Acht granaten en oude wapens

Voorafgaand aan een mogelijk bestand in Syrië later deze week, wordt er zwaar gevochten in het grensgebied met Turkije. De gewapende opstandelingen zoeken dekking in het buurland. Daar blijkt dat ze kampen met gebrek aan alles: geld, wapens en professionaliteit.

De strijder heeft een plastic stoel gepakt en is in het vroege voorjaarszonnetje gaan zitten. Vanaf het terrasje naast het safe house heeft hij een weids uitzicht over de vallei die de grens tussen Turkije en Syrië vormt. Als hij een verrekijker zou pakken, kan hij aan de overkant de vijand zien: Syrische militairen die onlangs een gebouw hebben geconfisqueerd van waaruit ze de grens in de gaten houden.

Die soldaten uit het regeringsleger van de Syrische president Assad vormen een probleem voor de strijders van het Vrije Syrische Leger. De rebellen die tegen het regime van president Assad vechten, gebruiken het armoedige Turkse grensdorpje Gorentas als uitvalsbasis. Maar ze kunnen niet meer, zoals voorheen, de heuvel afdalen, over het hek klimmen en Syrië binnenglippen.

Het Syrische regeringsleger heeft de afgelopen maand verwoede pogingen gedaan om het grensgebied onder controle te krijgen - juist om te voorkomen dat de honderden of duizenden strijders die in Turkije zitten de grens over gaan om te vechten. Er is in verschillende regio's zwaar gevochten, en op sommige plekken hebben de Syriërs mijnen langs de grens gelegd.

Ook de strijders in Gorentas houden daar rekening mee: zij lopen tegenwoordig uren voor ze een veilige plek vinden om de grens over te steken. Dat is onhandig, want Gorentas en het nabijgelegen Guvecci hebben zich in het afgelopen jaar juist ontwikkeld tot veilige thuishaven voor de Syriërs. In beide dorpjes domineren groepjes strijders - gespierde types met baarden - het straatbeeld.

Het safe house met de zonnende strijder is beschikbaar gesteld door een gastvrije dorpsbewoner. Binnen zitten Aboe Hassan (een nom de guerre) en een handjevol kornuiten. Zij zijn gedeserteerd uit het Syrische leger. Zelf komt Aboe Hassan uit de provincie Latakia aan de noordwestkust van Syrië, zijn makker naast hem is een Koerd uit Idlib. "Maar we hebben ook mensen uit het zuiden in onze eenheid, we komen overal vandaan."

In het kleine stenen gebouwtje met één kamer hangen ze rond op de tientallen matrassen die op slordige stapels langs de muren liggen. In een hoek staan kartonnen dozen met wat voorraden, op een klein butagasje zet een van de strijders een kopje thee voor het bezoek. De Koerd uit Idlib ligt met zijn mobiele telefoon te spelen.

De 23-jarige Aboe Hassan is zwijgzaam - zijn commandant is er niet, want die is naar het Turkse kamp geroepen waar de leiders van het Vrije Syrische Leger zitten. Het kamp zit zo'n honderd kilometer verderop en is afgesloten van de buitenwereld - de officieren die hier hun toevlucht hebben gezocht, treden nauwelijks in de openbaarheid.

In hoeverre ze greep hebben op manschappen in Syrië is onderwerp van discussie (zie kader). Met de strijders in Turkije is er dus in ieder geval wel contact. Zijn commandant is in het kamp voor overleg, vertelt Aboe Hassan. In de tussentijd hebben hij en de vijftig andere strijders van zijn eenheid de opdracht gekregen in Turkije te blijven.

Daar hebben ze weinig te doen, blijkt, behalve zich bezighouden met huiselijke problemen. Iemand komt het safe house binnen met een brief van de energiemaatschappij: de strijders moeten binnen vijf dagen hun rekening betalen anders worden ze afgesloten van elektriciteit. Aboe Hassan tuurt een tijdje naar de Turkse tekst en stopt de aanmaning vervolgens weg onder een matras.

Het klinkt misschien futiel, maar dit soort zaken zijn óók belangrijk voor het Vrije Syrische Leger. De strijders vechten tegen het Syrische regime en hebben dus wapens nodig. Maar daarnaast moeten ze ook eten en ergens slapen, en dat alles kost geld.

Sinds het Vrije Syrische Leger in juli vorig jaar werd opgericht, is het behelpen geweest. De strijders die uitwijken naar Turkije zitten soms in de vluchtelingenkampen. Voor ander onderdak, zoals het safe house van Aboe Hassan, zijn ze afhankelijk van steun van de lokale, vaak Arabischsprekende bevolking.

Soms krijgen ze voedselpakketten van Turkse islamitische hulporganisaties, deels leunen ze ook op voedsel dat door mensen in de vluchtelingenkampen voor ze wordt achtergehouden. Juist om dit soort praktische problemen te ondervangen zegden rijke Arabische Golfstaten vorige week toe dat ze salarissen voor de strijders zullen financieren.

Dat geld kwam er in plaats van de wapens die verschillende Golfstaten eerder hadden beloofd. Dat laatste was tegen de zin van westerse landen, die vrezen dat een verdere militarisering van het conflict tot een verslechtering van de humanitaire situatie in Syrië kan leiden. Bovendien vragen ze zich af of het handig is om materieel te sturen naar troepen die misschien helemaal niet toegerust zijn om zwaardere wapens te bedienen.

Uit gesprekken met tijdelijk uitgeweken strijders in Turkije blijkt dat dat laatste wel eens een probleem zou kunnen zijn: het Vrije Syrische Leger bestaat voor een groot deel uit goedwillende amateurs. Er zijn weliswaar getrainde types, zoals Aboe Hassan en zijn maten - die in ieder geval weten hoe ze een geweer moeten vasthouden. Maar die relatieve professionaliteit staat in schril contrast met de verhalen die bijvoorbeeld Osama over zijn gewapende activiteiten vertelt.

De 32-jarige man is afkomstig uit het Syrische dorpje Al-Janoedia vlakbij de grens, maar komt nu uit de poort van vluchtelingenkamp Yayladagi gestrompeld. Osama zit in het gips - hij brak zijn been toen hij vluchtte voor het Syrische leger dat half maart zijn dorp aanviel met zware tanks. Sindsdien woont hij in het Turkse kamp.

Osama was boer in Al-Janoedia, maar sloot zich een half jaar geleden bij het Vrije Syrische Leger aan - via vrienden die al lid waren. "Ik kon de slachtpartijen die ik op tv zag niet meer aanzien, ik wilde strijden voor de waardigheid van mijn volk." Iemand gaf hem een oude kalasjnikov en dat was het. "Nee, we hebben geen training gekregen of zo. Ik heb in dienst gezeten, elf jaar geleden, dus ik weet wel hoe zo'n geweer werkt."

Veel gevochten heeft Osama niet - hij was er alleen om zijn eigen dorp te verdedigen, zegt hij. Maar tegen het zware geschut van het leger waren hij en zijn maten niet bestand. Het halve dorp is inmiddels op de vlucht geslagen en de mensen die achter zijn gebleven, zitten in het nauw.

Hij wil, zodra hij weer gewoon kan lopen, terug om te vechten. Dat geldt ook voor Motasem, een 32-jarige kleermaker uit de noordelijke stad Jisr-al-Sjoeghoer. Hij zit al negen maanden in het vluchtelingenkamp in Turkije, maar ging ook al drie keer terug om te vechten. Tevergeefs: hij kon geen wapens en ammunitie vinden.

Ook Aboe Amr stuitte op dat probleem. De 22-jarige student zit in het kantoorpand van familievrienden in Antakya, de grootste Turkse stad in het grensgebied. Aboe Amr (niet zijn echte naam) besloot net als Osama te gaan vechten toen hij het bloedbad in Homs op tv zag.

Anders dan Osama was hij al sinds november in het buitenland, waar hij naartoe gevlucht was nadat de Syrische veiligheidsdiensten ontdekten dat hij actief was bij het organiseren van demonstraties. Hij werkte een tijdje bij Oriënt tv in Doebai. "Maar toen ik de misdaden in Baba Amr (een belegerde wijk in Homs - red.) zag, besloot ik naar Syrië te gaan. Ik belde mijn broer in de VS en zei: 'Hee gast, zullen we gaan vechten'. Hij heeft toen zijn auto verkocht, want mijn vader konden we niet om geld vragen - dat zou hij nooit goedvinden."

Met een goedgevulde portemonnee lieten Aboe Amr en zijn broer zich vanuit Turkije de grens over smokkelen, naar hun woonplaats Idlib. Daar begon de zoektocht naar een wapen. "Ik heb uiteindelijk een kalasjnikov gekocht bij een dealer - eigenlijk de meest verschrikkelijke figuur van allemaal, omdat hij geld verdient aan deze ellende. Hij koopt zo'n geweer voor 1000 dollar, en ik heb er 1500 voor betaald. Daarnaast heb ik honderd kogels kunnen kopen. Ik had nog wel geld, maar er was gewoon niet meer te krijgen. Honderd kogels: dat is genoeg voor een half uur vechten!"

Aboe Amr had nog nooit een geweer vastgehouden. Buiten Idlib kreeg hij vijftien dagen training van zijn via-via contacten bij het Vrije Syrische Leger. Het oefenen met schieten beperkte zich tot het vuren van twaalf kogels, "die ik van een aardige commandant had gekregen". Daarmee was de student klaar voor de strijd om Idlib.

Hij werd ingedeeld bij een eenheid van dertig man, die de taak kreeg een wijk van de stad te verdedigen.

Op zijn Facebook-pagina laat Aboe Amr foto's zien van tientallen jonge mannen die vol bravoure poseren, kalasjnikov en granaatwerper in de aanslag. "Behalve onze sluipschutter zat er bij onze eenheid geen enkele professionele militair", zegt hij. Ook het materieel was niet bepaald up to date. Geen enkele strijder had een nieuw wapen, sterker nog: close up-foto's van de wapens tonen vooral veel roest.

Toen het Syrische overheidsleger Idlib aanviel, was er dan ook geen beginnen aan. Voor zover Aboe Amr weet, was er geen tactisch plan of aansturing uit Turkije. "In totaal waren er duizend strijders in Idlib, en de commandanten communiceerden via walkie-talkies." Aboe Amrs groep was in ieder geval op zichzelf aangewezen toen Syrische tanks hun deel van de stad wilden binnendringen. "Ik heb de kogels om mijn oren horen fluiten", zegt hij.

De granaatwerper vormde een probleem op zich. "We hadden acht granaten, maar de meeste deden het niet. Het was enorm frustrerend: dan had de schutter een tank in het vizier en dan ging ie niet af. Uiteindelijk hebben we een tank geraakt - de schutter was zo blij! We zijn hem om de hals gevallen, een beetje als bij een voetbalwedstrijd."

Volgens Aboe Amr wist zijn eenheid met de zelfgebouwde explosieven van 'de bommenmaker' ook nog twee andere tanks uit te schakelen.

Toch was het een vergeefse strijd: een lid van Aboe Amrs eenheid werd doodgeschoten, de commandant raakte gewond. Aboe Amr zelf vluchtte met zijn broer naar het huis van een oom, waar hun ontstelde vader hen uiteindelijk kwam ophalen. "Hij heeft me mijn geweer, overgebleven ammunitie en mijn nachtvizier afgepakt en mij en mijn broer de stad laten uitsmokkelen." De andere strijders, weet Aboe Amr, trokken zich terug buiten de stad, naar het platteland. Van daaruit vallen ze nu checkpoints aan van het Syrische leger.

"Gangster style", noemt Aboe Amr het.

Hij denkt dat met de juiste wapens de strijd snel in het voordeel van de opstandelingen beslecht kan worden. "Met anti-tankwapens staan we in tien dagen in Damascus." Maar zijn stoere toon ("Dit was een goede ervaring voor me, een avontuur") verandert bij de vraag of hij zelf iemand geraakt heeft. "Ja", zegt hij. "Daar wil ik niet over praten. Maar denk je dat ik dit allemaal leuk vind? We vechten als broeders onder elkaar. De revolutie was beter toen ze nog vreedzaam was."

Hij is er inmiddels in ieder geval achter gekomen dat het vechten niks voor hem is. "Dit is niet mijn werk, ik heb me gerealiseerd dat een camera een sterker wapen is dan een geweer."

Radicaal of niet?
Vooral in het Westen bestaat discussie over de motivatie van strijders van het Vrije Syrische Leger. Is er niet het risico dat zij radicaliseren? Is er niet het gevaar dat Al-Kaida een voedingsbodem vindt onder gefrustreerde opstandelingen? En hebben al die strijders nu al niet fundamentalistische baarden?

Ontegenzeglijk komen veel strijders van het Syrische platteland, dat traditioneel en conservatief is. Tot nu toe zijn er bovendien aanwijzingen dat de opstand ook extreme figuren aantrekt. Er zijn enkele zware bomaanslagen geweest in de steden Aleppo en Damascus. Volgens het Syrische regime en volgens Amerikaanse inlichtingendiensten waren die aanslagen het werk van Al-Kaida.

De jonge ex-strijder Aboe Amr noemt het allemaal onzin. "Als je vecht moet je dicht bij God zijn, zodat je naar de hemel gaat als je sneuvelt. Maar al dat gepraat over Al-Kaida is een leugen. Er zijn gelovige strijders, maar niet eens iedereen bidt. Dat we allemaal baarden hebben, komt omdat strijders geen tijd hebben om voor de spiegel te staan."

Hoe het nu precies zit met de commandoketens is lastig te bepalen

De Arabische Golfstaten maakten op 1 april bekend dat ze miljoenen dollars per maand beschikbaar stellen voor de Syrische Nationale Raad - de belangrijkste politieke oppositiebeweging - die op haar beurt het geld naar de leiding van het Syrische Vrije Leger moet doorsluizen. Die kan er zijn troepen soldij mee betalen.

De financiële injectie moet ook de militaire en politieke tak van de oppositie versterken en verenigen - want vooralsnog is de relatie tussen de twee ronduit vijandig. Bovendien kan het geld het militaire commando in Turkije mogelijk helpen meer zeggenschap te krijgen over strijdende eenheden in Syrië.

Hoe het nu precies zit met de commandoketens is lastig te bepalen - de leidende officieren hebben zich opgesloten in hun Turkse kamp en zijn weinig mededeelzaam. Het lijdt echter weinig twijfel dat de operationele greep van de leiding op de troepen beperkt is.

Een rapport (gebaseerd op openbare bronnen) van de Amerikaanse denktank Institute for the Study of War, concludeerde vorige maand dat de leiding in Turkije eerder als een soort koepelorganisatie fungeert dan als een traditioneel militair commandocentrum.

Daar probeert die leiding wel verandering in te brengen - maar dat is volgens betrokkenen een moeizaam proces. Volgens het Amerikaanse rapport is er tussen sommige gewapende groepen in Syrië en de leiding in Turkije wel een relatie, maar is onduidelijk in hoeverre de strijders in het veld commando's uitvoeren. Andere eenheden noemen zich wel onderdeel van het Vrije Syrische Leger, maar opereren helemaal op eigen houtje.

Los van de formele commandostructuren vraagt de buitenwacht zich ook nog steeds af hoe professioneel het Vrije Syrische Leger nu eigenlijk is.

De Russische minister van buitenlandse zaken Lavrov zei vorige week dat het opstandelingenleger zelfs met betere wapens geen schijn van kans maakt tegen het Syrische regeringsleger.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden