Adoptiegod

jeugd | Stephan Sanders ging een beetje proefgeloven. 'Ik neem het woord God in de mond, om te zien of ik het kan uitspreken zonder te giechelen', zei hij in Trouw. Op deze plek doet hij maandelijks verslag van zijn vorderingen.

Een mail van een neef die ik zelden zie. Zo zelden dat hij zich in de aanhef van zijn schrijven nog even voorstelt, om mijn geheugen op te frissen. Hij is een stuk ouder dan ik, hij heeft mij met jongvolwassen ogen gezien, en als baby keek ik een stuk minder scherp terug. Neef is bezig de stamboom uit te zoeken van de familie Sanders, hij is al een heel eind op weg in het verleden, maar nu merkt hij dat hij vastloopt in de tegenwoordige tijd, en met losse eindjes blijft zitten. Met mijn zusje en mij. Kan ik hem vertellen hoe de familiesage aan onze kant verder gaat?

Ik ben snel klaar. Zelf: nul kinderen, full stop, einde traject. Zusje is allang dood, maar liet wel drie kinderen na, die evenwel geen Sanders heten. En om het nog wat overzichtelijker te maken: ik werd onder een andere familienaam geboren, mijn zus kende weer een andere, want we zijn broer en zus maar niet biologisch. Ik citeer: 'Adoptie: aanname van een persoon als kind. In juridische zin is adoptie de breuk van de familieband tussen biologische ouders en hun kind en tegelijkertijd de vaststelling van een nieuwe wettelijk geldende familieband (...).'

Op dat lange spoor van de familie Sanders ben ik een zeer kort traject. Mijn bijdrage aan het geheel bestaat uit één enkel leven, en wel het mijne. Begin- en eindhalte ineen. Ik bedoel daar niets melancholisch mee en zeker niets droefgeestigs, omdat de verwondering over de 'aanname van een persoon als kind' het ruimschoots wint van de treuriger aspecten.

Verwondering

Ik zocht niet, maar werd gevonden - dat is toch wel de meest eenvoudige manier om de hele procedure te beschrijven. Je hebt de inventieve zin van Rutger Kopland, 'wie wat vindt heeft slecht gezocht', maar ik heb niet rond gespeurd, daar was ik fysiek niet toe in staat, net zo min als de meeste baby's. En toch gevonden. Niet alleen dat: aangenomen zelfs. Dat betekent: de buitenstaander wordt binnengehaald als familielid, erfgenaam, deel van de clan.

Dezelfde verwondering treft me als ik over het geloof denk, dat steeds meer het mijne wordt. Ik vind het script-technisch gesproken beter als ik kan wijzen op een ongedurige queeste, die uiteindelijk resulteerde in God en geloof. Woestijnjaren die tandenknarsend en handenwringend zijn doorgebracht. Maar zo ging het niet. Eerder heb ik het idee dat ik gevonden werd, bezocht, als door een engel, zonder dat ik actief op zoek was. Een zin uit 'Mijn heldere afgrond', het boek van de Amerikaanse dichter Christian Wiman, in de vertaling van Willem Jan Otten: 'Ik heb de pijn van ongeloof nooit gevoeld tot ik begon te geloven.'

Suikerzoet

Nu moet ik een woord gebruiken dat drie, vier jaar geleden op mijn tandglazuur zou zijn afgesprongen, zo suikerzoet vond ik het. De genade. Als 'Gods' welwillende toewending tot de mens'. Het woord 'genade' komt, merk ik, nog steeds onwelwillend uit mijn laptopvingers. Maar dat ik als baby werd gevonden en aangenomen, heeft me ontvankelijk gemaakt voor het gevonden en aangenomen worden in het algemeen.

Of, specifieker: de 'aanname van het geloof' lijkt in retrospectief een bewuste herhaling van hetgeen me op zeer jonge leeftijd is overkomen, toen als levenslot. Alles wat beeldsprakig, gezocht en, laten we eerlijk zijn, een beetje gek klinkt in Bijbelse taal, komt mij voor als een tamelijk precieze beschrijving van mijn geschiedenis. Jesaja 65: 'Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden. Ik ben gevonden van degene, die mij niet zochten.'

Mijn ouders zijn me overkomen, net zoals dat bij veel mensen is gebeurd. Het enige verschil is dat de match net wat minder voor de hand lag. Er kwam aanname bij kijken, aannemen en aangenomen worden. Je struikelt over elkaar, en loopt niet door, maar stopt en denkt: het valt precies goed.

Strafwerk

De casus Maria - niet aangeraakt door de erfzonde, denkelijk geen gemeenschap met Jozef, en toch kwam daar een kind van. Zwangerloos moeder worden, Jozef de vader, terwijl de Zoon ook nog een andere Vader heeft. Ik vond het als kind al: gesneden koek. Letterlijk, van jongs af aan de tekst die mijn moeder zo drie, vier keer per jaar oplepelde: 'Je weet toch dat je ook nog een andere moeder hebt, en een andere vader...' Het klonk als strafwerk, dat ze zichzelf had voorgeschreven, en dat op gezette tijden lijdzaam werd opgedreund.

De ontvankelijkheid voor het geloof heeft alles te maken met de ontvankelijkheid van mijn ouders voor kinderen die niet op hen leken, en die eigenlijk niet, maar toch helemaal wel de hunne waren. Het idee, dat je in een ander verband kan worden opgenomen dan te voorzien viel. In een ander Verbond. De mogelijkheid van geest- eerder dan van stamverwantschap.

En toch ook, moet ik nu toegeven: dat hele dunne en ultrakorte spoor, dat ik heb getrokken in de stamboom van de familie Sanders; dat het daar niet bij hoeft te blijven; dat er familie kan worden aangemaakt, en dat er vóór mij andere mensen waren, vreemden, die dezelfde riten uitvoerden als die waarmee ik nu vertrouwd raak; dat zoiets een gemeenschap is.

En welja, dat God voorligt ter adoptie, en wordt aangenomen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden