Abstract in sieraardewerk

Als keramist sloeg Henri Breetvelt nieuwe paden in. Hij was de art nouveau een stap voor.

Cees Straus

Schilders als Mondriaan, Malewitsj, Kandinsky en Klee worden als grondleggers van de moderne abstracte kunst gezien. Hun werk ontstond tussen 1914 en 1920. Toch waren er kunstenaars die al enkele jaren daarvoor spontaan tot non-figuratieve beeldtaal kwamen.

Daar zaten vooral Nederlandse schilders bij, die de erfenis van de impressionisten (Cézanne, Van Gogh) oppikten en daar de uiterste consequentie uit trokken. In deze periode (art nouveau), duiken ook kunstenaars op wier werk onder het hoofdstuk toegepaste kunst vallen. Daartoe behoort ook de keramist Henri Breetvelt. In het Keramiekmuseum Princessehof in Leeuwarden blijkt Breetvelt een van de allervroegste kunstenaars te zijn die geometrische oplossingen bedachten voor aan de natuur ontleende vormen.

De vroege Mondriaan schilderde het liefst Haagse School-achtige landschappen van waaruit hij rond 1915-’16 tot een abstrahering van de vorm kwam. Mondriaan had die ideeën niet van hem zelf. In de decennia daarvoor werden bij het kunstonderwijs op de academies aankomende schilders aangezet om vanuit de natuur tot een vormstilering te komen die het realisme en naturalisme overbodig zouden maken. Wel gaf Mondriaan de vorm van de compositie gaandeweg een autonoom karakter. Zijn beroemde geabstraheerde boom maakte plaats voor een concrete aanduiding van ruiten en vierkanten.

Een soortgelijke ontwikkeling deed zich ook voor bij Henri Breetvelt. De twintigste eeuw begon nog maar net toen Breetvelt zijn vazen met blokjespatronen decoreerde. Of Breetvelt (1864-1925) ooit contact met Mondriaan heeft gehad, is niet bekend. Dat geldt ook voor de vroege Hollandse abstracten van De Branding zoals Gerwlh (de schildersnaam van Ger Ladage), Johannes Tielens en Jan Deene, die zich door de abstracte Kandinsky lieten sturen.

Breetvelt heeft op uiteenlopende plekken een ontwerppraktijk gevoerd, maar over contacten met collega’s is weinig bekend. Bovendien was hij vooral actief op het gebied van sieraardewerk. In kunstenaarskringen waar het debat werd gevoerd welke kant de moderne kunst uit moest, hield hij zich nauwelijks op.

Geboren in Delft, kwam hij al op 18-jarige leeftijd als leerling bij De Porceleyne Fles terecht. In de avonduren volgde hij daar de Polytechnische School. Ook stond hij ingeschreven op de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag, waar hij schildersles van Breitner kreeg. Met zijn studie aan de gerenommeerde Haagse academie liet Breetvelt blijken dat hij ongetwijfeld ook als schilder (in de zin van vrij kunstenaar) ambities moet hebben gehad. Er zijn inderdaad (abstracte) schilderijen van Breetvelt bewaard gebleven, maar die zijn jammer genoeg niet in Leeuwarden te zien.

Breetvelts verbintenis bij De Porceleyne Fles was van korte duur. In 1886 vestigde hij zich met zijn vrouw Cornelia du Mée als zelfstandig ontwerper van sieraardewerk. Zo’n eigen atelier moet hem goed zijn bevallen: tot 1900 werkte hij uitsluitend zelfstandig. In dat jaar trad hij in vaste dienst bij de destijds vermaarde Plateelbakkerij Zuid-Holland, het geesteskind van Egbert Estié. Breetvelt was in die tijd al meer een ontwerper van decoraties dan een pottenbakker in de oorspronkelijke betekenis van het woord. Zijn decors kwamen op objecten terecht met een sierfunctie.

Als decor koos Breetvelt schilderijen uit de Gouden Eeuw. Rembrandt en Frans Hals waren zijn favorieten, maar ook tijdgenoten van het kaliber Mauve, Blommers en Bosboom. Breetvelt ontplooide zich niet als klakkeloze imitator. Hij koos vaak details uit schilderijen die hij vanuit een ongewone invalshoek op een hoog geschouderde vaas overbracht.

Na een intermezzo bij de Société Céramique in Maastricht keerde hij in 1905 terug bij Egbert Estié. Die was in Noordwijk een eigen porseleinmanufactuur begonnen onder de naam De Kroon. Rond die tijd liet Breetvelt blijken dat hij bijzonder gecharmeerd was van het werk van de Japanse schilder Koni Barei. Diens vogels kwamen vervolgens op zijn keramiek terecht. Voorkeur voor Japanse kunst was in deze tijd niet ongewoon. Schilders als Van Gogh waren zeer gecharmeerd van de Japanse prentkunstenaars Hokusai en Hiroshige.

Ook bij De Kroon in Noordwijk ontwikkelde Breetvelt zich steeds meer als ontwerper en trad nog maar zelden als uitvoerder aan. Op vormgebied is dan ook geen enkele ontwikkeling te zien. De vazen en schotels bleven zoals ze al eeuwen lang waren: balustervormig of juist hoog en breed geschouderd. Eigenlijk was voor Breetvelt elke ondergrond geschikt, omdat de decoraties een eigen leven gingen leiden.

Bij De Kroon werd voor het eerst zichtbaar dat Breetvelt de zweepslaglijn, die zo typerend is voor de Nederlandse art nouveau, inruilde voor het abstract-geometrische schaakbordpatroon dat in de schilderkunst vooral door Bart van der Leck en Theo van Doesburg werd ontwikkeld. Bij Breetvelt bleef het bloemmotief vaag herkenbaar, ook als het oplost in veelkleurige stippen en blokjes die kleurvlakken opvullen. De stilering van het bloemmotief kan overigens ook zijn oorsprong vinden in zijn jaren op de kunstacademie. Misschien heeft Breetvelt ook belangstelling gehad voor sieraardewerk uit islamitische landen (Perzië) dat met gestileerde planten, bloemen en bomen wordt gedecoreerd.

Veel succes had De Kroon met zijn vroege abstracte vazen nu ook weer niet. In 1910 kwam er een eind aan de onderneming van Estié. Een jaar daarvoor was Breetvelt al weggegaan, waarschijnlijk omdat commerciële successen uitbleven. Andermaal wilde Breetvelt voor zichzelf beginnen. Zeven jaar lang kon hij zich zelfstandig handhaven, maar in 1916 moet hij toch de commerciële noodzaak hebben gevoeld om weer een vaste dienst te zoeken. Bij Plateelbakkerij Zuid-Holland (plateel was in de 19de en 20ste eeuw alles wat van gietklei was gemaakt) in Gouda zou Breetvelt tot aan zijn dood blijven werken.

Hij kreeg er zowaar een eigen atelier en mocht zijn ontwerpen met zijn volledig uitgeschreven naam signeren. Ook in Gouda waren bloemen zijn favoriete motief. Ze werden nooit zo schilderachtig meer weergegeven als in de tijd van de art nouveau. Breetvelt wilde nieuwe wegen inslaan en zocht voortaan naar een expressievere uitdrukking. Typerend is dat hij ook afscheid nam van de hoog glanzende glazuren die voortaan mat en dus minder kleurig oogden.

Verwant aan het email cloisonné zijn de scherpe contourlijnen waarmee Breetvelt elk kleurvlak afbakende, weer een voorbeeld van zijn ’heftige’, zo niet forse schilderstijl. Anderzijds ontwikkelde Breetvelt in zijn Goudse periode ook een lossere toets. Op vazen van groot formaat kwam die goed tot zijn recht. Van een elegante lijnvoering – zo typerend voor de art nouveau – was toen geen sprake meer. Dat zet ook de titel van de expositie ’Expressionist in art nouveau’ op losse schroeven. Ver voor de meute uit – de ’nieuwe kunst’ bleef tot rond de Eerste Wereldoorlog in zwang – had Breetvelt de toegepaste kunst op een modern spoor gezet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden