Abel Herzberglezing 2003

,,Ik moet bekennen dat ik niet altijd zo heb gedacht. Het zou zelfs een gotspe zijn te beweren dat ik, als allochtoon, als Fransman geboren in Algerije, vanaf het prille begin van mijn verblijf in Nederland de multiculti's heb verfoeid. Ik was zelf een multiculti.'' In een fascinerend vlechtwerk van persoonlijke geschiedenis en kritische analyse neemt Trouw-columnist Sylvain Ephimenco afscheid van het multiculturalisme. Op deze pagina de Abel Herzberglezing 2003, die Ephimenco gisteren uitsprak in De Rode Hoed te Amsterdam.

William Shakespeare laat de Engelse koning Richard III in het gelijknamige stuk verzuchten dat hij zijn koninkrijk best voor een paard zou willen ruilen. Hoewel geen Engelsman en ook geen koning, betrap ik me soms op het parafraseren van deze beroemde zin: mijn koninkrijk, mijn boeken, mijn vrouwen enzovoort voor de afschaffing van de uitdrukking 'multiculturele samenleving'.

Dit niet om de realiteit te ontvluchten, zoals koning Richard deed tijdens de veldslag van Bosworth, maar om definitief af te rekenen met een illusoir concept, een schimmig droombeeld dat in een nachtmerrie van misverstanden dreigt te verzanden. Nederland mag best, vooral in de grotere steden, al onmiskenbaar multi-etnisch zijn, multicultureel kan het beter niet worden.

Hiermee zijn we direct beland in het hart van mijn aanklacht tegen de multiculturalisten. Hiermee bedoel ik degenen die, zich expliciet beroepend op universele waarden als tolerantie, gelijkheid, scheiding van kerk en staat of democratische moderniteit, een model voor ogen hebben dat uitgerekend deze waarden feitelijk ondermijnt. Zij die ons willen doen geloven dat het enige alternatief voor het in hun visie onvermijdelijke multiculturalisme een terugkeer zou betekenen naar 'De Avonden' van G.K. van het Reve. Terwijl het juist de permissieve multiculturele samenleving is die ons naar de benauwde jaren vijftig terugvoert. Die etnische groepen in staat stelt zich in een vorm van multiculturele segregatie op te sluiten. Die het alibi vormt voor nieuwe extremistische groepen om van hun etniciteit een instrument van differentiatie te maken en dus van ontwrichting van de homogene samenleving.

Het is dit multiculturele model dat de zwaarbevochten emancipatie van vrouwen of seksuele minderheden plots een halt lijkt te willen toeroepen. Dat in de openbare ruimte steeds meer plaats claimt voor bedenkelijke geloofsuitingen en de acceptatie van zeer conservatieve religieuze denkbeelden, hiermee de ontzuiling en de secularisatie die Nederland kenmerken op losse schroeven zettend. Dit is een eigenaardige paradox: dat in naam van moderniteit en progressieve aspiraties, het multiculturele ideaal de samenleving in werkelijkheid steeds conservatiever maakt. Dat zich links afficherende multiculturalisten in feite rechtse concepten als segregatie, vrouwenonderdrukking en terugkeer naar orthodoxe religieuze waarden in de hand werken.

Laten we om te beginnen eens afstappen van de opvatting dat het verwerpen van de multiculturele samenleving automatisch het afwijzen van de ander, van de nieuwkomer of allochtoon betekent. Dat is een perfide beschuldiging die het wezenlijke verschil tussen multicultureel en multi-etnisch niet wil erkennen en alleen maar dient om het debat om zeep te helpen.

De multi-etnische samenleving die ik voor ogen heb, kent zowel verscheidenheid als homogeniteit. Verscheidenheid in etniciteit en culturele beleving in de privésfeer; homogeniteit in de openbare ruimte en in de waarden waarop de democratische samenleving rust. Anders dan in het multiculturele model wordt er in het multi-etnische model niet gesleuteld aan de dominante cultuur en worden er geen componenten van de cultuur van nieuwkomers dwangmatig aan toegevoegd. Je hoeft in de multi-etnische samenleving je eigen identiteit niet te verloochenen, maar je dient de primaire waarden van de traditionele dominante cultuur wel te respecteren en je die eigen te maken.

Het is niet de samenleving die zich aan de nieuwkomers moet aanpassen maar andersom. Niet uit starre principes of een arrogant superioriteitsgevoel, maar om de noodzakelijke homogeniteit te bewaren en de civiele vrede te garanderen. Het recht van het individu om verschillend te zijn, is onvervreemdbaar, maar dat betekent niet dat de verschillende etnische groepen een claim op de rest van de samenleving en de overheid mogen doen om hun eigen specificiteit te versterken. Zouden ze dat wel mogen, dan krijg je een multiculturele apartheid die alleen maar aanzet tot een desintegratie van de samenleving.

Nu voel ik me verplicht te bekennen dat ik niet altijd zo heb gedacht. Het zou zelfs een gotspe zijn te beweren dat ik, als allochtoon, als Fransman geboren in Algerije, vanaf het prille begin van mijn verblijf in Nederland de multiculti's heb verfoeid. Ik was zelf een multiculti.

Er is een tijd geweest dat ik me bijna in het paradijs waande. Een paradijs van pragmatisme en verdraagzaamheid, van militant non-conformisme en zaligmakende permissiviteit, waar de reactionaire burgerlijkheid door progressieve tucht in een wurggreep werd gehouden. Een zoete hemel met een solide en sympathieke linkse kerk en haar talrijke maatschappelijke vertakkingen die aan vele van mijn idealen beantwoordde, aan mijn aspiraties van gelijkheid en humanisme, aan mijn diepe overtuiging dat discriminatie op grond van ras, sekse en geloof de sjanker was, en nog steeds is, die de mensheid perverteert.

Nederland, gids- en wonderland, een kwart eeuw geleden. Met enthousiasme en een licht gevoel van bevrijding zette ik de eerste stap op deze drassige bodem. Net twintig jaar en al een beetje vluchteling. Uit geromantiseerde overtuiging en met een passie voor mijn nieuwe vaderland. Later pas realiseerde ik me dat ik, hoewel geen refugié, in zekere zin toch op de vlucht was geslagen. Dat mijn keus om mij voorlopig in Nederland te vestigen enigszins ideologisch was geweest. Hiermee zou ik aan mijn eigen benauwde Avonden ontsnappen.

Ik verliet allereerst een gezin en zijn getourmenteerde geschiedenis. Een moeder en een vader die de historische realiteit waarin hun ongelukkige levensloop sinds de oorlog in Algerije was ingebed, niet onder ogen wilden zien.

Het botste flink thuis. Het kraakte en het piepte tussen de adolescent die zich voor zijn ouders schaamde en die die twee tevergeefs politiek trachtte te heropvoeden, en een vader en moeder die hun verdriet over het verlies van het beloofde land achter een sluier van wrok verborgen hielden. Voor mij was de kwestie helder, en hoewel ik vandaag enkele kanttekeningen in de marge zou kunnen plaatsen, is mijn lezing van die situatie onveranderd gebleven.

In 1962 hadden we onze Algerijnse geboortegrond moeten verlaten omdat wij, als heersende koloniale christelijke minderheid, niet in staat waren geweest onze privileges en relatieve rijkdom te delen met de onderdrukte, autochtone islamitische meerderheid. Van 1954 tot 1962 hadden wij, Fransen en overige Europeanen uit Algerije, een verkeerde oorlog gevoerd tegen de legitieme aspiraties van vrijheid en onafhankelijkheid van het Algerijnse volk.

Het onderwerp zorgde thuis telkens weer voor pijnlijke disputen en cesuren in het gezinsweefsel. Daarbij kwam dat mijn ouders hun ongelijk versterkten door te steunen op het meest rotte fundament dat er kon zijn: de raciale component. Wij de geciviliseerden en de beschaafden, zij de wilde en wrede barbaren.

Uit overtuiging maar ook uit schaamte voor mijn komaf besloot ik me met tegengif te injecteren en omarmde het concept van het universele anti-racisme. Ik koos welbewust voor dit beginsel en maakte het tot de hoeksteen van mijn identiteit.

Maar niet alleen mijn directe omgeving deugde niet, vond ik. Gevoed door mijn linkse en humanistische denkbeelden begon ik het land dat ons in 1962 had opgenomen te verfoeien. Het Frankrijk van Giscard en de Gaullisten dat al een kwart eeuw potdicht zat. Het Frankrijk van de verrechtsing en de geprivilegieerde bourgeoisie, autoritair en arrogant tegenover zijn minderheden. Waar het politieapparaat doordrenkt was van racisme. Waar gastarbeiders soms in de Seine werden geworpen of uit rijdende treinen gegooid.

Het toeval en een jeugdige liefde brachten me naar Nederland. Deze anti-autoritaire vrijplaats werd een soort van openbaring. Natuurlijk lag aan deze verliefdheid, aan mijn Gallische 'Hollanderie', een zekere jeugdromantiek ten grondslag. In Frankrijk had ik immers nog nooit een premier tegen het Spaanse fascisme op straat zien demonstreren. De woorden van Joop Den Uyl in een megafoon in Amsterdam resoneerden nog lang in mijn hart: 'hun strijd, onze strijd, internationale solidariteit'.

In de loop der jaren begon ik mijn tweede vaderland met een minder harstochtelijke blik te bekijken. Het was duidelijk dat Nederland in de kern van zijn identiteit conservatiever was dan ik in het begin had kunnen waarnemen. Het revolutionaire karakter van het gidsland strekte zich niet uit tot alle domeinen. De economie was onmiskenbaar liberaal en ondanks de conjuncturele regeringsdeelnames van de PvdA bleef de politiek door rechts, en met name door de confessionele partijen, gedomineerd. Een linkse electorale meerderheid, zoals intussen vanaf 1981 in Frankrijk bestond, leek hier een droomwens. En dit verbaasde me.

Desalniettemin was links er in Nederland wel in geslaagd om het morele domein glansrijk voor zich op te eisen. Links domineerde het debat over ethische waarden en veel van zijn uitgangspunten vonden moeiteloos ingang bij de andere partijen.

Wellicht dat deze algemeen aanvaarde morele superioriteit en dominantie van het progressieve kamp het debat en de controverse vroegtijdig hadden gesmoord, maar dat zou een zorg voor later zijn en leek me toen nog niet al te hinderlijk. En misschien ook kon de alleenheerschappij van links in tal van immateriële kwesties in een zekere arrogantie resulteren, maar wat telde was het resultaat. En op sommige punten mocht dat er wel wezen.

Wat me vooral aansprak, was de manier waarop de grenzen van de tolerantie werden bewaakt ten aanzien van wat toen het verschijnsel gastarbeiders werd genoemd. Een onderwerp dat mij aan het hart ging. Termen als allochtonen en vooral multiculturele samenleving waren toen nog niet in zwang. Allereerst omdat de grote immigratiegolven nog op gang moesten komen. De metamorfose van de grote steden had nog niet plaatsgevonden en het multi-etnische karakter van de samenleving was nog verre van overal zichtbaar.

Men had het in die tijd over het minderhedenbeleid. De algemene houding jegens de nieuwkomers werd niet alleen bepaald door het regeringsbeleid, dat volgens zijn criticasters traag op gang kwam, maar ook door de invloed en de innovatiedrift van het maatschappelijke veld.

Meest kenmerkend hiervoor was een anti-autoritaire inslag die goed bij de geafficheerde identiteit van de Nederlandse samenleving aansloot. Zelfs het woord 'integratie' was beladen en verdacht en kon alleen worden gebruikt met behulp van het aanhangsel 'met behoud van eigen identiteit'. De eigenheid van minderheden moest al op school worden benadrukt en versterkt door cursussen in de taal en cultuur van herkomst. De Nederlandse televisie en radio boden een rijke schakering aan specifieke journaals en programma's in eigen taal, van het Berbers tot aan het Servisch, met ook nieuws uit het verre moederland. Overheidsvoorlichting, tot aan de geboden in bus en metro's om niet zwart te rijden, werd ook in al die talen verstrekt. Enzovoort.

Maar nog belangrijker was het cordon sanitaire dat gelegd werd door tal van progressieve organisaties en politieke partijen om het veelkoppige monster te isoleren: het vermeende racisme dat tot in de diepste lagen van de blanke Nederlandse samenleving moest zijn geworteld. Eerlijk gezegd, het beviel me wel, die overgevoeligheid voor een verschijnsel dat hier in feite amper voorkwam in vergelijking met mijn eigen vaderland. Ik raakte betoverd door het rijke arsenaal aan maatregelen en organisaties die stigmatisering en uitsluiting van buitenlanders moesten tegengaan. Ik juichte de positieve discriminatie toe. Ik was onder de indruk van al die meldpunten, de discriminatie- en anti-racismebureaus, van al die progressieve intellectuelen, journalisten en politici die met opgeheven vinger de kleine bekrompen blanke burger waarschuwden voor zijn verdorven neigingen tot uitsluiting.

En hoewel ik moet erkennen dat de Nederlandse elites van toen, met hun bijna obsessieve focus op dit thema, de afglijden, die ik vandaag bestrijd, hebben ingezet, koester ik ook een mild sentiment voor de moraalridders van toen. Was hun strijd soms niet hartstikke goed bedoeld?

Zoals publiciste Anet Bleich vorig jaar in Vrij Nederland over deze periode opmerkte: 'Misschien schermden linkse activisten soms te snel met het woord racisme. Maar op zichzelf vind ik het goed dat mensen bang waren voor racist te worden uitgemaakt.' Dat andere activisten het thema van de uitsluiting op grond van ras toen willens en wetens voor andere doeleinden misbruikten, komt allicht minder sympathiek over. Ik heb het over hen die, gedreven door hun 'traditionele afkeer van de burgerlijke samenleving' (historicus J.S. Wijne), in het nieuwe proletariaat uit den vreemde en, later, in het concept multiculturele samenleving, het instrument ontwaarden om diezelfde burgerlijke samenleving om te vormen, te ontwrichten en er zelfs mee af te rekenen.

Als we ons tot de feiten beperken, was er in werkelijkheid weinig materiaal om de dreiging van een krachtig opkomend racisme aannemelijk te maken. Wat inderdaad niet uitsluit dat waakzaamheid altijd geboden blijft. Vraag is alleen in welke mate.

De meest spectaculaire gebeurtenis waar af en toe aan werd gerefereerd, was dat weerzinwekkende anti-gastarbeidersoproer in Rotterdam-Zuid, beter bekend als de rassenrellen van de Afrikaanderwijk. Maar dat dateerde van 1973. Incidenten waren er wel, maar niet van dien aard dat men kon concluderen dat het land gevaarlijk aan het afglijden was. Met uitzondering van de moord op Kerwin Duinmeyer in 1983, die jonge Antilliaan die door een skinhead werd neergestoken.

En terwijl ik wist dat in mijn eigen Frankrijk de racistische moorden jaarlijks het veelvuldige hiervan bedroegen, keek ik gefascineerd hoe de dood van Kerwin tot een emblematische gebeurtenis werd verheven. Hoe duizenden in Amsterdam demonstreerden en hoe op initiatief van burgemeester Van Thijn het slachtoffer zijn standbeeld kreeg.

Met de verkiezing van Hans Janmaat in de Kamer op 8 september 1982 kregen de anti-discriminatoire krachten een concrete vijand om de strijd tastbaarder te maken. Het land dat dit 'schandelijke fenomeen' mogelijk had gemaakt, werd opgeroepen het boetekleed aan te trekken. Er moest collectief een enorme schuld worden beleden. Er verschenen talloze artikelen en boeken die de burger bewust moesten maken van het dreigende gevaar.

Ik heb een van die werken voor de gelegenheid weer eens tevoorschijn gehaald. Een boek getiteld 'Nederlands racisme' uit 1984 dat door verschillende auteurs van naam was geschreven. Van Peter Schumacher tot Hubert Smeets (beide toen NRC Handelsblad), van Anet Bleich (de Groene Amsterdammer) tot Andrée van Es (PSP). Als je dit vandaag weer tot je neemt, kom je er niet alleen achter dat met deze titel de lading niet werd gedekt, maar dat er in dit zwaar aangezette boek een hinkend beeld werd neergezet dat absoluut niet met de werkelijkheid strookte.

Inhoudelijk niets concreets, niets tastbaars over dit verfoeide polderracisme, maar wel veel ideologische pathos van een kluwen innig verstrengelde geesten die met veel bombarie samenklonterden rond de alarmbel. Laat ik, als illustratie, een stukje citeren uit het door Peter Schumacher geschreven slotwoord van Nederlands racisme:

'Dit boek stemt niet vrolijk. Het schetst een scherper wordende confrontatie tussen mensen die buitenlanders en alles wat van oorsprong niet-Nederlands is als minderwaardig beschouwen en degenen die dit racisme niet langer wensen te accepteren. Kortom: de spanningen nemen toe. Niemand weet nog waar het met het Nederlands racisme heen zal gaan. Komen er grote rassenrellen zoals in de VS en Engeland of blijft het voorlopig bij kwalijke incidenten?'

Het is niet mijn bedoeling om de strijd tegen het racisme te bagatelliseren. Maar vanaf eind jaren zeventig creëerden progressieve krachten een alarmistisch beeld van Nederland, dat een kwart eeuw na dato tot verbijstering stemt, omdat het niets met de realiteit van doen had. De verkiezing van de leider van de Centrumpartij was, gemeten aan de omvang van het fenomeen, geen teken aan de wand. Al met al stemden niet meer dan 68000 kiezers op Hans Janmaat, en zijn partij zou spoedig aan scheuringen en conflicten tenonder gaan.

Zoals blijkt uit deze schets van de voorbije decennia pleit ik mezelf niet vrij van een zekere blindheid, van mijn onvermogen om tijdig in te zien dat het romantische multiculturalisme de eenheid van de homogene samenleving -hoe pluriform en multi-etnisch die ook mag zijn- dreigde te ondermijnen. Maar zoals men in Frankrijk placht te zeggen: 'il n'y a que les imbéciles qui ne changent pas d'avis' (Alleen imbecielen veranderen niet van mening).

De omslag in mijn denken is bespoedigd doordat ik een buurt kwam wonen, het Rotterdamse Delfshaven, waar de overgrote meerderheid van de bewoners allochtonen zijn. Inclusief mezelf. Je kunt vanuit Driebergen of de grachtengordel de lofzang van het multiculturalisme onbeperkt blijven aanheffen, maar als je de problematiek dag in dag uit van dichtbij aanschouwt, kun je moeilijk je particularistische ideologie boven de alledaagse feitelijkheid laten prevaleren.

Zo heb ik de laatste jaren kunnen constateren hoe de multiculturele segregratie en het gebrek aan gemeenschappelijke waarden de cohesie van de buurtpopulatie steeds verder aantastten. Hoe bevolkingsgroepen zich steeds meer van elkaar verwijderden en steeds minder met elkaar communiceerden. Hoe reactionaire godsdienstige krachten die met de rug naar deze moderne samenleving staan een grotere invloed kregen. Hoe de Nederlandse taal haar functie van bindend element verloor en hoe sociaal-economische autarchie bij verschillende groepen wet werd.

Een dergelijke vervreemding van elkaar leidt niet alleen tot kille onverschilligheid en wederzijds onbegrip, maar kan in tijden van spanningen en in geval van incidenten ook resulteren in vijandigheden.

Maar niet alleen mijn leef- en woonsituatie is bepalend geweest.

Al enkele jaren is het mij duidelijk dat een doorgeschoten multiculturalisme het verantwoordelijkheidsbesef van diverse etnische groepen voor het grotere verband van de hele samenleving heeft doen afnemen. In een multiculturele samenleving zijn de eisen, verlangens en claims van de verschillende groepen waaruit ze bestaat allereerst gericht op de eigen gemeenschap. Dit resulteert in een particularisme dat, in de zuivere betekenis van het woord, het belang van de eigen groep boven het algemeen belang stelt, dat zich er meer om bekommert nieuwe rechten voor de eigen groep te verwerven dan traditionele plichten ten aanzien van de nationale gemeenschap na te komen.

Het zou overigens getuigen van kortzichtigheid om deze houding uitsluitend op conto te schuiven van de verschillende eisende etnische gemeenschappen. Ze is in de eerste plaats een bijna logisch gevolg van het cultuurrelativisme dat geharde multiculti's als vehikel voor hun ideologie gebruiken. In hun discours wordt de dominante cultuur niet alleen gerelativeerd, maar soms ook in diskrediet gebracht of verdacht gemaakt. Waarom zou je dan het belang van die oude, suffe en onbetrouwbare dominante cultuur boven dat van je eigen groep laten prevaleren?

Verdacht en onbetrouwbaar is die dominante cultuur in de ogen van veel allochtonen zeker geworden, niet het minst omdat er jarenlang op haar vermeende racisme is gehamerd. Er bestaat zelfs een intellectuele voorhoed, een allochtone elite al dan niet in overheidsdienst, die er een dagtaak van heeft gemaakt om de autochtone meerderheid schuldgevoelens aan te praten.

Het vertekende beeld dat dan ontstaat, zal niet alleen het verantwoordelijkheidsbesef doen afnemen, maar zal ook het vermogen tot introspectie en zelfkritiek ondermijnen. Laat ik dit verschijnsel in een woord samenvatten: slachtofferisme. De schuld van je eigen falen wordt dan niet zelden bij de ander, de witte stigmatiserende burger of de discriminerende overheid gelegd.

Als een Amsterdammer van Marokkaanse origine, bewapend met een mes, een eetcafé binnenstormt en vervolgens door een agent wordt neergeschoten, wordt vrijwel onmiddellijk gesproken van een racistische moord. Dan wordt er een demonstratie gehouden die een stoet boefjes de gelegenheid geeft om de 'dominante racistische cultuur' een lesje te leren door een deel van de hoofdstad te terroriseren en te vandaliseren.

Het slachtofferisme is misschien bij bepaalde groepen cultureel bepaald, maar is ook het resultaat van het multiculti-denken. Excessen, criminaliteit, asociaal gedrag bij bepaalde etnische groepen worden bijna uitsluitend in sociaal-economisch perspectief geplaatst en zodoende opnieuw op het bord van de schuldbeseffende dominante cultuur gekwakt. Slachtofferisme en afnemend verantwoordelijkheidsbesef gaan steeds vaker hand in hand, zich verschuilend achter het grote zwarte doek van de stigmatisering, alweer een multicultureel parool.

Symbolisch hiervoor is de actie die jonge Nederlandse Marokkanen eerder dit jaar lanceerden onder de naam Koerswijziging. De actie was bedoeld om het imago van jonge Marokkanen bij autochtonen te verbeteren. De factoren die volgens de organisatoren een imagoherstel in de weg stonden, waren vanzelfsprekend de diepgewortelde neiging van autochtonen tot stigmatisering en de vijandige houding van de onbetrouwbare media. Geen woord over de steeds gewelddadiger houding van jongeren uit de eigen gemeenschap in winkels, zwembaden, treinen, aan stranden en op straat. De multiculturele samenleving nodigt niet echt uit om de hand in eigen boezem te steken.

Het zal multiculturalisten wellicht een doorn in het oog zijn en het stemt in ieder geval tot nadenken, dat de vurigste pleitbezorgers van de multiculturele samenleving vandaag de dag in extremistische etnische clubjes te vinden zijn.

De Arabisch Europese Liga van Abou Jahjah heeft, naast ideologische poten als nationalisme en fundamentalisme, het multiculturele ideaal volstrekt geassimileerd. Het manifest en het programma van de AEL refereren tot vervelens toe aan de multiculturele samenleving, zoals anderen vroeger te pas en te onpas met de dictatuur van het proletariaat schermden. Niet verrassend, omdat Abou Jahjah als geen ander heeft begrepen wat voor onbegrensde mogelijkheden dit model hem en de zijnen bieden.

De leider van de AEL ziet met precisie en juistheid dat de verkruimeling die voortvloeit uit een multiculturele samenleving, hem een zee van ruimte verschaft om zijn denkbeelden in zijn eigen Arabo-Berberse gemeenschap te propageren. Want niet alleen wordt daardoor de dominante cultuur verzwakt, maar bovendien wordt de autonomie van de diverse etnische of religieuze gemeenschappen afgebakend in een veilig autonoom gebied. De bijdrage aan de gehele samenleving wordt dan minimaal beperkt tot, in de woorden van Jahjah, het respecteren van de grondwet'. Bemoeienis van buitenaf die tegen het groepsbelang indruist, wordt met de uitdrukking 'poging tot assimilatie' bij voorbaat gediskwalificeerd.

De softe apartheid en de milde segregatie die uit de multiculturele samenleving voortvloeien, geven activisten als Jahjah de gelegenheid om de groepsidentiteit te versterken en om propaganda en vijandbeelden sneller en effectiever te verspreiden. Daarom ook is de AEL-leider voorstander van de multiculturele segregatie, zelfgekozen of opgelegd. Hij is een verklaarde voorstander van zwarte scholen of buurten die hij 'gemeenschapswijken' noemt. Soort bij soort, gelovigen bij gelovigen.

Het multiculturele model biedt voor de Jahjah's de mogelijkheid om culturele enclaves te stichten, etnische staten binnen de staat. Een dergelijk instrument in de handen van extremisten kan vandaag de kiem leggen voor de burgeroorlogen van morgen. Het woord kan wellicht excessief overkomen, maar een samenleving die op basis van reli-etnische komaf wordt gefragmentariseerd, verliest zijn samenhang, wat kan resulteren in een balkanisering van de geesten. Je moet een naïeveling zijn om niet te willen geloven dat extremisten hier gebruik van kunnen maken.

Aan het begin van dit betoog heb ik gezegd dat de multiculturalisten ons willen terugvoeren, wellicht onbedoeld maar toch met ferme hand, naar de benauwde naoorlogse jaren waarin de religieuze component de boventoon voerde in de samenleving. Naar de jaren van de verzuilde attitudes en reflexen, van de godsdienstige verboden en geboden, van de vrome codes en strakke regels.

Je hoeft niet overdreven scherpzinnig te zijn om in te zien dat veel van de particularistische eisen die tegenwoordig in multicultureel perspectief worden gesteld een religieus element bevatten of van godsdienstige aard zijn. Van het dragen van een hijab op ROC-scholen tot het bedekken van je haar op je werk bij de rechtbank; van gescheiden zwemmen voor vrouwen tot het instellen van gebedsruimten op school of op het werk. Enzovoort. Zelfs de mogelijkheid om een islamitische hoofddoek aan het politie-uniform toe te voegen is in dit land een paar jaar geleden onderwerp van debat geweest. Een snelle optelsom leert dat het met name het geloof is dat er veel baat bij heeft om de neutrale samenleving in een multiculturele om te vormen. Dit geloof heeft een naam: de islam.

Laat ik hier meteen zeggen dat ik een diep respect heb voor alle traditionele godsdiensten, hoewel ik mij in geen enkele echt herken. Eveneens respecteer ik de religieuze beleving van iedere ander. Maar ik weiger het seculiere karakter van de staat en deze moderne samenleving aangetast te zien worden onder druk van religieuze lobbies van orthodoxe snit.

De multiculturalisten, veelal 'progressieve' en ontkerkelijkte lieden, willen de deur die ze gisteren nog hardnekkig dichthielden voor het orthodoxe christendom, vandaag plotseling wijd openzetten voor de ultra-orthodoxe islam. Dat de islam een nogal conservatieve godsdienst is die zijn draai in Nederland nog lang niet gevonden heeft, maakt de zaak er niet eenvoudiger op. Laten we ondanks de multiculturele druk voet bij stuk houden en godsdiensten in het privé-domein houden.

Het zal intussen duidelijk zijn dat ik niet in het multiculturalisme en zijn versplinterde samenleving geloof. Omdat ik tegen de desintegratie van het maatschappelijk weefsel en tegen het etno-religieuze particularisme ben. Tegen segregatie en onverschilligheid tussen bevolkingsgroepen. Maar voor samensmelting en homogeniteit in al haar etnische verscheidenheid.

Omdat ik slinkse extremisten niet in de kaart wil spelen. Omdat ik de democratische waarden die deze dominante cultuur heeft voortgebracht met anderen wil delen. Omdat ik vind dat je nooit aan de eisen van onderdrukkende krachten moet toegeven. Omdat ik vind dat politieambtenaren nooit tegen homoseksuelen mogen zeggen dat ze wegens hun geaardheid beter uit een bepaalde buurt kunnen verhuizen. Of tegen vrouwen dat ze rekening met de gevoelens van hun buren moeten houden en voortaan minirokken of diepe decolletés beter kunnen vermijden.

Omdat ik wil kunnen zeggen dat een religieuze leider die zijn volgelingen adviseert geen vriendschap met mij te sluiten wegens mijn etnische origine of geloof, gewoon een racist is. Omdat ik geloof in een pluriforme en multi-etnische samenleving waarin alle leden zich eensgezind om de belangrijkste bestaande waarden kunnen verenigen.

Maar misschien ook omdat ik opgevoed ben in een republiek, een en ondeelbaar, waarin iedereen voor de wet gelijk aan de ander hoort te zijn en niemand wegens zijn origine, geloof of politieke overtuiging een aparte behandeling mag verwachten. Omdat ik van een eenheidsmodel droom dat geen ruimte biedt voor multiculturele desintegratie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden