Review

Academische competitie om Nova Zembla Onderzoek naar Barentsz' winterkamp

'Op zoek naar het Behouden Huys' door Herbert Blankesteijn en Louwrens Hacquebord. Uitgeverij Bzztoh, prijs: F 24,50

In een soort onderlinge wedstrijd hebben archeologen en historici uit Nederland en Rusland de laatste jaren de blik gericht op dat ijzige plekje in de Arctis. Het Behouden Huys, waar Barentsz en zijn mannen de winter van 1596-1597 doorbrachten, is vier eeuwen later mikpunt van wetenschappelijk onderzoek. Morgen reizen zeven Nederlanders en vijf Russen af naar het noordelijkste punt van Nova Zembla om Barentsz' winterkamp op te graven.

Ze zijn zeker niet de eersten die het kielzog van de zestiende-eeuwse ontdekkingsreiziger kiezen. Het feit dat de Nederlandse overwinteraars - op drie mannen na, onder wie Willem Barentsz zelf - het er destijds levend van hebben afgebracht en dat hun ontberingen door Gerrit de Veer uitvoerig in een bewaard gebleven dagboek zijn verhaald, heeft menigeen uitgedaagd de historische sporen na te trekken.

De Noorse zeehondenjager Carlsen was voor zover bekend in 1871 de eerste die de plaats van het Behouden Huys bezocht. Hij trof op 76 graden 12 minuten noorderbreedte een houten bouwval aan, waarin het poolklimaat en de ijsbeer al een paar eeuwen stevig hadden huisgehouden. Zestien ellen lang en tien ellen breed mat Carlsen de fundering van de hut, die opgetrokken was uit drijfhout en scheepsplanken. Carlsen vond meer: koperen ketels, timmergereedschap, prenten en boeken, wapens, kandelaars en kledingstukken.

Na Carlsen deden ook andere poolreizigers Nova Zembla aan, die nog meer voorwerpen verzamelden. De belangrijkste vondst deed de Engelsman Gardiner in 1876, die terugkeerde met een 'cedelken', een verklaring die de handtekeningen droeg van Barentsz en zijn schipper, Jacob van Heemskerck. Daarna waren het voornamelijk Russische wetenschappers die de plaats bezochten. Zij stelden vast dat er weinig meer over was van het Behouden Huys, nog veel minder dan Carlsen had aangetroffen.

Voor Nederlandse archeologen was Nova Zembla heel lang verboden gebied. De omringende Barentsz Zeegold als super-militair terrein. Het eiland zelf was bovendien locatie voor nucleaire proeven. En zelfs in de glastnost moest de Groningse archeoloog Louwrens Hacquebord nog tot vorig jaar wachten, voordat zijn jongensdroom - die afbeelding op de schoolplaat van Isings van de overwintering nog eens met eigen ogen te zien - uitkwam. Dankzij zijn Russische collega Svetlana Gusarova van het Arctisch Onderzoeksinstituut in Sint Petersburg zette het hoofd van het Arctisch centrum van de universiteit van Groningen een jaar geleden met een kleine expeditie voet aan wal op Nova Zembla. Om na vier dagen van “meten, tekenen, peuteren en piekeren”, zoals hun reisverslag meldt, vast te stellen dat er tussen en rondom de vier resterende funderingsbalken van het Behouden Huys hoognodig moet worden gegraven - “voordat er niets meer valt op te graven”.

Ondanks het kille klimaat blijkt Nova Zembla inmiddels regelmatig het reisdoel van toeristen. Souvenirjagers zijn al meermalen gesignaleerd op het eiland. En vooral daarom dringt volgens Hacquebord de tijd. “Ze hebben al zo veel schade aangericht dat de huidige restanten in een jaar of tien zullen verdampen. Je kunt bij wijze van spreken wachten op de dag dat iemand de monumentale funderingsbalken gebruikt als brandstof voor een kampvuur”, zo meldt hij samen met journalist Herbert Blankesteijn in het reisverslag 'Op zoek naar het Behouden Huys'. “Wil het niet verder verkruimelen, dan moet er iets gebeuren.

Het originele materiaal moet worden geborgen en eventueel vervangen door namaak, zodat toeristen kunnen zien hoe het Behouden Huys er uit heeft gezien.' Daarvoor is geld nodig. En een grotere expeditie. En de kans dat dat gebeurt, is gezien de ervaringen niet groot, stellen de onderzoekers in hun boekje vast.

Dezelfde schoolplaat van Isings - met een afbeelding van een hut temidden van ijsschotsen en sneeuwbergen, een krakend schip op de achtergrond en met hellebaarden gewapende mannen in armoedige kledij die angstig het oog gericht houden op een dreigende ijsbeer - heeft meer mensen geinspireerd. Romantiek als basis van wetenschappelijke studie dus. Ook bij het Rijksmuseum in Amsterdam leefde de wens naar een expeditie. En bij medewerkers van het Instituut van Pre- en Protohistorie (IPP) van de Universiteit van Amsterdam, dat weer banden heeft met collega's van de Academie van Wetenschappen in Moskou, ook. Zij hebben het geld voor elkaar gekregen. En zo vliegt de expeditie morgen via Sint Petersburg naar Dickson in Siberie, om vandaar - met een ton aan vracht - per helikopter naar Nova Zembla te worden overgebracht.

Twee archeologen, een paleobotanicus, een fotograaf, een filmer en een journalist reizen mee. En Henk van Veen, die vroeger actief is geweest als motorcoureur, directeur van een motorfabriek en initiator van expedities naar Spitsbergen en die zijn leven lang als avonturier de wens heeft gekoesterd om na Barentsz als eerste Nederlander voet aan wal te ztten op Nova Zembla, treedt op als ploegleider.

Ze gaan maar veertien dagen. Een langer verblijf, waarin ook onder water zou worden gezocht naar restanten van het schip van Barentsz, is afgelast. “Kost te veel tijd en te veel geld”, zegt archeoloog Pieter Floore. Minstens zo'n belangrijke reden is de onzekerheid over de radioactieve besmetting van het gebied. Floore: “Op het land is de situatie niet gevaarlijk, hebben Nederlandse kernfysici ons verzekerd. De Russen hebben het gebied jarenlang gebruikt om hun nucleaire afval te sorten en er zijn kernproeven genomen, maar dat gebeurde ondergronds. We nemen wel geigertellers mee, voor de zekerheid.

Het gevaar zit 'm echter in de zee. Door lekkende vaten kan het zeeslib besmet zijn. De kans daarop is klein, maar die mag je niet veronachtzamen. De vaten zitten wel in beton, maar het is wel Russissch beton. De Russen doen er heel gemakkelijk over, maar de garantie dat het honderd procent veilig is, kunnen ze niet geven. Die garantie heb je in Nederland overigens ook niet. Als je hier in een regenbuitje loopt, krijg je ook een fall-out op je lichaam.'

De locatie van het Behouden Huys is niet moeilijk te vinden. Er is in de loop der tijd al veel over bekend. En de expeditie van Hacquebord en zeker die van de Russen hebben al het nodige voorwerk verricht, al hebben de Groningse en Amsterdamse archeologen nog nauwelijks met elkaar gesproken. Floore: “Pas als we terug zijn, gaan we praten over onze samenwerking. Noem het een academische competitie - dat is gezond. Het voordeel is dat wij nu blanco naar Nova Zembla gaan.”

Het gaat Floore niet om het opgraven van voorwerpen uit het winterkamp, voor zover die er nog zouden zijn overigens. Het wordt archeologie met het stoffertje, het schepje en het zeefje. Floore: “Aan het leven in het Behouden Huys is nooit aandacht besteed. Voor ons is nu belangrijk: wat aten ze, hoe was het huis ingericht, wat deden ze in die blokhut, hoe hebben ze hun overleving georganiseerd? Voorwerpen zeggen me niet zo veel. Uit de uitwerpselen van de overwinteraars haal je veel meer informatie. Restjes van granen, zaden en pollen, botjes van vlees dat ze hadden meegebracht. Dat het hout verkruimelt, is niet zo erg. Dat is ook normaal. Belangrijker zijn de grondsporen. Dankzij het klimaat zijn die goed afgedekt. En die kunnen ons een schat aan informatie geven.

Het is daar een soort Pompei-situatie: het vondstencomplex is gedateerd, je hebt prachtige bronnen zoals het dagboek van De Veer, je hebt zelfs de namen van de overwinteraars. Maar alleen de mooie spullen zijn eruit gehaald. Wij willen de losse einden vinden, het verhaal afmaken door ook naar de 'gewone' dingen te kijken. Onderzoek naar ecologisch afval zoals leer, zaden, papier en hout is de specialiteit van het IPP. Daarom gaan we ook op zoek naar de omgeving van het huis. Naar resten van vossevallen, vuurplaatsen, bootjes, naar de plek waar de sloepen voor de terugreis werden opgekalefaterd. Misschien moet je vaststellen dat alles reddeloos verloren is. Dat zou heel vervelend zijn, want die plek is voor de Nederlandse historie toch een soort icoon. Maar als daar niets van over is, dan weet je dat ook. Die vaststelling is ook belangrijk.'

Niet het klimaat vormt de grootste bedreiging voor de expeditie. En misschien ook niet de radio-actieve besmetting. (Floore: “We nemen wel monsters. We gaan zelfs met een netje langs de kust lopen om garnalen en andere schaaldieren te vangen.”)

Het zijn vooral de ijsberen die de archeologen ontzag inboezemen. Gerrit de Veer schreef er al in 1596 over. De Nederlands-Russische expeditie neemt een kist vol thunderflashes (nep-handgranaten) mee. Er zal dag en nacht een vuur branden om de dieren af te schrikken en elke nacht lopen twee personen 'berewacht'. En er gaan een paar geweren mee. Floore: “Alle verhalen over maniertjes om de beren weg te jagen geloof ik wel. Ik vertrouw alleen op de loop van het geweer. Al hoop ik dat ik het niet nodig heb. Je hebt een groter probleem als je een beer schiet dan wanneer die beer jou aanvalt. Dan keert de publieke opinie zich heel snel tegen je.”

De kans dat ze het graf van de omgekomen overwinteraars vinden, is vrij klein.

Twee mannen zijn in de omgeving van het Behouden Huys begraven. Barentsz zelf, die overleed op de thuisreis, heeft vermoedelijk een zeemansgraf gekregen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden