Review

Achter de koeienstaarten vandaan

Van de blinde bard Bernlef (8ste eeuw) tot hedendaagse schrijvers als Jabik Veenbaas en Jetske Bilker: de geschiedenis van de Friestalige literatuur is eindelijk vastgelegd in een aantrekkelijk ogend overzicht. De Friese dichter Tsead Bruinja schetst de grote lijnen, en biedt een kleine leeslijst.

Tijdens een onderzoek in 1995 beweerde 65 procent van de Friese bevolking de Friese taal te kunnen lezen en 17 procent haar kunnen schrijven. Nog niet een op de vijf schrijft dus Fries. En toch bestaat er een bloeiende Friestalige literatuur met een lange geschiedenis, die nu voor het eerst uitgebreid in het Nederlands na te lezen is.

'Zolang de wind van de wolken waait' is geschreven door meerdere auteurs die elk een eigen hoofdstuk en periode voor hun rekening nemen. Die opzet zorgt voor een welkome diversiteit aan stijlen, al schrijft de ene auteur leesbaarder dan de andere.

De eerste Friese schrijver die we ontmoeten, is de blinde bard Bernlef. Van hem zijn geen teksten bewaard gebleven, maar wel een beschrijving door de missionaris Liudger, die Bernlef rond 780 heeft horen zingen over 'de daden van zijn voorouders en de oorlogen van koningen'. Tussen de oudste Friese teksten die wel bewaard zijn gebleven, bevindt zich enkele rechtsteksten die in hun poëtische schoonheid het gemis van de epiek van Bernlef enigszins goedmaken.

In de volgende vertaling wordt aangegeven wanneer de moeder van een vaderloos kind de erfenis mag aanspreken:

,,Wanneer het kind spiernaakt is of dakloos en dan de duistere nevel en bitterkoude winter en de lange duistere nacht zich uitspreiden over de omheinde velden ... Dan weent en schreit het onmondige kind en dan beklaagt het zijn naakte leden en zijn dakloosheid en het gemis van zijn vader, die het moest beschermen (...)''

De bron van deze vroege Friese wetten zou niet minder dan goddelijk zijn. Twaalf wijsgeren die van Karel de Grote de opdracht kregen om het Friese recht op te stellen en dit weigerden, werden als straf op zee achtergelaten in een schip zonder roer of riemen. Na een gebed verscheen Christus die met een gouden bijl als roer de verdwaasde mannen terug aan land bracht om hen daar de nodige wetten bij te brengen.

'Zolang de wind van de wolken waait' omvat de geschiedenis van een minderheidstaal en haar literatuur en wil tegelijkertijd een handboek voor lezers zijn. De belangrijkste dichters en schrijvers worden in het boek vakkundig en uitgebreid beschreven, maar je vraagt je soms af waarom de ene auteur kritisch tegen het licht gehouden wordt, terwijl de andere een feitelijke en thematische omschrijving van leven en werk ten deel valt.

Philippus Breukers hoefde in zijn hoofdstuk over de 17de eeuw dergelijke keuzes niet te maken: in die tijd kozen maar weinig auteurs voor het Fries. De belangrijkste dichter was schoolmeester Gysbert Japix: in een tijd dat menigeen het Fries gebruikte voor lichte lectuur, schreef hij vertalingen van psalmen, gelegenheidsgedichten en liederen. Japix liet zien dat het Fries ook als literaire taal geschikt was.

Na zijn tijd werd het geschreven Fries nog lang voornamelijk verspreid via almanakken, volksverhalen en vrolijke liedjes, maar zo nu en dan werden er pogingen gedaan om serieuzer werk te schrijven. Voor veel van die auteurs vormde Japix een grote bron van inspiratie.

Hoewel Japix een begin had gemaakt met de psalmen, verscheen de eerste complete Friese vertaling van de Bijbel pas in 1943 en het schijnt dat de eerste vertaling van een stuk van Shakespeare in Nederland niet in het Nederlands maar in het Fries werd gemaakt, in 1829, door Rinse Posthumus.

In diezelfde 19de eeuw werd het Fries al voor alle genres gebruikt, maar het zou tot de 20ste eeuw duren voordat er een uitgebreide romancultuur ontstond. Aanvankelijk werd er, vaak vanuit een christelijke optiek, geschreven over sociale ongelijkheid, over grote boeren, hun knechten en verboden liefdes. Volgens criticus, dichter en schrijver Anne Wadman moest de Friese literatuur na de Tweede Wereldoorlog 'achter de koeienstaarten vandaan gehaald worden'.

Pas in de jaren vijftig en zestig won het experiment terrein en werd menig taboe doorbroken. Anne Wadman en Trinus Riemersma schreven in hun psychologische romans vrijelijk over seks. En ook in de poëzie diende er 'puin geruimd te worden'. De bundel Jolm ('aanspoelsel') van dichter G.N. Visser was cynisch van toon, en plaatste de 'braaf-burgerlijke en intellectueel-cynische' levensvisies tegenover elkaar. Kon dat wel? De uitgave leidde zelfs tot een symposium.

Niet alleen literaire kwesties, ook de spelling van het Fries gaf geregeld onenigheid. De vriendschap tussen 19de-eeuwse schrijvers Harmen Sytstra en Tsjibbe Gearts van der Meulen schijnt hevig bekoeld te zijn geraakt door een spellingconflict. Ook de keuze van het juiste

idioom kon leiden tot ruzie. In de jaren tachtig van de 20ste eeuw werd een jeugdboek van Eppie Dam door de uitgever geweigerd, omdat de auteur het woord 'spijbelje' niet wilde vervangen door het hypercorrecte 'skoaltsjeskûlje' (letterlijk 'schooltjeschuilen').

Zulke grappige anekdotes, plus de overvloed aan afbeeldingen - boekomslagen, portretten, krantenknipsels - maken het boek erg levendig, al had ik liever gezien dat er meer ruimte vrijgemaakt was voor Friese tekstfragmenten. Niettemin maakt dit boek mij als lezer en schrijver opnieuw bewust van de Friese taal. En nieuwsgierig naar het werk van mijn voorgangers.

Tsead Bruinja debuteerde in het Fries, maar heeft inmiddels vier bundels in het Nederlands uitgegeven bij uitgeverij Contact. De meest recente kwam uit in 2004: 'Batterij'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden