Achteraf kantelt het beeld

Ooit dacht John Jansen van Galen net zo over de Korea-oorlog als velen nu denken over Irak en Afghanistan: Nederland had zich, door troepen te sturen, voor het karretje van Amerika laten spannen. „Zoveel jaren later moet je zeggen: had Nederland dan thuis moeten blijven? Hadden we gewild dat heel Korea was geworden wat het Noorden nu is: één naargeestig mausoleum?”

door John Jansen van Galen

’Sneuvelbereidheid’. Ik hoorde het woord laatst weer eens op de radio, uit de mond van Tijs van den Brink. Die kan zo rap praten dat er niks van overbleef.

Waarom waren we in 2003 ook alweer in Irak? Het idee was: om goed te doen aan het Iraakse volk. De dictator moest verjaagd, de democratie gesticht. Zo gaat het altijd, het begint met de beste bedoelingen.

Maar al spoedig blijkt dat het bedoelde volk, of althans een aanzienlijk deel daarvan, helemaal geen prijs stelt op democratie die van buitenaf, gewapenderhand, wordt ingevoerd. En de dictator blijkt, nu hij eenmaal gevangen zit, ook meer aanhangers te hebben dan iemand vooraf voor mogelijk had gehouden. De troepen van de interventiemacht die rekenden op een hartelijk welkom, worden met de nek aangekeken en met bommen bestookt. Het is een frustrerende ervaring – een frustratie die zich al gauw kan uiten in het smijten met water naar weerloze arrestanten.

Erger nog moet het zijn, nu steeds vaker van hogerhand te horen valt dat het allemaal een vergissing is geweest. Blair noemt het een ramp, Bush maakt een omineuze vergelijking met Vietnam en ontslaat Rumsfeld. Dan voelen militairen zich in de steek gelaten. De autoriteiten die hen stuurden en in wie ze vertrouwen stelden, zijn al op de terugtocht, terwijl jij als soldaat nog in de woestijn zit, tussen die afwijzende gezichten en dreigende bommen. Zo ontstaat het veteranensyndroom, de verbittering van je bedrogen en verraden te voelen.

Dat kennen wij in Nederland het best van de zogeheten ’politionele acties’. De grootste invasiemacht in de geschiedenis tot dan toe werd verscheept om in Nederlands-Indië orde, rust en het Nederlands gezag te herstellen. Er heerste chaos en terreur.

Vorige maand stond in Letter & Geest het verhaal van Hans Vervoort over acht kinderen uit één gezin in Surabaya, op één dag in 1945 vermoord door fanatieke jonge Indonesische nationalisten. Wie dat las, kan zich voorstellen dat Nederlandse militairen ervan overtuigd waren dat het niet ging om een koloniale oorlog maar inderdaad om een politionele actie: een soort humanitaire operatie bedoeld om, net als nu in Irak en Afghanistan, mensen weer de ruimte te geven om te leven.

Natuurlijk ging het er ook om Soekarno en zijn republikeinen mores te leren, letterlijk. Zo kon je het zien in die tijd en zo zagen de meesten het. Door op een ochtend in augustus 1945 in een tuin te Batavia de onafhankelijkheid uit te roepen, hadden zij de gerechtigde Nederlandse soevereiniteit aangetast en onze geliefde vorstin afgezworen. Ze waren rebellen, en daarbij nog collaborateurs ook.

Wij, kinderen in een dorp aan de Veluwezoom, zongen op het schoolplein: „Wat doen we met Soekarno als ie komt? We maken d’r kachelhoutjes van.’’ Dat meenden we, uit het diepst van ons hart, want onze ouders meenden het ook.

Die soldaten boekten veel succes, alleen mochten ze hun karwei niet afmaken. Daar staken de internationale verhoudingen, toen ook al grotendeels bepaald door Amerika, een stokje voor. Waarom waren ze daar dan eigenlijk? Dat gevoel van onzekerheid werd acuut doordat ze bovendien steeds uit hinderlagen in de jungle aangevallen werden, want de vijand voerde een guerrilla. De spanning uitte zich in misdragingen, erger dan smijten met water.

Indonesië won en het Nederlandse leger keerde terug, teleurgesteld. De teleurstelling sloeg om in verbittering toen in de jaren erna de stemming zich tegen hun missie ging keren. Voormalige ministers betuigden in het openbaar spijt over hun beslissingen van destijds, de televisie zond reportages uit over de misdragingen die nu ’excessen’ heetten, en langzamerhand leek de natie ervan overtuigd dat we daar alleen een vuile oorlog hadden uitgevochten tegen vrijheid en vooruitgang. Iedereen was vergeten dat we er aanvankelijk allemaal achter hadden gestaan. Dat stemt een veteraan bitter.

Als tegenwoordig onze jongens vertrekken naar Afghanistan worden ze voor hun vertrek soms toegesproken door een Korea-veteraan die, al tegen de zeventig, zijn oude uniform nog eens aangetrokken en zijn onderscheiding opgespeld heeft. Is er sneuvelbereidheid? De meeste jongelui letten nauwelijks op, wat moet die oude knar hier? „En denk er om: als een van jullie valt, niet met zijn allen er omheen gaan staan, want dan ben je allemaal de klos.’’ Hij kent het toffe soldatentaaltje nog en slaat na afloop de mannen, een halve eeuw jonger, joviaal op de schouders. Maar als hij met zijn biertje aan een tafeltje zit, zie je aan zijn rug het verdriet. Twee derde van zijn peloton kwam in Korea om het leven.

Korea, waar ging dat ook alweer om? Om de vrijheid, zo zagen we dat toen. Na de Tweede Wereldoorlog werd het land bezet door twee van de zegevierende bondgenoten: Amerika in het Zuiden en China in het Noorden, met de 38ste breedtegraad als grens. Op den duur zouden ze Korea weer verenigen. Maar in de jaren na 1945 werden bondgenootschappen razendsnel binnenstebuiten gekeerd.

De oude As van het Kwaad, Berlijn-Rome-Tokio, werd vervangen door een nieuwe As van het Kwaad, Moskou-Peking. Trokken de Geallieerden eerst samen op tegen het fascisme, nu waren ze tot op het bot verdeeld: communisme tegen democratie, althans kapitalisme. Noord-Korea kreeg een communistisch, Zuid-Korea een democratisch, althans pro-Amerikaans regime, en die stonden scherp tegenover elkaar. Van hereniging was geen sprake meer.

En toen, op 25 juni 1950, overschreden troepen uit het communistische Noorden die 38ste breedtegraad en vielen Zuid-Korea binnen. Duitsland was nog maar net verslagen, we hadden net onze vrijheid terug, de wederopbouw was pas begonnen, en nu rukte een nieuwe onderdrukker op met pretenties van wereldheerschappij. De communisten stonden al op 300 kilometer van Oldenzaal, zoals dat toen gezegd werd, en in Azië gingen ze tot de aanval over. De bedreiging was bijna voelbaar. De 38ste breedtegraad werd een begrip met eenzelfde symbolische betekenis als nu de Twin Towers.

De internationale gemeenschap liet het er niet bij zitten. De Verenigde Naties schoten Zuid-Korea te hulp met een troepenmacht waaraan de Verenigde Staten en vijftien andere landen deelnamen, waaronder Nederland. Liefst 16.000 vrijwilligers meldden zich aan om gewapenderhand duidelijk te maken dat het basta was, dat het uit moest zijn met oorlog en onderdrukking, dat vrede en vrijheid verdedigd moesten worden, en ook onze rust, ons gezinsleven, onze eerste bromfiets, het eerste kleine beetje welvaart.

Zuid-Korea was al onder de voet gelopen door rode horden die tot overmaat van ramp geel bleken te zijn. En het heeft erom gespannen, maar het lukte het Zuiden te bevrijden tot aan de 38ste breedtegraad, waar Zuid en Noord elkaar nu nog steeds beloeren.

Toen ik in de jaren zestig studeerde in Amsterdam, dachten wij linkse studenten erover zoals nu velen over Irak en Afghanistan: Nederland had zich voor het karretje van de Amerikanen laten spannen en per saldo heerste over Zuid-Korea het dubieuze regime van de autoritaire Syngman Rhee.

Zoveel jaren later moet je zeggen: had Nederland dan thuis moeten blijven? Hadden we gewild dat heel Korea was geworden zoals het Noorden nu is, één naargeestig mausoleum? Die veteranen kunnen tevreden zijn als ze de opgetogen taferelen zien rond Guus Hiddink in Zuid-Korea. Het klinkt triviaal, maar het staat voor levensvreugde tegenover de rust van het graf.

Toch is het ingewikkelder.

Onder die vrijwilligers waren veteranen van het Oostfront. Onlangs vertoonde de VPRO ’De voorste linie’, een film van Paul Koch en Martijn van Haalen over de Korea-oorlog. Een van de hoofdpersonen vocht als SS’er eerst vier jaar voor de nazi’s in Rusland. Aan hem hadden ze nog het meest in Korea, hij kon tenminste vechten. Na de oorlog, toen hij hoorde van de jodenmoord, had hij besloten dat hij alles verkeerd had gedaan; hij wilde zijn ’schuld’ tegenover Nederland inlossen. Dat deed hij door in Korea tegen het communisme te vechten, zoals hij in Rusland tegen het communisme vocht. Ook toen hij daarheen ging, meende hij goed te doen. Alleen geldt dat achteraf als verkeerd – al weet niemand of de Russen het onder Hitler slechter hadden gehad dan onder Stalin.

Al die soldaten hebben gemeen dat ze denken en dachten het goede te gaan doen. Zo was het hun verteld. Met Korea blééf het goed, het Oostfront en Indië gingen later gelden als fout. De politici, de publieke opinie en de geschiedenis dachten er achteraf anders over. Dat konden die veteranen niet weten toen ze eraan begonnen. Maar wie weet kantelt ooit het beeld over de politionele acties opnieuw: dat het in zekere zin een humanitaire interventie wás.

Uiteindelijk staan veteranen er alleen voor. De oostfrontstrijder vertelt in die film dat hij in Korea vriendschap sloot met een Joodse jongen die hem eerst vanwege zijn verleden naar het leven had gestaan, maar later besefte dat je ’collectieve schuld niet kunt herleiden tot individuele schuld’.

Dat is nu juist niet waar. Politici en generaals dragen een zwaardere verantwoordelijkheid, maar de soldaat in Afghanistan, Irak, Korea, Nederlands-Indië of Rusland blijft er zelf verantwoordelijk voor dat hij martelde of schoot – al was het maar om te voorkomen dat hij zelf werd gedood.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden