Abstract Amerika in Twente

Frank Stella, 'Sunapee', 1966. Links hiernaast: Alfred Jensen, 'Forward to Sunrise', 1960. (Trouw)

Rijksmuseum Twenthe eert de eerste naoorlogse abstracten uit de VS, wier werk uit enkel verf, kleur en vorm bestaat.

Het nieuwe seizoen opent vlak na de zomer opvallend genoeg het vindingrijkst buiten de Randstad. Zo loopt in Heerlen een interessante tentoonstelling over de anarchist John Cage en wordt in Tilburg volgende maand (ook voor het eerst in Nederland) een tentoonstelling gewijd aan de schilder Howard Hodgkin.

En in Rijksmuseum Twenthe, in Enschede, opende afgelopen week ’Abstract USA 1958-1968: in the galleries’. Een tentoonstelling over – de naam zegt het al – de eerste naoorlogse Amerikaanse abstracten. De getoonde cool art, hard edge, colorfield painting of systemic painting – zoals de verschillende vertegenwoordigers van deze stroming door kunstcritici werden genoemd – vormde destijds een reactie op het abstract expressionisme. Kunstenaars zoals Frank Stella en Donald Judd wilden af van het intuïtieve schilderen van hun voorgangers. Hun antwoord was een koele abstractie zonder expressie of ’handschrift’.

Eigenlijk wilden de nieuwe generatie sowieso af van de schilderkunst met zijn illusies van ruimte en met zijn verwijzingen naar de echte wereld. Een schilderij mocht niet meer zijn dan verf, kleur en vorm. ’What you see is what you see’ (wat je ziet is wat je ziet), luidde het veelzeggende en veel geciteerde credo van beeldend kunstenaar Frank Stella.

Rijksmuseum Twenthe, dat dit seizoen zijn tachtigste verjaardag viert, kreeg in 2009 een particuliere collectie moderne en hedendaagse kunst in bruikleen van de No Hero Foundation. ’Abstract USA’ is de tweede grote tentoonstelling met werk uit die collectie: afgelopen seizoen toonde het museum jonge Chinese kunst in ’Red Storm’.

„Het is een heel diverse verzameling, maar van hoge kwaliteit”, zegt museumdirecteur Lisette Pelsers. „Wij hebben zelf veel Nederlandse abstracten in de collectie. Er was dus een mooi verband te leggen tussen de twee collecties. Maar we wilden dat er een concept aan ten grondslag zou liggen. En we wilden laten zien hoe de relaties tussen de abstracte kunstenaars in Amerika en Nederland zijn geweest.”

In ons land drong de nieuwe Amerikaanse kunst pas in de tweede helft van de jaren zestig door, met als belangrijke tentoonstelling ’Vormen van de kleur’ in het Stedelijk Museum in Amsterdam, in 1966. De vormgeving en belettering van ’Abstract USA’ grijpt bewust terug op die eerste expositie.

Naast algemeen bekend geworden namen zoals Frank Stella, Donald Judd en Kenneth Noland, toont Rijksmuseum Twenthe ook werk van kunstenaars die nauwelijks vertegenwoordigd zijn in Nederlandse collecties. „Je ziet dat de generatie hierna, kunstenaars zoals Sol LeWitt, hier veel zijn getoond”, aldus Pelsers. „Maar dat gold voor deze groep nog niet.”

Bijzonder is dat het museum Wouter Davidts, hoogleraar Kunstgeschiedenis van de Moderne Tijd aan de Amsterdamse VU, als gastcurator aantrok. Samen met student Jesse van Winden nam hij de kritieken die Donald Judd schreef voor het tijdschrift In the Galleries als leidraad voor hun keuze van werken. Behalve beeldend kunstenaar was Judd namelijk ook jarenlang een vlijmscherp observator van de stroming waarvan hij zelf deel uitmaakte.

’Abstract USA’ ziet Judd als sleutelfiguur in de ontvangst van de nieuwe Amerikaanse kunst in Nederland sinds de jaren zestig. Pelsers: „Judd vormt een brug tussen Amerika en Nederland, ook omdat zijn eigen kunst hier altijd erg werd omarmd. Hij hoort bij de generatie kunstenaars die zich meer gingen bewegen op internationaal vlak. Je ziet in de jaren zestig ook het omgekeerde gebeuren bij sommige Nederlandse kunstenaars, zoals Ger van Elk: hij is in die tijd juist in Amerika gaan werken.”

Het is interessant om, lopend langs de werken van ’Abstract USA’, Judds commentaar op zijn collega’s te lezen. Hij schrijft alsof het om een abstract wetenschap gaat, met het kunstwerk als objectieve waarheid. „Het is niet alleen nieuw, maar ook beter”, lees je over Stella. En over Noland: „Noland is een van de besten, maar niet de beste. Evenmin is hij de leider van de beste groep.” En, nog vileiner: „Dzubas is de minste van een aanzienlijke groep kunstenaars wier aanwezigheid in landelijke tentoonstellingen en grote galerieën onverklaarbaar is.”

Met Judd als gids krijgt de selectie van zesentwintig werken van in totaal vijftien kunstenaars uit de verzameling van de No Hero Foundation een prikkelende samenhang. Een aantal onbetwiste topstukken van Sam Francis, Alfred Jensen, Judd, Noland en Stella worden door Davidts met liefde in context geplaatst tussen minder bekenden zoals Helen Frankenthaler en Jules Olistski. Judd is bepaald geen pragmatische paraplu voor ’Abstract USA’. Met rondleidingen, cursussen, lezingen en een symposium laat Rijksmuseum Twenthe de komende tijd zien dat het een serieuze aanzet wil geven tot het onderzoek naar de betekenis van de abstracte Amerikaanse kunst in Nederland.

Frank Stella, 'WILD', 1965. (Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden