Aatje Veldhoen

Aatje Veldhoen (Amsterdam, 1934) is graficus, schilder, tekenaar en beeldhouwer. In augustus 2004, kort voordat hij zijn zeventigste verjaardag zou vieren, werd de ’manisch creatieve kunstenaar’ getroffen door een herseninfarct. Veldhoen is goed opgeknapt, maar niet voor iedereen verstaanbaar. Vandaar dat hij gebruikmaakt van een souffleuse: Hedy d’Ancona. Zij is al acht jaar Veldhoens partner.

1 Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.

Aatje: „Het is vast heerlijk als je kunt geloven dat er een betekenis is – dat er een leven na de dood bestaat–- maar het is natuurlijk allemaal onzin. Het is straks: ogen sluiten en weg. Punt uit. Je bent toch ontzettend dom als je in het hiernamaals, in Maria of in Jezus Christus gelooft?”

Hedy: „Aatje wordt al kwaad als vrouwen een kruisje om hun nek dragen. Toch? Je hebt wel duizend keer tegen mij gezegd dat je je geen wreder symbool kunt voorstellen.”

A: „Zo’n aan het kruis genageld kereltje: afschuwelijk.”

H: „Ik ben voorzitter van Nicam, de organisatie die via de ’Kijkwijzer’ ondermeer adviseert welke televisieprogramma’s mogelijk schadelijk zijn voor jeugdige kijkers. Toen er op een kerstmiddag een film over het leven van Jezus werd vertoond, werd jij woedend op mij. ’Het hele systeem is er p gericht kinderen te beschermen tegen geweld’, zei je. ’Programma’s die, door gewelddadige scènes, angst oproepen mogen ’s middags niet worden uitgezonden, maar over een van de gruwelijkste beelden, het beeld waarmee wij zijn opgegroeid – een stervende man aan het kruis – wordt niet eens meer nagedacht!’”

Aatje: „Driekwart van de oorlogen wordt gevoerd vanwege die gruwelijke godsdienstellende. Weet je waar ik wel in geloof? In het heelal. De ontzagwekkende ruimte waar de mensheid niets van snapt, die vereer ik.”

2 Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

A: „Aan dit gebod hebben ze weinig eer kunnen behalen. Er worden voortdurend beelden gemaakt en dat is maar goed ook. Er is geen mooier beroep dan dat van de beeldende kunstenaar. Ik wil, met mijn beelden en mijn schilderijen, het leven bezingen. Het is een mooie samenloop van omstandigheden: ik doe er niet alleen mezelf, maar ook anderen plezier mee. Kunst kan mij troosten, niet alleen die van Rembrandt of Picasso; ook van mijn schilderijen word ik blij.”

H: „Maar je vindt ook dat kunst moet verontrusten.”

A: „Dat is waar. Je moet door elkaar geschud worden. De beste kunstenaars hebben die twee kwaliteiten in zich verenigd: ze stellen je met schoonheid gerust en brengen je met verschrikking weer aan het wankelen. Ik hoop dat ik die twee kanten ook in mij heb. Ik kan mooie dingen schilderen, maar ik heb, in het ziekenhuis, ook etsen van zieke, stervende mensen gemaakt. Op die momenten voelde ik een grote verwantschap, een mededogen.”

H: „Ik vind dat jij de menselijke tragiek op een prachtige manier kunt verbeelden. Operatiekamers, verloskamers, ongelukken in de straat. Aatje knipt altijd krantenfoto’s uit: hongersnood, moordpartijen, mensen op de vlucht* Je hebt mij geleerd de ’esthetiek van de ellende’ te zien. Het is ook zo: er gaat een zekere schoonheid van uit. Het is vast niet voor niets dat op de winnende World Press Photo altijd ellendige dingen worden afgebeeld. Ik weet trouwens niet of jij ook je eigen ellende laat zien in je werk* Misschien die serie van de rechterhand? Aatje heeft een hele reeks schilderijtjes gemaakt van de hand die het, sinds zijn infarct, niet meer doet.”

A: „Zou dat zelfmedelijden zijn?”

H: „Dat weet ik niet. Het heeft je uiteindelijk ook iets opgeleverd. Je bent altijd bang geweest voor maniërisme. Nu je met je linkerhand moet schilderen is die dreiging in ieder geval van de baan. Ambachtelijk is het een beetje lastiger – het slijpen van de potloden, het openen van een tube, het slepen met die schilderijen door het huis – maar ik kan niet zeggen dat je werk erop achteruit is gegaan. Volgens mij vind jij dat ook niet en je bent zelf de grootste criticus van je werk.”

3 Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

A: „Het lijkt me vrij zinloos om tegen het geloof te ageren. Mensen die geloven, die geloven. Dat kun je ook niet zomaar uit hun geesten halen. Ik heb mijn katholieke vrienden misschien wel eens gekwetst, maar ze zijn er, helaas, niet minder katholiek door geworden. Bovendien: is het dan een provocatie om niet te geloven?”

H: „Je wilt misschien niet provoceren, maar je hebt wel een grote behoefte om jouw mening aan anderen mede te delen. Ook aan mij; die brainwash houdt nooit op. Opvattingen over het geloof, over de politiek, over de monarchie: je wilt iedereen overtuigen en als het je niet lukt, ben je teleurgesteld. Maar dat geldt ook voor de leuke dingen van het leven. Ik ken niemand die zo fantastisch over het heelal kan vertellen als jij. Je bent ongelooflijk mededeelzaam.”

4 Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

A: „Daar doe ik niet aan hoor. Alle dagen zijn voor mij hetzelfde. Ik kan overal werken. Zet mij midden in de stad neer en ik ga onmiddellijk aan de slag. Maakt me niks uit.”

H: „Jij bent super-, superijverig Aatje, je werkt altijd.”

A: „Het allerbelangrijkste is dat kunstenaars – ook al vraagt niemand er om – doorgaan met kunst maken. Het is iets wat ze niet kunnen laten. Op die manier onderscheidt de kunstenaar zich van de amateur. Een echte kunstenaar kan het niet laten. Ik heb niets tegen amateurkunst, maar wel tegen de types die geloven dat kunst iets is wat je ’erbij’ kunt doen. Het begint met talent, dan is er nog zoiets als scholing en vervolgens moet er onophoudelijk gewerkt worden.”

H: „Volgens mij ben jij, sinds die beroerte, nog ijveriger geworden. Zeker nu je het minder goed kunt zeggen, probeer je steeds meer via je werk te vertellen. Als je dat niet meer had, zou je erg chagrijnig worden. Daar heb ik tot nu toe nog niets van gemerkt.”

5 Eer uw vader en uw moeder

A: „Dat is kat in het bakkie. Als je tenminste aardige ouders hebt gehad, zoals ik. Mijn moeder was schooljuffrouw, mijn vader was schilder. Ze zijn gescheiden toen ik jong was. Mijn vader is in die zin letterlijk voorbeeldig geweest: hij ging er met een andere vrouw vandoor. Toch kon ik met allebei mijn ouders goed opschieten. Mijn vader stierf toen ik eenentwintig was aan een hartinfarct. Hij heeft mijn eerste successen nog wel meegemaakt. Als ik aan het werk ben, denk ik nog wel eens aan hem. Hij kon zelf namelijk echt heel goed schilderen. Prachtige schilderijen heeft hij gemaakt. Met mijn moeder had ik ook een goede band, maar ik heb haar mijn leven lang verdriet gedaan. Ik was als jonge jongen een rotzak, een klerelijer en later, door te scheiden* Maar mijn bewondering voor haar was er niet minder om, hoor. En ze heeft me alles vergeven. Moeders vergeven hun kinderen toch altijd?

Ik heb van mijn ouders al vroeg te horen gekregen dat het allemaal onzin was - de kerk, de monarchie: niets dan flauwekul - maar midden in de hongerwinter ontdekte ik voor het eerst, aan den lijve, wat ze daarmee bedoelden. Mijn vader had een schilderij aan de pastoor verkocht en mijn zusjes en ik mochten gratis eten in de De Zaaier, de katholieke kerk aan de Rozengracht. We moesten het Onze Vader uit ons hoofd leren en toen ons dat niet lukte, kregen we geen maaltijden meer. En toen kwam die vreselijke schietpartij, op de Dam. Het gebeurde op 7 mei. De oorlog was voorbij, maar in de Grote Club hield zich nog een aantal Duitsers schuil. Ik bevond me tussen de feestende mensen op het plein toen ik ineens die schoten hoorde. Iedereen begon te rennen. Ik ging schuilen in het portaal van de Nieuwe Kerk en daar heb ik, tot mijn grote schaamte, God aangeroepen. ’Lieve Jezus, red mij!’ riep ik. Een paar bezoekjes aan De Zaaier en ik was al helemaal* hoe zeg je dat?”

H: „Geïndoctrineerd.”

A: „Ja. Ik voelde me een slappeling. Ik schaamde mij ervoor dat ik die wijze les van mijn vader was vergeten: ’Geloof alleen in wat je ziet. Geloof in jezelf.’ Maar ja, het was doodsangst hè? In doodsangst bekeren zelfs volwassen mannen zich nog tot het geloof. Zo’n Willem Jan Otten, dat is toch gewoon zielig? Nee? Vind je niet? Nou, ik wel. ’t Is gewoon een schijtmuis. Mensen die zo’n ommezwaai maken zijn vooral bang. En dom.”

6 Gij zult niet doodslaan

A: „Ik heb nog nooit iemand dood geslagen.”

H: „Je hebt zelfs je kinderen nooit een klap gegeven. Dat vind ik nog steeds gek. Ik heb zelf heus wel eens een tik uitgedeeld. Natuurlijk, je mag het ook niet doen, maar jij had acht kinderen! Of beesten, die zul je ook geen pijn doen. Je kunt trouwens wel heel goed ruzie maken. Heel erg.”

A: „Vind je?”

H: „Jawel Aatje, je kunt héél erg gemene dingen tegen mensen zeggen. Fysiek zul je niemand iets aandoen, maar je kunt echt iemand met woorden verwonden. Je wilt het misschien niet, maar je doet het wel.”

A: „Ik geloof eigenlijk niet dat ik zo vaak ruzie maak.”

H: Ach Aatje! Je bent wat dat betreft wel heel kort van memorie. Ik zal hier niet herhalen wat je onlangs tegen je laatste ex-vrouw zei, maar het gevolg was wel dat ík een glas wijn in mijn gezicht kreeg! Terwijl jij iets héél gemeens had gezegd. En al je dochters zijn dol op je, maar je hebt heus ook wel eens ruzie met die meiden. Je bent niet kwaadaardig of haatdragend, maar zo zoetsappig ben je nou ook weer niet.”

7 Gij zult niet echtbreken

A: „Weet je wat ik het grootste manco van Gods schepping vind? Dat hij er niet voor heeft gezorgd dat mensen voor eeuwig op elkaar verliefd blijven. Er zou eigenlijk een pilletje moeten zijn – dat je ’s morgens, ’s middags of ’s avonds in je koffie doet – dat ervoor zorgt dat je minimaal vierentwintig uur dolgelukkig met elkaar blijft. Het zou een vermogen aan kinderleed schelen, een zee aan kindertranen. Alimentatie, dubbele huishoudens: het zou allemaal niet meer nodig zijn. Echt, zo’n pilletje kan duizenden euro’s schelen!”

H: „Haha, een pilletje, het verliefdheidspilletje van Aatje Veldhoen.”

A: „En ik ben natuurlijk de eerste die het uitprobeert. Ik ben een vrouwenman, ik krijg er geen genoeg van. Het is ook niet zo erg om van mooie vrouwen te houden, maar je hebt er ook veel ongemak aan. Zodra ik een nieuwe vrouw vond, had de oude afgedaan. Ik heb anderen daarmee veel leed berokkend. Vooral de kinderen. Ik heb me daar vaak rot om gevoeld. Toch zou het weer kunnen gebeuren. Ik kijk nog altijd naar andere vrouwen, maar ik heb die stap, die ene stap, sinds ik met Hedy ben, niet meer gezet. Ik zou nu kunnen zeggen dat ik, na drie huwelijken, de ware liefde heb gevonden, maar dat geloof ik eigenlijk zelf niet. Ik bedoel, waarom zou ik niet op een andere vrouw kunnen vallen? Met leeftijd heeft het tenslotte niets te maken.”

H: „Nee zeg, dat zou ik ook niet leuk vinden. Stel je voor dat jij nu zegt dat je nooit meer verliefd zult worden op een ander, zo van: ’Die leeftijd ben ik nu wel te boven’, dan ben ik dus het restmateriaal. Dat is toch geen compliment? Ik vind dat die spanning er moet blijven. Ik kom in mijn vak haast geen mooie mannen tegen, maar Aatje is altijd door prachtige, aardige vrouwen omringd. Ik begrijp ook wel waarom. Aatje is een boeiende man. Ik heb me nog nooit zo lang niet verveeld bij iemand als nu – hoe lang al?”

A: „Acht jaar, of zo.”

H: „Ik wil dat we bij elkaar blijven, maar niet omdat we geen zin meer zouden hebben in het gezeik – want dat is het toch – van de verliefdheid op een ander.”

8 Gij zult niet stelen

A: „Ik leef hier lekker, dat zie je wel, maar ik voel me toch bezwaard dat ik zo rijk ben terwijl er zoveel mensen arm zijn. Ja, ik ben een dief van de armen, maar wat kan ik eraan doen? Ik geef wel eens iets weg, maar ik kan de toestand in de wereld niet veranderen. De boel is niet eerlijk verdeeld en dat is de gemeenste rotstreek die ik mij bedenken kan. Ik ben ook arm geweest. En hongerig. Ik zal die oorlog nooit vergeten. De angst voor erger; dat het allemaal nog erger zou worden, kan ik moeiteloos oproepen.”

9 Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

H: „Aatje is iemand die, tot zijn eigen ongemak, altijd zegt waar het op staat.”

A: „Nou, jíj ervaart het vooral als een ongemak. Ik niet. Ik ben eerlijk tegen de ander en eerlijk tegen mezelf. Soms moet Hedy mij een beetje bijsturen – ’Hou liever je mond een tijdje’, zegt ze dan – maar het glipt er steeds weer tussendoor. Ik spreek de waarheid en hoop dat de ander luistert.”

H: „Je zegt wat je denkt, maar dat is natuurlijk niet de objectieve waarheid.”

A: „Roddelen doe ik trouwens wel, maar dat is niet erg. Roddelen is gezond. Samen met Hedy. Over collega’s, over de modellen, over wat mensen overkomt.”

H: „Over gekke belevenissen, over bizarre dingen.”

A: „Over mensen die op latere leeftijd gelovig zijn geworden.”

10 Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

A: „Ik heb alles en ik heb er niet eens zoveel voor hoeven doen. Ik ben een gezegend mens. Dat ik hier kan wonen, dat ik kan maken wat ik wil; dat ik kan zijn zoals ik wil zijn. Ik hoef me nergens aan te spiegelen. Op wie zou ik jaloers moeten zijn? Het enige wat ik begeer is een kunstenaar, een goede kijker te zijn. Ja, ik geloof dat ik in de loop der jaren beter ben gaan kijken. Ik ben wijzer geworden. Ik heb vooral geleerd dat mensen zijn zoals ze zijn. De mens is een slappeling in de dingen die hij wil.”

H: „Het valt je tegen dat de mensen genoegen nemen met het belabberde politieke klimaat, de monarchie. ’Ze hobbelen overal maar achteraan’, zeg je dan. Die gemakzucht vind je gevaarlijk. En tegelijkertijd blijf je hoopvol. Je gaat er niet onder gebukt. Je bent geen somber mens. Ik moet altijd wel lachen om de manier waarop je het wangedrag van andere mensen bekijkt. Waar ik nog wel eens opstandig word, zeg jij: ’Het is toch gewoon zielig, als je zo bent?’ ”

A: „Zo is het precies.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden