Actief betrekken Brazilië, China en India: incorperen, niet isoleren

(\N)

Tegenwoordig is er veel politieke druk om Brazilië, China en India in klimaatdiscussies te betrekken. Gezien hun hoge uitstoot van broeikasgassen en de snelle ontwikkeling van hun economieën, acht men het hoog tijd dat deze groep van opkomende landen zich snel kwantitatieve doelstellingen stellen.

De toenemende druk op die landen roept de vraag op of dit de beste strategie is, mede gezien het feit dat de VS zich niet heeft verbonden aan de Kyoto-doelstellingen, en aankomend president Obama alleen heeft aangekondigd stabilisatie van de uitstoot in 2020 als doelstelling te steunen. Verder zal de financiële crisis naar alle waarschijnlijkheid enorme effecten hebben op de economieën van deze landen. Experts denken dat China’s economische groei van 12% kan dalen tot 7% en misschien zelfs tot 2%. Bovendien zal de terroristische aanval van 26-11 op Mumbai veel schade toebrengen aan de Indiase economie.

Ik denk dat wij onze energie beter kunnen steken in het ontwikkelen van een strategie die rekening houdt met de volgende drie overwegingen:

Ten eerste: vanuit het billijkheidsperspectief moeten gelijke landen gelijk behandeld worden. Wij moeten af van de tweedeling tussen rijke en arme landen; omdat de groep van arme landen ook rijke landen bevat en de groep van rijke landen ook arme landen kent. Ik denk dat wij moeten praten over verschillende categorieën landen – in eerste instantie 12 categorieën, ieder met hun eigen pakket van klimaatgerelateerde maatregelen. Zulke classificaties kunnen gemaakt worden op basis van twee criteria – inkomen per hoofd van de bevolking (laag, middellaag, hoog, zeer hoog) en emissies per hoofd van de bevolking (laag, middel, hoog). Ieder land ter wereld moet hiermee geclassificeerd worden en als landen rijker worden of als ze meer uitstoot hebben, dan komen ze in een andere categorie met andere verantwoordelijkheden.

Dit zou betekenen dat landen zoals Singapore, de Verenigde Arabische Emiraten en Israël snel kwantitatieve doelstellingen moeten accepteren omdat ze erg rijk zijn en hoge uitstootniveaus hebben. Dit zou ook betekenen dat, als binnenkort Brazilië, China en India veel rijker worden, zij ook de maatregelen op zich moeten nemen die horen bij de categorie waarin ze terechtkomen. Zo’n systeem maakt ook duidelijk dat ieder land gelijk wordt behandeld en dat landen van tevoren weten dat ze hun investeringspatronen moeten aanpassen om te voorkomen dat ze later in een moeilijke positie belanden.

Ten tweede moeten huidige initiatieven van de grote ontwikkelingslanden worden ondersteund met advies van experts waar nodig, het zogenaamde clean development mechanism, verder verdienen de maatregelen die ze binnenslands nemen erkenning. China heeft bijvoorbeeld een energie-intensiteitsdoelstelling en India een doelstelling om zijn hernieuwbare energie te vergroten. Steun om te zorgen dat deze doelstellingen werkelijk leiden naar een maatschappelijke energierevolutie in die landen is van zeer groot belang op korte termijn.

Ten derde iets heel anders. Voor grote landen zoals China en India is het erg belangrijk dat er daadwerkelijk lokale steun is voor vergaande maatregelen van de centrale regering als het zover is. In de laatste jaren heeft Peking zich gericht op duurzaamheid om als succesvolle gastheer voor de Olympische Spelen op te treden. Ook New Delhi wil een schonere uitstraling hebben voor de Commonwealth-spelen die in India zullen worden gehouden.

De natuurlijke wens van veel steden om naar duurzaamheid te streven en zo tot een aantrekkelijker samenleving te komen, is iets waarop wij kunnen voortbouwen. Zo creëerde het BANS-programma in Nederland een context waarbinnen gemeentes en provincies klimaatbeleid kunnen ontwikkelen op vrijwillige basis. Een vergelijkbaar programma op mondiaal niveau, met een menu van actieve, pro-actieve en innovatieve maatregelen die genomen kunnen worden op lokaal niveau en aangemeld kunnen worden bij het klimaat–secretariaat, zal mijns inziens leiden tot actieve betrokkenheid van lokale overheden. Dit is in een later stadium nuttig als de centrale regeringen van deze landen zover zijn dat zij klimaatdoelstellingen willen of moeten aannemen. Dan is er immers al enig maatschappelijk draagvlak gecreëerd voor te nemen maatregelen.

Joyeeta Gupta is hoogleraar klimaatverandering aan het Instituut Voor Milieuvraagstukken van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Ze is expert op het gebied van internationaal klimaatbeleid.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden