Adelheid Roosen

Adelheid Roosen (Ergens tussen Teteringen en Ulft, 1958) is theatermaker, actrice en docente. Ze maakte begin jaren tachtig deel uit van de cabaretgroep Purper, deed mee aan Vara's Nachtshow en speelde in diverse films. Vorig jaar schreef ze 'De Gesluierde Monologen' waarin islamitische vrouwen vertellen over hun seksualiteit. Op 21 maart gaat, in de Amsterdamse Stadschouwburg, de voorstelling 'Romeo en Julia' in première, waarin Roosen een engel speelt.

1.Gij zult de here uw god aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

,,Er is een weten van binnen en dat is goddelijk van smaak. Ik heb nooit kunnen wennen aan de verbeelding van het goddelijke buiten mezelf. Ik ervaar het geloof in God-met alle respect-als een weigering om volwassen te worden. Het is net zoiets als het geloof in het koningshuis, in de regering of in de economie. Ik wil mijn eigen hobbels claimen, ik wil putten uit mijn eigen kracht. Ik wil de schuld niet bij de ander leggen, snap je? Je hebt dingen die je kan bewijzen enerzijds en je hebt het geloven anderzijds. Ik wil af van dat geloven; intuïtie kan bewezen worden. Dat is voer voor biologen. We zijn toch ook bij de discussie over een ronde of een platte aarde van 'geloven' bij 'weten' uitgekomen? Volgens wetenschappers gebruiken we slechts een klein gedeelte van onze hersenen. Is het niet oneindig veel fascinerender om te ontdekken wat we nog meer van die grijze massa kunnen gebruiken, in plaats van te blijven vasthouden aan wat we al weten? Splijt open die kop!''

2.Gij zult de naam van de heer uw god niet zonder eerbied gebruiken

,,Ik zoek een manier waarop ik een gelovige, zonder te kwetsen, kan bereiken. Ik wil tot een ontmoeting komen waarin we allebei de angst hebben afgelegd en in vrijheid naar de betekenis van religie kunnen kijken, zonder de verbinding te verbreken. Maar ik merk iedere keer weer dat de draad waarover ik moet lopen als die ander zich beroept op het gezag van God of Allah flinterdun is.''

3.Gij zult de dag des heren heiligen

,,Mijn moeder was vrij streng in haar katholieke opvoeding, maar van één ding wou ze af en dat was de mis op zondag. De zaterdagavondmis, vlak voor het eten, kwam haar veel beter uit. Bovendien hoefden we daar niet ver voor te lopen: er werd een mis opgedragen in de kapel van het Gemeentelijk Ziekenhuis, op vijf minuten afstand van ons huis. De priester die daar voorging had jaren in Afrika gewerkt en tijdens die periode allerlei rituele bijeenkomsten opgenomen. Zijn mis begon met een korte inleiding, daarna startte hij zo'n grote, oude bandrecorder en dan luisterden wij vervolgens drie kwartier naar die machtige trommels! Rammerdebammerdebam, rommerdebommerdebom, whieeeeeeee! Fantastisch! Het had niets met de kerk als instituut te maken. Het was bezieling, vervoering! Zo vreugdevol, zo rauw. Wij Hollanders noemen zoiets extreem, maar jongens, dát zijn onze normale grenzen! Wij zitten hier in een kramp. Daar kunnen ze in een zelfde seconde schakelen en het geluid naar boven tillen: hoger, hoger! O man... Ik ontspande mij volledig bij het geluid van die trommels. Voor mij was dat wat ze in de kerk God noemen. Als de band was afgelopen, gaf de priester nog wat tekst en uitleg en daarna gingen we weer naar huis. Geen hosties, geen gebeden, niets. Na twee jaar werd hij ontslagen. Er waren te veel klachten binnengekomen. Ik weet niet hoe het mij is gelukt, maar ik heb mij altijd kunnen vasthouden aan dat geluid uit die bandrecorder. Ik ben die priester eeuwig dankbaar.''

,,Hoe zal ik je dit uitleggen... ik begin te ontdekken dat ik meedogenloos én barmhartig kan zijn. Ik kan haten en liefhebben. Ik kan dus kiezen. Het wordt mij door mijn herinnering niet altijd even makkelijk gemaakt, maar ik heb er voor gekozen mijn ouders te eren. Iemand heeft mij ooit iets belangrijks geleerd. Hij zei: denken doet zichzelf. Ik kan dus getuige zijn van mezelf, als denkend mens. De herinnering aan alles wat mij is aangedaan is op dit moment niet aan de hand, maar ik kan die herinnering wel zo sterk maken dat ik er een huilbui van krijg en alles als het ware herbeleef. Wat ik niet wil is de herinnering vasthouden en daardoor de herinnering wórden, het verdriet wórden. Nee, ik wil je niet vertellen wat ik mij herinner-ik heb lang geleden besloten om in het openbaar niet meer over mijn moeder te spreken. Ik eer mijn moeder door over haar te zwijgen.

Mijn vader is dood. Met hem had ik een goede band. Hij was een grote, zwijgzame man. Zo'n drie of vier keer per jaar, sprong hij uit de band. Dan kwam hij op vrijdagmiddag thuis en riep: 'Pak je koffer, we gaan naar het Vrijthof!' Mijn zus en ik gilden dan van plezier, maar mijn moeder vond het altijd een enorm gedoe. 'Heb ik net het eten klaar...' Uiteindelijk ging ze wel mee. Met mijn vader kon je gruwelijk lachen, maar meestal was hij meer geconcentreerd, in zichzelf. Als er iets ernstigs was gebeurd op school, zei mijn moeder: 'Dit ga ik je vader vertellen.' Dan moest ik op zijn werkkamer komen. Vader zat achter het bureau, met een leesbril op zijn neus. Hij noemde mij Carlos-ik heb nooit gevraagd waarom. 'Vertel eens Carlos,' zei hij dan, 'wat is jouw kant van de zaak? Als ik klaar was met mijn verhaal, bleef het zenuwslopend lang stil. 'Goed,' zei hij tenslotte, 'gaat niet meer gebeuren hè?' 'Nee pap.' 'Ok, wegwezen.'

Het meest wonderlijke gesprek dat ik mij herinner, vond vele jaren later plaats. Ik was begin dertig, had de Nachtshow op televisie gepresenteerd en was om die reden een tijdje gebrouilleerd geweest met mijn ouders. Want wat ik daar allemaal voor onkuise dingen had gezegd en laten zien... Hel en verdoemenis waren mijn deel. Afijn, die storm was weer gaan liggen en op een dag brak mijn vader zijn been. Het was zijn slechte been, het been dat hij altijd omschreef als 'mijn poot' en de revalidatie verliep pijnlijk en moeizaam. Mijn moeder wilde een weekje met haar klei- en beeldhouwersclubje naar Zeeland en ik bood aan mijn vader te helpen. We hadden het goed samen. Ik deed de boodschappen, kookte voor hem en 's avonds trokken we een flesje wijn open. Op een van die avonden werd mijn vader- met terugwerkende kracht, want het programma was al lang afgelopen-razend om mijn optredens in die Nachtshow. Hij bewoog amper, maar er kwam een kracht uit die man- dynamiet! Alles wat hij had verzwegen, al zijn frustratie en teleurstelling knalden eruit. Ik zat in de kussens van de bank gedrukt, durfde me niet te bewegen. En ineens-ik dacht dat ik het niet goed hoorde-beet hij mij toe: 'Als je maar nooit, nóóit iets zal laten omdat je bang bent dat ik het er niet mee eens ben!' Het was alsof ik een klap in mijn maag kreeg. Ik heb zo verschrikkelijk zitten janken... het was een combinatie van geweld en bevrijding. Eerst die enorme stortvloed van verwijten-hij moet op dat moment geweten hebben dat hij de mogelijkheid had mij te breken of te beperken-en dan, nog altijd woedend, tussen zijn tanden door, de opmerking dat ik me nooit door hem moest laten tegenhouden. Vind je dat niet prachtig? Toen hij eenmaal tot rust was gekomen, voegde mijn vader daar nog aan toe: 'Dat heeft je oma mij geleerd'.''

5.Gij zult niet doden

,,Ik dood niet, maar ik veroorzaak soms wel gruwelijke momenten in mijn geest. Ik word dan een vulkaan die- whoeaahhh!!!-uitbarst. Of een vloedgolf, die over alles en iedereen heen dondert! Water! Vuur! Lava! Verpletter, vermorzel, spoel weg die mensheid! Maar goed, die razende kant heb ik inmiddels wel onder controle. Ik heb meer lol in het beheersen van mijn woede dan in het uitleven ervan.''

6.Gij zult geen onkuisheid doen

,,Mijn zus en ik gingen bij de nonnen op school. Ze hebben ons heel wat bij willen brengen, maar wat ik vooral heb onthouden is schuld. Schuld, schuld, schuld. En straf. Straf voor iets wat zij beschouwden als brutaliteit, straf voor het stellen van een open vraag, straf voor impulsiviteit, straf voor vitaliteit. Straf voor een vreugdevol leven, daar komt het wel zo'n beetje op neer. Welke straf? God... moet ik nou echt... als ik er weer aan denk, dan... nou goed, het minst nare was strafwerk maken, het ergste was de kast ingeslagen worden. Dan werd ik aan mijn haren naar de kast gesleept, kreeg een paar klappen en werd opgeloten. En de vernedering die je ten deel viel als je er weer werd uitgehaald... Daarmee was het nog niet afgelopen. Mijn moeder had gezegd: 'Alle straf die je op school krijgt, krijg je van mij thuis nog een keer.' Zij koos partij voor de nonnen. Protesteren hielp niet.

Later ging ik naar een gewone katholieke school. Mijn moeder zat er in het schoolbestuur. Om die reden werd ik door de leraar steeds voor allerlei taakjes uitgekozen. Zo hadden ze bedacht dat ik de bel moest rinkelen als het speelkwartier voorbij was, maar daar was ik totaal niet geschikt voor. Ik was altijd aan het spelen, had helemaal geen idee van tijd. Als ik al een horloge had, ging het na een dag kapot. Ik kon het nooit goed doen... Ik herinner me ook nog goed dat ik van het hoofd van de school de opdracht kreeg om op de kinderen van mijn eigen klas te letten. Hij moest even naar een vergadering en zei tegen mij: 'Je moet de namen opschrijven van alle kinderen die gaan praten als ik weg ben.' Toen het schoolhoofd terugkwam en mijn lege papiertje zag, gaf hij mij een enorme ram tegen mijn achterhoofd en zei: 'Als ze bij mij praten, doen ze dat bij jou zeker! De volgende keer wil ik namen zien!' Op weg naar huis werd ik ingehaald door een paar klasgenoten uit de achterbuurt. Jongens met messen. Een van hen zei: 'Als je ooit mijn naam opschrijft, dan steek ik je.' Gruwelijk. Thuis kon ik er niet over praten. Mijn moeder had teveel respect voor het gezag-ze zou me niet geloven. En mijn vader bemoeide zich niet met schoolzaken-zo hadden ze de taken nu eenmaal verdeeld. Toen mijn zus en ik hem later vertelden wat ons op school en bij de nonnen was overkomen, kon hij zijn oren niet geloven. 'Waarom hebben jullie me daar nooit iets over verteld?'

Ik heb heel lang een diepe, diepe wrok tegen die nonnen gekoesterd. In mijn studentenhuis hing een ingelijst krantenberichtje aan de muur. Het ging over een paar nonnen die dodelijk waren verongelukt toen ze met hun zwarte Kever 'door onverklaarbare oorzaak' op de andere weghelft terecht waren gekomen. Op de glasplaat van het lijstje had ik met een grote viltstift een dikke pijl naar die drie woorden getrokken en erbij geschreven: DAT WAS IK!''

7.Gij zult niet stelen

,,Ik heb in winkels een aantal keren demonstratief iets van een overvolle toonbank in mijn tas laten zakken. Als er eindelijk een winkelbediende kwam, zei ik: 'Waarom staat al die rotzooi hier? Ik kan niet eens mijn tassie kwijt!' Ik zou nooit iets meenemen, ik wil het systeem spiegelen aan zichzelf. Kijk eens waar we mee bezig zijn! De economie dient ons niet langer, de economie is uitgegroeid tot een schofterig systeem, een entiteit die verleidt en dwingt. Een dikke, vette, heilige koe die ons forceert egocentrisch te denken. Ik heb recht op, ik wil dit, ik neem dat. We nemen meer dan we nodig hebben. Ooit was het verlangen, nu is het hebzucht! En niemand valt het systeem aan omdat je daarmee jezelf zou attaqueren, terwijl we-wat ik doe? Soms, in een baldadige bui, struin ik met vriendinnen- grote, volwassen vrouwen-op koopavond de Leidsestraat door en dan gaan we in die verwarmde deuropeningen-waar alle dure energie zo lekker door naar buiten walmt-staan. Dan pakken we, heel sierlijk, een product op, houden het omhoog, wijzen er naar en roepen: 'Dit kopen wij níet!' En dan pakken we, wederom heel elegant, weer een ander overbodig product en roepen: 'Dit hebben wij níet nodig!' En terwijl de mensen in die dikke, lange rijen bij de kassa, met hun manden vol overbodige producten, zich verbijsterd naar ons omdraaien, stappen wij, zonder ballast, de vrijheid weer in.''

8.Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

,,Ik heb veel gelogen, zo verschrikkelijk veel gelogen en verzonnen. Om te overleven, om uit de buurt van het fysieke geweld te blijven. Leven met leugens is heavy, echt heavy. Alsmaar dingen weghouden, zaken verzwijgen, zonder te snappen waarom je dat moet doen... Ik wilde op school, als er straf dreigde, altijd uitleggen dat het gewoon mijn nieuwsgierigheid was geweest, of mijn drang iets te begrijpen... Nee, het hielp niet. Het heeft me angstig gemaakt-ik ben nog altijd bang voor de klap tegen mijn hoofd-en toch kan ik het niet laten mijn mond open te doen. Soms hoor ik mezelf tetteren. O, daar gaat ze weer! Dat lastige kind. Wéér die scheur open, wéér dat geluid... en voor ik het in de gaten heb, huil ik om het levenslustige meisje dat moest worden opgesloten. Nee, dat is niet erg. Wat is er mis met een flinke huilbui? Weet je nog wat ik zei over het herinneren? Ik hou mij niet vast aan het verleden, de herinnering is nu niet aan de hand. Ik ben verder gegaan, op naar een volgende dimensie. Een wijze vriend zei ooit: 'Adelheid, jij bent net een oude Indiaan. Je slaapt altijd met één oog open'. Ik schrok van het beeld, maar ik begreep precies wat hij bedoelde. Ik heb, als een kat, een autonoom gebied in mezelf, doorlopend, verdedigd. Ik heb het gevoel dat ik, naarmate ik ouder word, steeds beter leer hoe ik hoe ik mijn terrein kan terugveroveren. Mijn vitaliteit mag groeien, ik mag rechtop lopen, ik mag geluid produceren, zijn wie ik ben- je kunt je niet voorstellen hoe bevrijdend dat is.''

9.Gij zult geen onkuisheid begeren

,,Onkuisheid was een onderwerp waarover de nonnen niet spraken. Ze waren vooral bezig met het negeren van seksualiteit. Alles bedekken en het er niet over hebben. Lange sokken, grote onderbroeken, witte kraagjes: opgetrokken, dichtgeknoopt. Handen boven de dekens. Mijn moeder was daar ook erg streng in. Toen we haar op een dag vertelden dat wij, net zoals de andere meisjes in de klas, naar Turks Fruit wilden, is ze in haar eentje naar de bioscoop gegaan om poolshoogte te nemen. Toen ze 's avonds thuiskwam zaten mijn zus en ik, als schildpadjes met hun kopjes net boven het schild uit, naar haar te loeren... En? En? 'Geen denken aan!' Dat was het enige wat moeder zei: 'Geen denken aan!' Ik ben toen, bij wijze van protest, alles van Jan Wolkers gaan lezen. Als mijn moeder zo'n boek zag liggen, riep ze: 'Die rommel!' 'Maar mam,' zei ik dan met een onschuldig gezicht, 'dat is verplicht. Voor Nederlands.' 'Ik wil die rommel niet in huis!' Maar ik vond later wel Serpentina's Pettycoat naast haar bed. Ze moest toch weten wat haar dochter las. Goed hè?''

10.Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

,,Soms zie ik iets in een museum waar mijn hart van stil blijft staan, echt waar. Wat een gedachte! Wat een vondst! De schoonheid van wat een ander maakt, overtreft in feite dit gebod. Ik kan flauw vallen van bewondering. Kunst verbindt.

Ik ben een kind als ik iets mag maken. Ik hou ervan om na een voorstelling alleen in het theater achter te blijven. Dan veeg ik de zaal, ruim de kopjes op, pak de kleurpotloodjes uit mijn etui en ga zitten frutselen. Misschien is dat hetzelfde meisje dat met zo'n afgekloven Bruynzeelpotlood en een blocnote in haar kamer zat te kleuren. Vroeger zat ik daar voor straf, maar nu... nu zijn de muren weg, het plafond is opengebroken en de bodem heb ik onder mij weggeslagen. Ik ben vrij om te maken wat ik wil. Ik schep een heelal. Ik schrijf, ik regisseer, ik speel. En ik weet: achter de deur wacht niet langer de boze buitenwereld. Ja, je hebt gelijk: ik zou mijn bewakers dankbaar moeten zijn. Ik ben blij dat jij het zegt... ik zie de woorden wel, ze liggen als zaad op een akker in mijn hoofd, maar ik kan de zin nog niet uitspreken.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden