'Aardige jongens winnen geen Tour'

In 1968 is Jan Janssen de eerste Nederlander die de Ronde van Frankrijk wint. De zege veranderde zijn leven. En toch ook weer niet. Een terugblik op een magische Tour.

In de ontvangstruimte van zijn fietsenfabriek staat een lichtrode fiets. 'Ouwe bak', zegt Jan Janssen (73) terloops, en jawel: de wat roze Lejeune steekt schril en bejaard af bij de laatste producten uit de fabriek, inmiddels geleid door Janssens twee zoons. Iets verderop is de fiets ook te zien - in zwartwit, op een enorme foto aan de muur: Jan Janssen in actie. Achter hem een witte Peugeot 404, met het karakteristieke rooster, en aan de bumper de naam JANSSEN. Het is zondag 21 juli 1968, de slottijdrit van de Tour. Janssen is op weg naar de eindoverwinning. Het is de dag waarop zijn leven veranderde - en ook weer niet.

Op verzoek kijkt Janssen naar een map met de verslagen uit Trouw van die Tour. 'Die klootzak probeerde me de Galibier af te rijden', zegt hij als hij een portret ziet van de sportdirecteur van zijn rivaal Herman van Springel. Zijn oog valt op een foto waarop hij juichend de finish passeert: "Ah, dat was een vergissing. We hadden een kopgroepje teruggepakt, maar ik had niet gezien dat er één renner was weggeglipt. Die won. Bellone, Gilbert Bellone." "Hier was ik he-le-maal kapot. "Jongejonge wat was ik kapot", zegt hij bij een foto van de beklimming van de Tourmalet. Hij kijkt naar het verslag van de 16de rit, waarin een aantal kanshebbers een combine sluit tegen de Franse favorieten Raymond Poulidor en Roger Pingeon. "De Fransen werden helemaal weggereden", zegt Janssen, met zichtbaar plezier. Dan kijkt hij naar de uitslag van de slotrit, waarin hij de als tijdrijder iets hoger aangeslagen Van Springel klopt en ook de tempobeul Ferdinand Bracke ruim voor blijft. "Ja mooi".

Gifmenger
Fanatiek en gespannen is Janssen die julimaand. En eigenzinnig. De Tour is nog niet begonnen of er is gedoe in de Nederlandse ploeg. De Tour wordt met landenploegen verreden. Janssen blijkt zijn eigen masseur ingehuurd te hebben, de Spanjaard José Vidal. Dat is niet leuk voor de Nederlandse masseur en daarnaast lijkt het link: na de dood van Tommy Simpson een jaar eerder wordt er voor het eerst systematisch op doping gecontroleerd. Vidals reputatie is bedenkelijk, hij wordt 'de gifmenger' genoemd. Janssen maalt daar niet om. Janssen nu: "Die man had handen, oersterk. En masseren dat die kon! Hij had twee blokken hout bij zich. Die zette hij onder twee poten van mijn bed. Hij masseerde, terwijl ik met mijn hoofd naar beneden lag. Daar geloofde ik in. Ik heb hem betaald en zei: 'Je werkt in de Tour alleen voor mij.'"

Als knecht Jos van der Vleuten na de eerste etappe opgeeft, reageert Janssen woedend in de pers. "Eerst sterven, dan opgeven. Karakter moet je hebben. Als je dat niet hebt, moet je ander vak kiezen", foetert hij richting Van der Vleuten. Ook later in de Ronde zal hij zijn helpers openlijk de mantel uitvegen. "Als je ze nodig hebt, rijden ze niet. Ze zullen ervan lusten."

Janssen is niet vies van koude-oorlogvoering. Als Bracke zich opwerpt als een concurrent, zegt Janssen: "Die komt de Pyreneeën niet over." Janssen noemt de Franse publiekslieveling en halfgod Poulidor een wieltjeszuiger. Janssen kent alle journalisten, hij weet waar hij welk verhaal kwijt kan en hoe hij dat moet vertellen. Communicatiemanagers zijn er niet en als ze er waren geweest, had Janssen ze niet nodig gehad. Als hij in de Pyreneeën twee minuten op zijn concurrenten verliest, roept hij dat hij de Tour niet gaat winnen - om tegen intimi te zeggen dat hij natuurlijk voor de zege gaat. Hij duwt en trekt met Walter Godefroot in een sprint en zet zich een paar dagen in volle spurt af op de dijbenen van zijn ploeggenoot Evert Dolman, wint de rit en wat bonificatieseconden. Bradley Wiggins had zich dat vorig jaar allemaal niet kunnen permitteren.

Gedreven
Eigenzinnig en gespannen. Maar bovenal doelgericht en tot op het bot gemotiveerd. Het parcours ligt hem. Twee renners die hij als grotere talenten ziet, Felice Gimondi en Eddy Merckx, zijn er niet bij en zijn rivaal Poulidor is notoir gierig. In 1966 heeft Janssen een Tour verloren die hij had kunnen winnen. Janssen weet: wil hij de Ronde winnen, dan moet dat nu. Voor dat doel doet hij veel, wie dat doel in de weg staat, kan rekenen op zijn woede. Zelden zal er een Nederlandse topsporter gedrevener zijn geweest dan Janssen toen. Hij ziet die gedrevenheid terug bij de huidige Tourfavorieten Alberto Contador ("een venijnvreter") en Joaquin Rodriguez ("die lost, en vecht zich terug, dat deed ik ook"). Een vergelijking met Lance Armstrong ligt voor de hand. Janssen: "Als renner was Armstrong geweldig. Met of zonder (doping, red.), de sterkste is de sterkste en dat was hij. Maar als mens? Nee. Die wil om alles en iedereen te domineren, daar houd ik niet van. Aardige jongens winnen geen Tour. Bernard Hinault was niet aardig. Ik moest ook wel eens optreden. Maar je moet mensen wel in hun waarde laten."

De Tour is spannend, de gele trui gaat van de ene naar de andere schouder, de kansen keren steeds en de verschillen zijn klein. In Sallanches ligt Janssen na een Alpenrit minuten voor gaas tegen een dranghek. Uitgeput, maar geen tijd verloren. Een paar dagen eerder heeft hij dat ook niet als hij in de regen moet afdalen en geregeld zijn bril moet afzetten. Janssen is bijziend en kan eigenlijk niet zonder bril. Toch is het niet hij, maar Bracke die bang is in afdalingen, die tijd verliest. "Ik zocht de beste daler en bleef daar dan zo'n tien meter achter", herinnert Janssen zich. "Bang? Nee. Dat was ik eigenlijk nooit. Ik ben één keer zwaar gevallen. Dat was in de Tour van 1963. Ik moest opgeven. Toen ik later de renners op tv zag, wist ik: in de Tour moet je niet opgeven." Janssen zou Janssen niet zijn als hij zijn nadeel niet ombuigt in zijn voordeel. Hij draagt vaak een zonnebril. "Nu heeft iedereen zo'n ding, maar ik was destijds de enige." Het komt zijn herkenbaar zeer ten goede.

Janssen is overeind gebleven in het secondenspel. Als de bergen achter hem liggen, heeft hij drie ploeggenoten over, maar die helpen hem wel en Janssen geeft ze openlijk de credits. De uitputting van Sallanches is verdwenen, zijn vermogen om snel te herstellen is intact en hij slaapt nog altijd goed. De beslissing zal vallen in de slottijdrit. Hij moet hij 17 seconden winnen op Van Springel, 5 tellen op Gregorio San Miguel en hij mag ruim anderhalve minuut verliezen op Bracke. Een tijdrit over 54 kilometer is eigenlijk te lang. Na de tweede etappe, een mini-tijdritje, heeft Janssen het zelf gezegd: "Zo'n kort ritje ligt me wel. Zodra het meer wordt dan 45 kilometer ben ik nergens." Maar op die 21ste juli, met ruim 4600 kilometer in de benen, ligt het anders. Bracke is gesloopt en Van Springel buigt voor Janssen die uitgerekend in de laatste tien kilometer de meeste winst op de Belg boekt. "Ik was in de loop van de Tour sterker geworden", verklaart Janssen. Op de foto aan de wand is dat een beetje te zien. Geen spoor van een hol of ingevallen gezicht.

Cora
Janssen wint als eerste Nederlandse renner de Tour. Zijn leven verandert er door. De basis niet: hij is nog altijd met zijn vrouw Cora die hem in 1968 in Parijs na de finish in de armen valt. Hij is overtuigd katholiek en kerks gebleven. "Het geloof heeft me steun gegeven, ik heb alle engelen uit de hemel gebeden als het heet of steil was. Het werd niet kouder of platter, maar het hielp, het geloof gaf me rust."

Hij houdt van Gregoriaans en gedreven is hij ook nog. De rest verandert wel: de fietsenfabriek die hij medio jaren zeventig begint, draait deels op zijn faam als Tourrenner. Dankzij zijn Tourzege is hij bekend, gezien. "Pas de laatste jaren merk ik dat jonge mensen die niet van wielrennen houden niet meer weten wie Jan Janssen is." Ploegleider wordt hij niet, maar als hij voor een wielerevenement of een discussie wordt gevraagd, zegt hij zelden nee. Hij geniet van de belangstelling, nog altijd. Als Trouw hem spreekt, heeft hij er al zo'n twintig interviews opzitten. En er volgen er meer. Hij is voor de Franse en Italiaanse tv geweest, op de Mont Ventoux en op Corsica met de huidige Tourleiding. In Frankrijk zien ze Zjân Zjânsèn graag, hij voelt zich er welkom.

Er verandert nog wat op die dag. Janssen haalt in 1970 zijn laatste overwinning in een grote koers en stopt in 1972 als wielrenner, op zijn 32ste. Rijkelijk vroeg. "Ik reed op karakter. Die manier van rijden was niet vol te houden. Ik was het op. Ik was versleten", zegt hij er in eerste instantie over. Om eraan toe te voegen: "De Tour is de grootste wedstrijd die er is. Na die Tourzege begon ik me soms wel af te vragen. Wat is er nu nog te winnen? Mijn ambities werden toch wat minder."

(met dank aan Peter Sierksma)

Ploegleider Ab Geldermans: Ik heb papieren dat alles in orde is

Doping is in 1968 een hot item. Er zijn voor het eerst geregelde controles, een gevolg van de dood van Tommy Simpson in 1967. Als bij aanvang van de Tour bekend wordt dat er dagelijks tien renners worden gecontroleerd (de drie eersten uit de rituitslag plus zeven anderen, bij loting bepaald) dreigen de toppers in staking te gaan. Zij vinden de werkwijze oneerlijk en protesteren ook tegen de lijst met verboden stoffen. Daar zitten vitaminepreparaten tussen die veel renners gebruiken, Janssen ook. Jan Janssen die voor de Tour zegt dat hij 'de Tour kan rijden zonder een pastille te nemen', voelt voor die actie, maar de renners zijn onderling verdeeld en de Fransen willen niet staken.

Doping blijft over de Tour van '68 hangen, als een vies jasje om een paar schouders. Als Janssens helper Huub Zilverberg opgeeft, schrijft Frans Nypels in Trouw: 'Zonder doping gaat het bij Zilverberg niet'. Er wordt gefluisterd dat renners bewust vierde worden om de controle te ontlopen. Twee renners, José Samyn en Jean Stablinsky, worden betrapt en uit de koers verwijderd.

Het gerucht gaat dat Stablinsky vertelt dat Samyn zijn doping kreeg van José Vidal, de masseur van Janssen. Vidal antwoordt dat Stablinsky boos is omdat hij niet voor de Franse ploeg wilde werken: 'Ze willen me weg hebben bij Jan. Ze weten dat ik iets kan. Het is een truc. Leer mij Stablinsky kennen.'

Zo gaat het door. Na de zevende etappe gaat het gerucht dat Janssen betrapt is. Janssens ploegleider Ab Geldermans ontkent: "Ik heb papieren dat alles in orde is. Getekend door dr. Dumas." Dumas, die de dopingonderzoeken leidt, vertelt journalisten dat Samyn is betrapt, maar geeft geen namen van renners die 'schoon' zijn bevonden. Met de renners is afgesproken dat alleen de namen van betrapten bekend worden gemaakt. Maar nog diezelfde avond lekt een lijst met namen van 'schone' renners uit. Waaronder die van Jan Janssen.

Jan Janssen: Veelvraat in Franse dienst
Jan Janssen (Nootdorp, 19 mei 1940, zoon van een aannemer) wordt in 1961 beroepsrenner. Eind 1962 maakt hij de overstap naar een Franse ploeg. Het plan is om met drie andere Nederlandse jongens te gaan, maar Janssen meldt zich als enige bij de Pelforth-formatie. In het voorjaar van 1963 maakt hij indruk met een derde plaats in de klassieker Parijs-Roubaix. Anderhalf jaar later wordt hij op 24-jarige leeftijd wereldkampioen op de weg. Begonnen als sprinter ontpopt Janssen zich snel tot een allrounder. Op zijn palmares prijken naast de Tour en het WK, de Ronde van Spanje (1967) en Parijs-Roubaix (1967). Alleen Eddy Merckx, Bernard Hinault en Felice Gimondi wonnen die vier koersen ook. Maar die drie kunnen niet bogen op een zege die Janssen wel behaalde: de monsterrit Bordeaux-Parijs over 557 kilometer, in 1966. Janssen won verder onder meer drie keer de puntentrui in de Tour, twee keer de puntentrui in de Ronde van Spanje, de etappekoers Parijs-Nice en zeven ritten in de Tour.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden