Abstractie als utopisch middel

Vantongerloo krijgt een halve eeuw na zijn dood de waardering die hij tijdens zijn leven nooit heeft ondervonden.

Jarenlang is het een goed bewaard geheim geweest: de ’aanstichters’ van de moderne, dat wil zeggen abstracte kunst waren niet alleen Piet Mondriaan en Theo van Doesburg. Zij trokken jarenlang op met hun Belgische collega Georges Vantongerloo. Die leefde van 1886 tot 1965 en overleefde beiden met tientallen jaren. Maar de Belg wist met zijn abstract-concrete werk nooit het grote publiek te bereiken en zakte in anonimiteit weg. Het Haagse Gemeentemuseum ’rehabiliteert’ hem nu door niet alleen een uitvoerige terugblik samen te stellen, maar ook door zijn invloed op zijn naaste omgeving in kaart te brengen. Aan de hand van tweehonderd werken en veel documentatiemateriaal krijgt de naam Vantongerloo een intrigerende klank.

De indirecte aanleiding van dit initiatief van het Haagse museum die hiervoor een samenwerkingsverband met het Wilhelm Lehmbruck Museum in Duisburg aanging, ligt in de vele aandacht die de musea in de afgelopen tijd voor Theo van Doesburg hebben getoond. Zo bracht De Lakenhal in Leiden de vader van De Stijl in een groots opgezet retrospectief zonder evenwel veel aandacht aan zijn omgeving te bieden. Dit monografische retrospectief is binnenkort in de Tate Modern in Londen te zien, ook daar zonder enige context. Zeventig jaar na zijn dood is Van Doesburg nog steeds de zon waar omheen al dan niet geëxploreerde planeten cirkelen.

Zo niet in het Haagse museum, waar tentoonstellingsorganisator en conservator Hans Janssen al jaren met het idee rondliep om nu eens Georges Vantongerloo centraal te zetten, niet met veronachtzaming van zijn deelname aan De Stijl. Vantongerloo blijkt zo’n complexe figuur te zijn dat zo’n taak niet door één enkel museum kan worden uitgevoerd. Het samenstellen van een breed opgezette presentatie is een belangrijke activiteit, maar er moet ook een goede catalogus komen. Hans Janssen, in het museum steeds vaker aangezien voor de Mondriaankenner bij uitstek (hij werkt momenteel aan een lijvige studie gewijd aan een enkel schilderij van Mondriaan, te weten Victory Boogie Woogie), schat de deelname van Vantongerloo aan de modernistische beweging hoog in. Afgaande op de feiten klopt dat ook wel. Vantongerloo, in Antwerpen geboren, schilderde aanvankelijk in een post-impressionistische stijl. Zo in de trant van zijn landgenoot Rik Wouters, die overigens in de Eerste Wereldoorlog naar Nederland zou uitwijken. Vantongerloo heeft, eveneens naar Nederland gevlucht, contact met Wouters gehad. Dat moet van korte duur zijn geweest, want Wouters overleed in 1916 in Amsterdam. Contacten met de Nederlandse en uitgeweken buitenlandse avantgarde (Vilmos Huszàr en Van Doesburg) dateren van na 1916. Het leidde er toe dat Vantongerloo zich al in 1918 bij De Stijl aansloot. Veel eerder had dat niet gekund: de beweging was nog geen jaar daarvoor opgericht.

Het jaar 1918 was overigens wel getuige van een grootscheepse heroriëntatie op de mogelijkheden van een nieuwe kunst. De Eerste Wereldoorlog, toen nog La Grande Guerre geheten, maakte een definitief einde aan de alom heersende Art Nouveau. De ’nieuwe kunst’ in Nederland, maar vooral ook in België (Horta), Frankrijk en Duitsland werd vanwege de overdreven belangstelling voor het ornament algemeen gezien als een stuiptrekking van de laat 19de eeuwse kunst. De leden van De Stijl hebben het ornament totaal afgeschaft. Daarvoor in de plaats kwam een stijl die in niets meer aan de natuur zou refereren, maar desalniettemin in sommige gevallen toch een hoger doel moest dienen. Zo had Mondriaan belangstelling voor de theosofie, zie zijn spiritueel onderbouwde schilderijen. Ook Vantongerloo was het hogere niet vreemd. In aanvang zocht hij de menselijke relatie met het kosmische, waarvoor hij plastische oplossingen zocht, en vond.

Vantongerloo heeft deze relatie in verschillende stijlvormen willen uitdrukken. Vrijwel altijd drukte hij zich in abstract-geometrische vormen uit. Hij kon even goed een wereld van bollen creëren als een omschreven ruimte van open en gesloten blokken. Ook in het gebruik van materialen schiet zijn werk alle kanten uit: hij bouwde driedimensionale beelden van beton, hout en messing, constructies van monochroom gekleurde ruimten, schilderde en tekende cirkels en bolle vlakken in primaire kleuren. Net als Mondriaan en Van Doesburg gebruikte Vantongerloo ook de ruitvorm (’losange’ geheten) maar in zijn kleurgebruik komt ook groen voor, naast het rood en blauw dat bij Mondriaan en Van Doesburg zo overweegt. Groen is de kleur bij uitstek om het hemelse te symboliseren en daarmee de oneindigheid van de kosmos.

Als beeldhouwer en schilder was Vantongerloo ook uitvinder, constructeur en ingenieur. Wat dat betreft kan hij beschouwd worden als een homo universalis, een kunstenaar die op alle fronten actief was. Maar de kijker kon ook leven in zijn abstracte constructies. Hij heeft er veel moeite voor gedaan om als architect erkend te worden. De stroom bouwtekeningen (vaak voor enorme bouwprojecten als luchthavengebouwen en fabrieken) met een utopisch karakter, leidde evenwel nooit tot een opdracht.

Invloed met zijn ideaal gedachte wereld had Vantongerloo trouwens wel op zijn tijdgenoten. Ook na de Tweede Wereldoorlog was er in kunstenaarskringen belangstelling voor de utopisch gedachte bouwconstructies. Zo moet Constant de planologisch-utopische constructies van de Belg voor ogen hebben gehad toen hij aan New Babylon (eind jaren ’50 na zijn Cobra-periode) begon. In het Gemeentemuseum staat een van Constants modellen die sprekend lijkt op een constructie van de Belg.

Succes had Vantongerloo dus wel zeker met zijn werk, maar de uitstraling bleef beperkt tot een kleine kring van adepten. Maatschappelijk aanzien heeft zijn werk nooit gekregen, op dat punt steekt het schril af tegen dat van Mondriaan en Van Doesburg. Het Haagse museum schrijft het gebrek aan maatschappelijke erkenning toe aan de dominante rol die Van Doesburg binnen de modernistische beweging innam.

Vantongerloo was waarschijnlijk veel te bescheiden om zichzelf een machtige positie toe te denken en te ongedurig ook om zich met triviale zaken bezig te houden. Als kunstenaar was hij onvermoeibaar bezig, hij wist zich in alle fasen van zijn ontwikkeling te vernieuwen. Van een lineaire ontwikkeling (Mondriaan die aanvankelijk figuratief begon, vervolgens uit zijn landschappen en bomen een abstracte vorm distilleerde om uiteindelijk in Victory Boogie Woogie toch weer inspiratie te vinden in de herkenbare wereld) is al evenmin sprake.

Op zoek naar nieuwe uitdrukkingsvormen kon hij niet lang stil staan bij wat hij tot dan toe had bereikt. En als onrust uitgroeit tot hoofdmotief is het succes ver te zoeken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden