek dat je al jaren zoekt is niet voorhanden en wordt nooit meer herdrukt. En opeens, zomaar op een onvermoede dag, en terwijl je iets anders zocht, heb je het in handen. In deze zomerweken dolen vijf redacteuren door Neerlands antiquariaten op zoek naar hun (verloren) hartstocht en berichten over hun bibliofiele triomf of nederlaag. A propos; wie baron Aeneas Mackay was? Formateur en minister van Binnenlandse Zaken in het eerste coalitiekabinet van 1888, later minister van staat. Over zijn mistgehalte vermeldt de encyclopedie niets.

Dank zij die beeldende uitleg wist je zo ongeveer de twee gemoedstoestanden uit elkaar te houden, al begon gaandeweg iets te knagen aangaande de strengheid van deze classificatie. Waren Optimist en Pessimist elkaar niet veel dichter genaderd dan ze zelf voor mogelijk hielden? Kennelijk hebben beiden de pest aan mist, maar dan: wat is er eigenlijk mis met mist? Miste er tussen die twee polen niet een derde karakter, een - hoe zou die heten - Mistsympathisant? Zo eentje die Optimist en Pessimist allebei wel mag, hen goed verstaat, maar ondertussen zelf wat laconieker is. Zo'n typje van: 't Kan Vriezen / 't Kan Dooien, zeg maar. Als het niet vriest en ook niet dooit, stijgt de kans op mist immers aanzienlijk, en afgezien daarvan kan een weifelende scheidsrechter nooit kwaad.

Met zo'n derde figuur in de wei lijkt opeens, en toch sluipenderwijs, ook Onverschilligheid z'n intree te hebben gedaan. Misverstand. Het moet uitgerekend niet klinken als: Wat kan mij die mist nou schelen!, het is eerder een kwestie van: Ach, laten we ons - voor zolang als dat duurt - met die mist verzoenen. En laten we ondertussen het poëtisch gehalte van mist maar eens nader en vooral empirisch bezien.

Ooit ben ik ontvoerd door een vriend die je zo'n Figuur van de Mistigheid zou kunnen noemen. (Ten overvloede: mistigheid heeft in deze context niets met wolligheid te maken.) Hij wist - en weet dat nog steeds - heel goed wat hij wilde, en nog veel beter wat hij niet wilde. Soms was hij peilloos somber, wat hij onder gelaten ernst wist te verbergen, maar doorgaans was hij opgeruimder dan de schalkst kirrende baby die in de wieg net z'n eerste spiegeltje gekregen heeft.

De ontvoering leidde zuidwaarts. Ik was onwetend, maar niet geblinddoekt. Aangezien mijn Vriend van de Mistigheid een theaterverzotteling is en de tijd van het jaar er rijp voor was, vermoedde ik dat we op weg gingen naar het Theaterfestival van Avignon. Maar al bij Schiphol sloegen we linksaf. Weliswaar had die afslag ons alsnog naar Avignon kunnen voeren, maar het vliegtuig landde nou eenmaal in Londen. Daar zette de reis zich noordwaarts voort, om te belanden in Shakespeares eigen Stratford-upon-Avon.

We gingen een reeks voorstellingen van de Royal Shakespeare Company zien. Diezelfde middag nog, een kwartier nadat de bagage in het hotel was gestald, zaten we met onze snufferd bovenop 'Romeo and Juilet'.

A glooming peace this morning with it brings; The sun, for sorrow, will not show his head: Go hence, to have more talk of these sad things: Some shall be pardon'd, and some punished: For never was a story of more woe Than this of Juiliet and her Romeo. (Exeunt).

Allen af, zo ook wij. Met een linkervliegtuigoor nog dicht zat ik op het grasveld voor de drie Shakespeare-schouwburgen. In plaats van een gespierde rivier met wulpse wendingen en in late zomerzon tintelende oevers daarginder, bleek de Avon een vertakking van een pleziervaarderskreek, zoniet een sullemanssloot. Kermisrood/blauw en -geel geverfde rijnaken van amper anderhalve meter breed en nog geen polsstok lang, tuften voorbij. Zoetwaterstuurlieden bleven elkaar maar gedag zeggen en lieten elkaar voorgaan, waardoor er ver voor de sluis - nouja, Paulus had er na veel wikken en wegen en pas op de valreep missschien een Kabouterhemelpoort in herkend - fluviale file op file ontstond.

Caravankozijnen in plaats van patrijspoorten. Gordijnen en vitrages gedrapeerd als in een vlooientheater, met daarachter - Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam - misschien wel echte begonia's en sanseveria's. Gesteld dat Shakespeare van varen had gehouden, en dan ongetwijfeld een katamaran aangeschaft had, was hij gezien de Stratfordse slootbreedte met beide benen in die vervloekte Britse grond verankerd gebleven.

Jazeker, we waren bij Shakespeare, maar wis en waarachtig en passant ook in Engeland.

Heldhaftig, laat staan dankbaar, kan ik m'n gedrag niet noemen. Min of meer vrijwillig laat je je ontvoeren, en nog voordat de zon die very day zinkt, probeer je dat roemrijke United Kingdom, ook wel en niet zonder reden UK geheten, dat desalniettemin ooit de golven beheerst moet hebben, tot een spelevarend kleuterdom te verkruimelen. Niet doen; zelfbeheersing luidt het plaatselijke parool.

Hoe besloot Shakespeare zijn Romeo & Julia? Volgens Gerrit Komrij zo:

Dof is de vrede hedenmorgen, vaal. De zon wendt zich ontroostbaar van ons af. Kom, elders verder met dit droef verhaal. Er zij vergiffenis - en er zij straf. Nooit trof een bitter lot twee mensen zo Als hier nu Julia en haar Romeo.

Als je het Britse Madurodam-gespetter laat voor wat het is, is het zo slecht toeven nog niet op Shakespeares gazon. En al helemaal niet wanneer je zijn oeuvre in handen hebt in de hertaling van de Vlaming Willy Courteaux. Mijn Vriend van de Mistigheid had 'Courteaux' meegenomen - 's ochtends lazen we op het gras in het Vlaams wat we 's middags en 's avonds in het Shakespeareaans zouden horen. Temidden van de processie der Nederlandstalige Shakespeare-hertalers (Burgersdijk, Verkade, Voeten, Claus, Komrij) is Courteaux misschien niet de meest hedendaagse - zo dat al moet - maar onbetwist de frivoolste en kruidigste. De verzuchting 'Wat is Shaky toch speels & knap!' sloeg al gauw om in de vaststelling 'Wat is die Courteaux toch vindingrijk!'

Terug in Nederland opende ik de jacht op 'Courteaux'. Maar hoe ik ook soebatte en zocht, ik kreeg ik 'm niet te pakken. Na nog niet eens zulke eindeloze dwaalwegen - het web van boekwinkels en antiquariaten is klein maar hecht; men verstaat de kunst der trefzekere verwijzing - belandde ik bij 'Het Martyrium' aan de Amsterdamse Van Baerlestraat. Die zou over de ganse Courteauxbuit van Nederland beschikken. Ik rook m'n prooi, en zette onverschrokken een hoornconcert van Haydn op. Jazeker, het was juist: 'Het Martyrium' had stapels Shakespeare-Courteaux' opgekocht, die daarna in de ramsj gedaan, dat was een half jaar geleden al gebeurd. 'Nee, er is geen enkel exemplaar over.' Verwarring verdreef hoorngeschal: sinds jaar en dag liggen 'The complete works of William Shakespeare' in Pordes-uitgave voor een appel en een ei bij De Slegte (vast om die onleesbaar geworden Duitse chocolade-typografie) maar sinds wanneer is die monumentale Courteaux-toegankelijkheid al weer ramsjwaardig? Als lagere scholen hun zesdeklassers, zoals de Aeneas Mackay met de bijbel in de vertaling van het 'Nederlandsch Bijbelgenootschap bewerkt door de daartoe benoemde commissies (1967)' uitwuiven, zou elke middelbare school haar scholieren toch zeker met Courteaux' Shakespeare moeten uitluiden? Ook 'Het Martyrium' had daar wel bij gevaren, en Courteaux was terecht en vermoedelijk tot het eind der tijden herdrukt.

Een typisch geval van nederlaag dus, die weliswaar niet naar zand proefde maar allerminst zoet was. Ach, zou Optimist zeggen, er komt nog wel eens een andere vertaler. Of je vindt 'Courteaux' alsnog, op een moment dat je niet aan het zoeken bent. Al goed, laten we - grrh & grom - de blik naar elders wenden.

Op voorspraak van K. Schippers kreeg de redactie van het cultureel opinieblad 'Hollands DieP' in 1975 de schrijver Bob den Uyl zo ver om naar Beilen te reizen teneinde daar een reportage over de Molukse treinkaping te maken. 'Hollands DieP' - waarschijnlijk het beste tijdschrift dat Nederland ooit kende - bestaat niet meer, en Bob den Uyl is ook al overleden. Het oeuvre van Den Uyl kun je, naar Gerard Reve, trefzeker typeren met: Glorieus Geoudehoer. De ik-persoon strompelt steevast als een literaire Jacques Tati door Den Uyls verhalen: met frisse tegenzin wil hij alles beproeven en ondergaan, terwijl alle pogingen bij voorbaat tot mislukken gedoemd zijn. Den Uyl smeedt voortdurende nederlagen tot constante triomftochten. Gerrit Komrij beoordeelde hem aldus: “Vreugde, getemperd door neerslachtigheid, zal uw deel worden. IJzig geouwehoer, smaakvol opgedist, ook. Een hoogst prikkelend gevoel van desorientatie. En een uitermate bedrieglijke eenvoud, die goddank de paar mensen zal afstoten die op gedrukt papier, face en face, geworstel willen zien. En er gebeurt bij Den Uyl genoeg, ook al gebeurt er niets.”

De redactie van 'Hollands DieP' kon op haar vingertoppen nagaan dat het met die reportage niets worden zou, en dat was ook precies de bedoeling. Er verschenen al krante-artikelen of zogeheten sfeerverhalen genoeg over die weken van gestold drama: er gebeurde niks, een trein met passagiers staat wel eens vaker in niemandsland stil, en tegelijkertijd was er een wereldberoemde kaping gaande. (Met in het kielzog daarvan een Molukse gijzeling in Amsterdam, waardoor in journalistieke kringen het flauwe begrip kapeling ging circuleren.)

Dat exemplaar van 'Hollands DieP' dus, - Jaargang 1 / Nummer 4 / 20 december 1975 - moest ik hebben. Geloof het of niet: na jaren van even sluimerend als tactisch afwachten kreeg ik het bij Egidius ('Koopt goede boeken') aan de Haarlemmerstraat in Amsterdam te pakken.

M'n vage herinnering bleek niet helemaal onjuist: op weg naar het oorlogsgebied Beilen maakt Den Uyl zich al zorg over de veiligheidsriemen in de auto en de raampjes die op mysterieuze wijze (in '75!) niet via een draaiarmpje in de deur, maar ergens bij de versnellingsbak geopend of gesloten kunnen worden. Hij nuttigt een speciaal aanbevolen Hunebedschotel ('2 varkensoesters, aardapp., groente en fruit') voor ¿ 8,50, ontmoet een Engelse journalist die beroepshalve wel wil weten hoe het nou met die rare Zuidmolukkers zit. Den Uyl probeert hem met Jan Pieterszoon Coen en de Oost-Indische Compagnie nog naar de treinkaping te leiden, maar de Brit is met zijn gedachten al ergens anders. ('Voor het eerst in Nederland was hij in Beilen, waar het ook nog koopavond was, van de ene verbazing in de andere gevallen bij het aanschouwen van de belachelijk lage whiskyprijzen. Nog geen derde van de prijzen in zijn eigen land, waar deze drank nota bene vandaan kwam!')

En passant geeft Den Uyl een karakterschets van de Drenth. “Waren het in Beilen luidruchtig lachende soldaten en opgewonden op hun fietsen heen en weer schietende Beilenaars met een 'eindelijk-gebeurt-hier-iets'-uitdrukking op hun gezichten, hier (Wijster) zijn het de plaatselijke bewoners die schaterend spottende opmerkingen maken als een groep in nachtblauwe uniformen geklede militairen in gepantserde voertuigen wordt geladen. Tot mijn vreugde worden deze opmerkingen op volmaakte wijze tot zwijgen gebracht door een sergeant, die roept dat ze nog een aantal domme boerenjongens nodig hebben om bij de aanval voorop te lopen; zelf vaak geplaagd door een esprit d'escalier bewonder ik zulke ad remme opmerkingen zeer. Anderzijds heb ik ook weer ontzag voor de mensen uit deze streek; in een enkel colbertje of trui staan ze blozend van gezondheid in de gure kou van de nacht, terwijl ik sta te vernikkelen in mijn geheel toegeknoopte wind- en waterdichte jas met inritsbare voering van uitzonderlijk hoge kwaliteit.”

De triomf in z'n reportage bereikt Den Uyl bij de beschrijving van een persconferentie waarin veel en vooral weinig gemeld wordt:

“Daarna loop ik naar een plaatsje achter de opgestelde tv-camera's en zie onze drie rijksvoorlichters netjes op een rij in het volle licht der schijnwerpers zitten, pal voor de lens. Af en toe zeggen ze iets tegen elkaar en kijken dan weer zwijgend in de lens van de niet werkende camera, de bedienende manschappen zijn zelfs niet in de buurt. Het is een toneeltje waar ik mijn ogen maar moeilijk van af kan houden: de macht van de camera op ontstellende wijze gedemonstreerd. Denk overigens niet dat ik in de komende dagen niet een zekere bewondering voor deze mensen zal opbrengen. Niet dat ze het zo goed doen, maar toch ook weer niet slecht, en je moet er niet aan denken op welke wijze jij onder zulke omstandigheden, in de hoek gedreven door slimme vragen van binnen- en buitenlandse verslaggevers, je van de ene indiscretie naar de andere zou slepen.”

Zo lijd je een Shakespeare-nederlaag, en zo fonkelt de poet je tegemoet, want behalve dat exemplaar van 'Hollands DieP' wacht nóg een blijde tijding. 'Als af & toe de dag wat somber oogt', luidt de eigen reclametekst, 'is er altijd nog. . . boekhandel Schimmelpennink' aan de Amsterdamse Weteringsschans. Daar drommen zowel Optimist als Pessimist plus overige Mistliefhebbers samen. De opstelling van de boekenkasten is even klassiek als de ter plekke afgespeelde muziek - als je geluk hebt kruist daar ook de - door operanichten geannexeerde maar desondanks ook elders en anderszins geprezen - wereldsopraan Nelly Miricioiu (als Roemeense Tosca!) je weg, en anders weerklinkt Pieter Wispelwey's cello wel. Daar, op diezelfde Weteringsschans, openbaren zich opeens twee tijdloze wijsheden. 1) Wie iets vindt heeft slecht gezocht (Kopland). 2) Het doel van de reis is de reis zelve, niet de bestemming. Op de toonbank ligt 'Hier klopt iets niet' - De beste verhalen van Bob den Uyl. Uitgeverij Querido heeft een laat maar verstandig besluit genomen door vier jaar na Den Uyls dood (1992) een retrospective te publiceren.

Den Uyl was natuurlijk een aartspessimist. Met de mensheid in het algemeen komt het nooit meer goed, na de verschrikking van de Eerste Wereldoorlog al helemaal niet meer. Hij beschreef Optimist en Pessimist eens als twee reizigers die in een vreemde plaats aankomen. Voor het station worden werkzaamheden verricht; zowel Optimist als Pessimist valt in een kuil. Optimist moppert, z'n dag is verknald. Pessimist is blij dat hij been noch enkel brak, en ziet de dag opgewekt tegemoet: na zo'n tegenslag kan er niets meer mis gaan.

Het was Bob den Uyl, eeuwen na de Aeneas Mackayschool, die het inzicht verschafte dat een pessimist welbeschouwd een aartsoptimist is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden