Adieu de heele bliksemsche boel!

'De leesbaarheid van een drukletter bezit een nauwkeurige parallel in de hoorbaarheid van de menselijke stem. Een voorlezer moet elk woord hoorbaar en duidelijk uitspreken; maar binnen de grenzen der hoorbaarheid ligt de gehele variatie van spreekstijlen, van de saaie, eentonige dreun tot de oneindig flexible en overredende toon van de goede spreker. De letter is de stem van de gedrukte pagina. Ze kan leesbaar en vervelend, of leesbaar en boeiend zijn, al naar haar ontwerp en uitwerking. Met andere woorden, er is verschil tussen leesbaarheid volgens de boekenliefhebber en leesbaarheid volgens de oogarts.' Aldus Beatrice Warde. Deze regels spreken in Lutetia, het eerste ontwerp van J. van Krimpen (1925). 'J. van Krimpen & het 'schoone boek' - boekverzorger & letterontwerper' t/m 9 september in Museum Meermanno Westreenianum/Museum van het Boek, Prinsessegracht 30 in Den Haag. Dagelijks, behalve zon- en feestdagen. In het Koninklijk Instituut van Ingenieurs, Prinsessegracht 23 in Den Haag, praten vanavond vanaf 19.30 uur de ontwerpers Frank Blokland, Chris Brand, Peter Matthias Noordzij, Gerard Unger en Peter Verheul publiekelijk over letters en over Jan van Krimpen. Daaraan vooraf gaand geeft Henk Drost een demonstratie stempelsnijden. 'Vier opstellen over J.C. Bloem', A.L. Sötemann, Athenaeum, 1979. 'Boek over het maken van boeken', Huib van Krimpen, Gaade Uitgevers, 1986. 'Adieu aesthetica & mooie pagina's! - J. van Krimpen en het 'schoone boek', letterontwerper & boekverzorger 1892 - 1958', Sjoerd van Faassen, Koosje Sierman, Sjaak Hubregtse, uitg De Buitenkant, 1995.

Aan zijn vakbroeder Stols schrijft Van Krimpen in 1927 naar aanleiding van een uitgave van William Blakes 'The marriage of heaven and hell': “Wat jij logica - in tegenstelling tot aesthetica (een begrip waarvan ik heel weinig verstand heb!) noemt noem ik litteratuur in de typographie. Typographie is, volgens mij, te beter naarmate ze minder duidelijk is. Ik zal nooit, in mijn eigen oogen, zoo'n goed boek gemaakt hebben als dat waarvan de kenners zeggen dat het prachtig is & de leeken dat ze er niets aan zien dan dat ze het gemakkelijk kunnen lezen. Adieu aesthetica & mooie pagina's! Adieu kleuren! Adieu titels & initialen! Adieu de heele bliksemsche boel!”

Een makkelijke man kun je Van Krimpen moeilijk noemen. Hij was voor zichzelf niet gemakkelijk, voor z'n letters niet en voor z'n medewerkers bij lettergieterij en drukkerij Joh. Enschedé niet. Op een van de weinige foto's die van hem bestaan, en die vanaf morgen te zien is op de tentoonstelling 'J. van Krimpen & het 'schoone boek' in het Museum Meermanno Westreenianum in Den Haag, blikt hij, gezeten achter z'n bureau met boekenkast achter zich, in de camera. Hij draagt een van z'n driedelige maatkostuums die hij in Londen liet maken. Zijn blik liegt er niet om; die verraadt een gewichtigheid die naar dwangmatigheid neigt.

Zijn zoon Huib van Krimpen (ook typograaf) beschrijft in z'n 'Boek over het maken van boeken' haarfijn de klassiek geworden lettertypes Lutetia (zie boven) en Romulus en waagt het zelfs zijn steile vader lichtelijk te kapittelen. “Evenals die van Eric Gill lijken de letters van Jan van Krimpen sterk op elkaar: het eist een geoefend oog de verschillen te zien, maar Lutetia maakt het de beschouwer gemakkelijk. De letter is smal en mager, met een kleine x-hoogte en heel lange staarten. Kenmerkend is de opvallend schuine dwarsbalk van de e (er is ook een alternatieve rechte e), het grote onderste oog van de g en de verrassend vette r. De j is nauwelijks gebogen (evenals J) en heeft evenals i een heel klein ruitvormig puntje, dat er niet recht boven staat. De h is (te) smal, E en F zijn daarentegen (te) breed. De kapitalen zijn even hoog als de stokletters en eigenlijk iets te groot. Lutetia is alleen geschikt voor tekst- en romanpapieren en het best in de grotere corpsen. Ze kan een geringe interlinie hebben. Het is minder verstandig Lutetia voor langere teksten te gebruiken, omdat haar eigenaardigheden de lezer kunnen gaan irriteren.”

Kennelijk jongleerde Van Krimpen in het oproepen van irritatie. Zijn Romulusletter, “een jaar of zeven jonger dan Lutetia, is door een Fransman eens een 'calvinistische letter' genoemd - een typering die moeilijk te verbeteren is. De verwantschap met Lutetia is onmiskenbaar, maar de verschillen zijn niet minder duidelijk. 'Romulus' is een 'strenge', 'intellectuele' letter, die de bescheiden zwier van Lutetia mist. Ze heeft een koele, maar ook monumentale ingetogenheid van de gewitte gotische kerk. Romulus is goed voor 'leesboeken' (als er maar geen cursief nodig is). Twijfel kan rijzen over het corps: 12 is vaak wat groot, en 10 veelal wat klein. Daardoor is Romulus een 'moeilijke' letter. Uitsluitend voor tekstpapieren, met een maximale interlinie van één punt”, aldus de aanbeveling van Huib van Krimpen.

En nog dieper gaat hij op deze gewichtige materie in als hij de Romulus naast zijn vaders Spectrum zet, waarbij je het typografisch hart duidelijk hoort kloppen. De puntjes moeten nou eenmaal onverdroten op de i worden geplaatst. “Vergelijking van Spectrum met Romulus is even boeiend als de vergelijking van Romulus met Lutetia. Oppervlakkig gezien lijkt Spectrum (begonnen in 1942) ofschoon iets zwarter dan Romulus, vooral sierlijker en spontaner, maar overigens niet zó verschillend van Romulus. Maar terwijl Romulus een breedlopende letter is, blijkt Spectrum verrassend zuinig. De onverwachte en opvallende smalheid van Spectrum berust op de omstandigheid dat het ontwerp oorspronkelijk bedoeld was voor een bijbel, waarbij zuinigheid immers een belangrijke voorwaarde is.”

Van Krimpens vroegste boekverzorging dateert van 1912, voor 'De Witte Mier' (niet: 'De Gekwetste Letter'; een letter die niet compleet afgedrukt kan worden), een door J. Greshoff geredigeerd 'klein maandschrift voor de vrienden van het boek'. Daarin leest Van Krimpen zijn collega-boekbinders de volgende les: “De bedoeling van iemand die u een boek brengt is dat hetzelve beschermd, verstrekt en zoo noodig hersteld, worde, wil daarom niet beginnen met het te verminken en bijkans onherstelbaar te beschadigen. Zeker: ongelijke sneden zijn stofnesten en het is dwaasheid om ze mooi te vinden of - zóó ver gaat men thans vaak! - zelfs te aanbidden. Maar het is niet noodig, als ge het geluk hebt ze gelijk te mogen maken, om rondom groote hompen papier van een boek af te hakken. (-) En ten slotte: matig u als ge gaat stempelen. Een titel op den rug en een lijntje of een stipje hier en daar op het afmaaksel zijn voldoende.”

In 1917 begon Van Krimpen een serie literaire uitgaven in eigen beheer, die in 1920 zou resulteren in de reeks Palladium. Samen met Greshoff (ooit zijn zwager) en J.C. Bloem (met wie hij jaren op voet van oorlog stond) en P.N. van Eyck verzorgde hij 'De Zilverdistel'. In zijn opstel 'J.C. Bloem en Jan van Krimpen' verhaalt A.L. Sötemann over hun oplaaiende en verkoelde vriendschap. “In opdracht schreef Bloem ten slotte op 10 februari 1953 de tekst voor het monument op de Grebbeberg, waarvan Van Krimpen de vormgeving voor zijn rekening nam. Een waardig besluit van een literair-typografische symbiose. Kort voordien had de dichter, die zich aan 'accidentele' poëzie niet zo vaak te buiten ging, een kwatrijn geschreven ter gelegenheid van Van Krimpens zestigste verjaardag, dat niet tot zijn meesterwerken behoort, maar dat een ware en juiste karakteristiek behelst:

Men achtte oudtijds diengene een ketter, Die min den geest dient, dan de letter. Maar wie dient beide alom het meest? Hij die de letter maakt tot geest.

Het liber amicorum voor Van Krimpen, waarin ook dit kwatrijn staat, is nu in Meermanno Westreenianum te zien. Ook de belettering van A. Roland Holsts 'cryptogram' op de achterwand van het nationale oorlogsmonument op de Dam - bijna duizend letters -, is het werk van Van Krimpen. Hij moest daarbij de granietvoegen van de wand zien te omzeilen: hier en daar paste Van Krimpen een kapitale p aan om te voorkomen dat de voet van die letter optisch in een naad zou struikelen. De letterhakker berichtte Van Krimpen naderhand: “Mijn pijn bestond het meest daarin, dat ik het volmaakte van Uw letter slechts kon benaderen, niet bereiken. Hoogachtend, J.M. Veldheer.”

Van Krimpen omringde zich met schrijvers en dichters. In het boek dat ter gelegenheid van de tentoonstelling verscheen, behandelt Sjoerd van Faassen de vormingsjaren van Van Krimpen. “Albert Besnard beschreef bij de vijfenzestigste verjaardag van Greshoff hun vriendenclubje, waarvan ook Van Krimpen deel uitmaakte, als 'oproerlingen, die de literaire wereld van die dagen gingen hervormen'. Ook zijn schildering van de bijeenkomsten van J.C. Bloem, Greshoff, Van Krimpen, de boekhandelaar Henri Mayer, de Belgische dichter Jan van Nijlen en de schilder Willem Paerels tijdens de eerste wereldoorlog in de reeds lang verdwenen Haagse Bodega op de driesprong van Papestraat, Hoogstraat en Noordeinde laat een onvermoed frivole, weinig serieuze Van Krimpen zien: 'Daar lieten Van Krimpen en VAn Nijlen hun ijskoude borrels ingetogen door het keelgat glijden, waarbij zij nu en dan enkele bezonnen en rake opmerkingen ten beste gaven, zonder het waardig rhythme waarin zij met de alcohol verkeerden, ook maar een ogenblik te verstoren'. Van Krimpen was tijdens deze bijeenkomsten aanwezig 'als de tolerante wijsheid zelve, om een oogenblik later bij wijze van nabrander op de keurig gesoigneerde manier, die hem eigen was, als laatste behoorlijk uit de koets te vallen'. Greshoff en Van Krimpen verzorgden tijdens dergelijke drinkgelagen volgens Besnard in de geest tal van uitgaven 'waarmede de wereld nog moest worden verblijd'.

Van Krimpens cijferzegels leidden in 1946 tot een ministorm in het filatelistisch periodiek 'Mijn stokpaardje'. De zegels zouden 'zo weinig smaakvols' tonen en waarom had de ontwerper zo kort na de bevrijding geen kans gezien om uitdrukking te geven aan de 'Nêerland leeft weer, Nêerland streeft weer!'-gedachte? In het Engelse Lagerhuis dacht men tegelijkertijd anders over de zegels: 'in every way pleasing and impressive'. Voor het vervangen van koninginnehoofden in louter cijfers moest je destijds lef hebben.

Voor de Amstelbrouwerij ontwierp Van Krimpen in 1948 de halfvette letters 'Amstel Bieren' en - voor 20 gulden per letter - 'een alphabet bestaande uit kapitalen van iets andere structuur dan die waaruit het woord Amstelbieren is samengesteld. Het huidige Amsteletiket heeft hooguit rudimentair nog de Van Krimpenletter.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden