Absolute leeftijd zeventien

„Altijd dat gezeur over die pijp, en nu ziet niemand dat ik niet meer rook.” Harry Mulisch wordt tachtig jaar oud.

’Er is één ding erger dan tachtig worden, en dat is géén tachtig worden.”

Aldus Harry Mulisch, die, met zijn eigen tachtigste verjaardag geconfronteerd, verbaasd is dat het al zover is. „Ik denk steeds: daar moet toch een vergissing in het spel zijn. Dat jij hier vanmiddag op de bank zit om met mij over mijn tachtigste te praten, daar kan ik eigenlijk alleen maar héél hard om lachen.”

Mulisch heeft altijd geleefd alsof hij onsterfelijk is. Een vroege dood, zo schreef hij eens, beschouwt hij als ’een gebrek aan talent’. De schrijver trekt zijn wenkbrauwen op. „Dat is toch ook zo? Waarom zou je al jong onder de tram stappen of door een meteoor geraakt worden? Dat is toch niet nodig? Er zijn mensen die depressief zijn en angst hebben voor de toekomst, maar tot die mensen behoor ik niet. En doodgaan, néé, dat is niks voor mij.”

Deze houding tekent Mulisch al vanaf zijn jeugd. Al jong wist hij dat hij schier oneindig de tijd zou hebben om te leven én dat er een genie in hem schuilging - al wist hij nog niet waar zijn genialiteit hem zou brengen. Aanvankelijk was hij ervan overtuigd dat hij de Nobelprijs voor de chemie zou krijgen – zijn kamer in de Haarlemse Anna van Buurenlaan 47 had prof. dr. ir. H.K. Mulisch ingericht als laboratorium voor wetenschappelijke experimenten – maar hij ’werd wat hij was’: een schrijver.

Vanaf het moment dat Mulisch zijn eerste verhaal schreef en publiceerde – ’De kamer’ in Elseviers Weekblad van 8 februari 1947, waarin een man een kamer herkent die zijn sterfkamer blijkt te zijn – heeft hij nooit meer werkelijk iets anders gedaan. En hoewel het schrijven hem van meet af aan succes bracht, bleef hij ervan overtuigd dat het beste nog moest komen. In 1976, in zijn pamflet tegen Gerard Reve – ’Het ironische van de ironie’ – voorspelde Mulisch dat hij niet, zoals Reve, een wonderkind was, maar een „wondergrijsaard” zou worden.

Hoewel Mulisch nu de tekenen van de ouderdom begint te vertonen, voelt hij zich innerlijk nog dezelfde. Net als Rudolf Herter, zijn alter ego uit zijn laatste roman, Siegfried: „Na twee kankeroperaties en een hersenbloeding voelde hij zich fysiek als een schaduw van de schaduw die hij eens was – maar alleen fysiek.”

Mulisch voelt zich zo oud als zijn absolute leeftijd: zeventien. Dat idee schoot hem te binnen in de jaren zestig. „Ik bedacht me dat iedereen een ’absolute leeftijd’ moest bezitten, die nooit veranderde. Een leeftijd die eerder wordt bepaald door emotie en karakter. Zo was het voor mij onmiddellijk duidelijk dat Jan Hein Donner, mijn boezemvriend, de absolute leeftijd van twee jaar had. Toen ik hem dat vertelde, zei hij met gespeelde woede: „Twee jaar?! Twee maanden, zul je bedoelen, ik kan nog niet eens praten!”

Cees Nooteboom werd in De Herenclub, de groep vrienden met wie Mulisch al decennia lang op maandagavond gaat dineren, juist een heel hoge leeftijd toebedeeld. „Ik meen dat het 72 was,” lacht Mulisch. „Maar dat houdt geen kwaliteitsoordeel in.”

Zijn eigen absolute leeftijd schat hij dus in op zeventien, niet toevallig de leeftijd van Quinten, de jonge held van ’De ontdekking van de hemel’ die in Rome de stenen tafelen der wet aantreft in het Sancta Sanctorum, het Heilige der Heiligen. „Zo is het,” stelt Mulisch tevreden vast. „Al wilde ik, anders dan Quinten, op mijn zeventiende zelf heilige worden. En gangster, maar als ik nu naar Holleeder kijk, de zogenaamde topcrimineel, dan weet ik dat niet meer zeker. Ik dacht destijds natuurlijk aan de Amerikaanse gangsters in hun fraaie krijtstreeppakken. Die waren voor mij vrijgevochten helden en het volstrekte tegendeel van de nazi’s.”

Een verklaring voor het feit dat het juist zeventien is, heeft Mulisch niet. „Dat is een gevoel. Dat wéét je. Als je zeventien bent, ben je niet echt volwassen, maar ook geen kind meer. Het is een kantelende leeftijd. Grote wiskundigen kregen op die leeftijd hun grootste ideeën.” De jonge Mulisch blies in die tijd het huis bijna op met zijn chemische experimenten, ontwikkelde ingewikkelde denksystemen die het wereldgeheim moesten ontsluieren. Als hij tenminste niet naar de meisjes keek. „Ook met de seksualiteit heeft het natuurlijk te maken – die komt op die leeftijd tot grote bloei.”

In Mulisch’ Getijdenboek valt zijn prille seksuele geschiedenis nauwkeurig te volgen: eerst kwam Emy, met wie hij kuste in een privé-schuilkelder van de buren, daarna gebruikte hij zijn vingers bij Verony, en Annie kwam, toen hij nog net zestien was, voor het eerst ook aan hem: „Het zal de psychoanalytici verheugen dat dat op de verjaardag van mijn moeder gebeurde.” En op zijn zeventiende gebeurde het toen écht met ’een uitdagende rosse meid’ genaamd Wouda. „Ik had haar op straat opgepikt,” herinnert Mulisch zich. „Na een half uur kletsen, waarbij ik haar niet had aangeraakt, moest ik even naar de wc. Voor de grap zei ik bij het weggaan: Kleed je maar vast uit. Toen ik terugkwam, lag zij naakt op bed.”

Vanwege de experimenten en de meisjes was de jonge Harry „soms weken achtereen niet in de gelegenheid het Christelijk Lyceum te bezoeken”. In maart 1944 had de rector van het lyceum, dr. J. van der Elst, een brief geschreven naar zijn vader, waarin hij melding maakt van ’ernstige klachten’ van ’vele leraren’. Harry was volgens de rector ’te fluwelig, enigszins onbetrouwbaar, druk, onderaards kletser, lawaaierig, luidruchtig en ruw, praatjesmaker, bankenvernieler.’ Hij voerde bovendien geen klap uit en werd gedwongen om op woensdag 6 september 1944 herexamen te doen om naar de volgende klas over te gaan. Geschrokken ging Harry die zomer hard aan het werk, totdat de dag vóór zijn herexamen aanbrak: dinsdag 5 september 1944, beter bekend als Dolle Dinsdag.

„Die dag was iedereen ervan overtuigd dat de oorlog afgelopen was. De mensen staken de Nederlandse vlag uit en stonden met bloemen langs de kant van de weg om te zien of de Engelsen er al aankwamen. Mijn vader was in een uitstekend humeur en gaf mij en mijn vriendje Wim Reinalda twee borrels te drinken. Wij werden allebei doodziek. Sinds die dag heb ik nooit meer een druppel jenever gedronken. Vreselijk.” De schrijver trekt een zuur gezicht. „Enfin, van dat herexamen de volgende dag kwam niets terecht. ’Gezakt, Mulisch,’ zei Van der Elst na afloop tegen mij.”

En in het Getijdenboek voegde Mulisch daar nog aan toe: ’Maar toen hijzelf nog geen jaar later met zijn herenfiets op een kruispunt door een autobus werd verpletterd, dacht ik: Gezakt, Van der Elst.’

Mulisch grinnikt. „Nu denk ik daar natuurlijk helemaal anders over. Ik zou het fijn vinden als hij mijn tachtigste verjaardag nog zou kunnen meemaken. Hij zou de eregast zijn!”

Hoe humoristisch Mulisch ook over de oorlog kan spreken, die heeft hem ten diepste getekend. „Ik werd zeventien in de zomer van 1944,” zegt hij, „maakte de hongerwinter mee en werd achttien in de zomer dat Nederland werd bevrijd van de Duitsers. Het was een jaar van enorme tragiek en kracht. Ik was niet kapot te krijgen.”

Misschien wel Mulisch’ beroemdste uitspraak is: „Ik ben de Tweede Wereldoorlog.” In zijn biografie raken de twee extremen van de oorlog elkaar. Hij is de zoon van een Joodse moeder en een ’foute’ vader. Kurt Mulisch, die in de Eerste Wereldoorlog in het Oostenrijkse leger vocht en het Duitse ijzeren kruis had gekregen, was op voorspraak van een oude vriend uit het leger Directeur Personeelszaken van Lippmann-Rosenthal geworden, een bank die Joden van hun geld beroofde.

„De vraag is,” zegt Mulisch, „of mijn vader afdoende is gekenschetst als ’fout’. Door zijn functie is hij óók in staat geweest om mijn moeder te redden van de gaskamer. Zij werd op haar verjaardag in 1944 gearresteerd – en mijn vader kreeg haar weer vrij. Mij heeft hij later in dat jaar overigens ook weten te behoeden van de ondergang. Toen een jonge Duitse soldaat mij thuis kwam halen voor de Arbeitseinsatz, schreeuwde mijn vader op autoritaire toon: ’Heil Hitler!’ En stak zijn rechterarm omhoog. Aarzelend beantwoordde de soldaat mijn vaders groet, met bibberende arm – en had de situatie meteen verloren. Nadat mijn vader nog even met hem had gesproken, mocht ik thuis blijven.”

Mulisch kon bijna niet wachten tot de bezetting voorbij was. „De tijd duurde 1714 keer zo lang,” schreef hij in ’De toekomst van gisteren’. In maart ’45 sprak hij met Wim Reinalda af dat zij samen naar bevrijd gebied zouden vluchten. „Wij zouden elkaar om zes uur ’s ochtends treffen. Om half twaalf werd ik goed uitgerust wakker, en Wim was intussen vertrokken. Nee, de Militaire Willemsorde was niet voor mij weggelegd.”

Toen het land echt bevrijd was, werd de vader van Harry gearresteerd, toen die stoïcijns op zijn werk in Amsterdam arriveerde. „Op de eerste werkdag na de bevrijding wilde hij vertrekken, alsof het een dag was als alle andere. Ik zei nog: Waarom blijf je niet hier? Je wordt toch wel opgepakt. ’Niks mee te maken,’ zei mijn vader, ’op maandag ga ik naar mijn werk.’ Dat was zijn officiersplicht. Dus vertrok hij, op mijn fiets nota bene. Die fiets moeten ze nog steeds teruggeven.”

Opmerkelijk detail is dat Mulisch zijn vader na zijn arrestatie een tijd niet wist te lokaliseren. Kurt Mulisch bleek te zijn opgesloten in het Huis van Bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam – en dat stond direct naast het pand waar Mulisch in 1958 zelf kwam te wonen, nooit meer wegging en het leeuwendeel van zijn oeuvre schreef. „Ik stel me voor dat mijn vader uit het raam van zijn cel mijn schaduw kan hebben gezien.”

Dit alles brengt het jaar dat Harry Mulisch zeventien was in herinnering. De schrijver kijkt op van de bank, naar de achterzijde van de kamer, die grenst aan de voormalige gevangenis. Buiten is de schemering ingevallen. Zijn bureau wordt langzaam door de duisternis opgeslokt, net als zijn onaangeroerde pijpenrek. „Dat valt ook niemand op, dat ik al jaren gestopt ben met roken, terwijl er daarvoor altijd over die pijp werd gezeurd,” schampert de schrijver. „Ach, de onopmerkzaamheid van anderen.”

In ’Voer voor psychologen’ staat: „Het is een moeilijk maar uitverkoren lot, geen andere jongen te zijn. Wie ik wel ben, ongeveer, heb ik meer dan uit mijn eigen daden geleerd uit de daden van anderen jegens mij, wanneer ik niets deed. Doe niets en let scherp op. De afgrond, die dan in anderen opengaat, of niet, dat ben jij.”

Niet voor niets begint dat boek met de zin: ’Ik was achttien, toen er gebeld werd.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden