Aansprekend spel 'Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet' dans

AMSTERDAM - Ruim twintig jaar geleden nam Pina Bausch haar intrek in een voormalige bioscoop in Wuppertal. Niemand die er op was voorbereid, maar in die bouwval bevond zich de bron van een rivier die binnen enkele jaren tijd met ongekend geweld buiten zijn oevers trad. Niet alleen het Duitse bontjassen-publiek hapte naar adem, maar overal sloeg de trend als een besmettelijk virus om zich heen: niet zozeer de vraag hoe een danser kan bewegen, maar meer wat een danser beweegt bracht vanaf toen de gemoederen in beweging.

Al snel kwamen nieuwe beeldenstormers bovendrijven, met Wim Vandekeybus, Jan Fabre, Nigel Charnock, Michael Clark, Edouard Locke als de bekendste roergangers. Overal waar het spook P(ilipp)ina rondwaarde verwekte zij navolgers, die de aanval op objectiviteit en de hunkering naar subjectieve verbeelding nog extremistischer aanpakten. Dansers serveren zich rauw op het podium, om levend genuttigd te worden. In geen decennium is op de Europese danspodia zo heftig tegen ijzeren wanden of elkaars lijven gebeukt, aan haren gesleurd, tegen de grond gekwakt, met de onderbroek en b.h. gewapperd als in de jaren tachtig. Wat Genet en Artaud al in de internationale toneelwereld hadden opgerakeld, vond nu ook zijn uitlaatklep in de nieuwste mengvorm van dans en theater. Met internationaal vereende krachten ging de beuk er in en de dramatische uitleving van persoonlijke onmacht en algemeen isolement in een on(be)grijpbare wereld leverde zeer aangrijpende taferelen op. In het tarten van de grote verveling was het aangespen van kniebanden en wegwerpen van haarspelden een evidente onontbeerlijkheid.

Maar aan alles komt een eind, dus ook aan de rek van het Tanztheater. Ook de Portugese autodidakt Rui Horta, die na omzwervingen in Amerika vast onderdak vond in het Künstlerhaus Mousonturm te Frankfurt, schijnt te beseffen dat het tijd is voor minder extreme bezinning in de aanval op de bikkelharde werkelijkheid. Met zijn internationale, uit acht dansers bestaande groep S.O.A.P. maakte hij sinds 1991 veel furore, onder meer met 'Made to Measure' en 'Domestic Arrangements'. Dit voorjaar presenteerde S.O.A.P. zijn wederom enthousiast onthaalde 'Object Constant', een twee uur durend spektakel over het contrast tussen subjectieve en objectieve werkelijkheid. Horta blies diep in de bus, haalde alles nogmaals ondersteboven. Als uitgangspunt nam hij het boek 'How real is real?' (1977) van Paul Watzlawick (over groeps-dynamica), maar ook de studie 'Visual Perception of Form' (1970) van Leonard Zusne. Welke echtheid, zo laat Horta zijn publiek zich afvragen, is de eigen werkelijkheidsbeleving van dans en dansers en hoe gevaarlijk misleidend is ons geloof om eigen waarneming als de enige werkelijke te aanvaarden? Identificeren we ons met dans of met dansers en hoe zit het met het verschil daartussen?

Ook het Amsterdamse publiek reageerde maandagavond in de stadsschouwburg met opgewonden reacties op het rennen of stilstaan, vallen en weer opstaan in de claustrofobie opwekkende wanden van ijzerplaat, walmende rookmachines en het suggestieve muziek-behang van Koen Brandt. Ook ik heb mij subjectief opgewonden, maar dan vooral over het feit dat ik de meeste beeldinformatie in de door Horta en de zijnen wijdopen getrokken dansregisters al eens eerder heb 'waar'genomen.

Horta klutste ingrediënten van Bausch, Vandekeybus, Fabre of Edward Locke flink door elkaar. De unisono dansfrasen en montagetechnieken lijken zo uit Bausch' bioscoop te komen en het risicogehalte en de cynische showmaster-talk uit de Vandekeybus/Locke-koker. Zelfs het donderend geraas der glasscherven van Fabre komt er tenslotte aan te pas, zij het niet in vallende scherven maar in honderden glazen knikkers. Daarvóór hebben de dansers elkaar al met vele maten kogels bestookt: tennis-, midgetgolf- en bowlingballen. Evenmin mocht het onderdompelen van hoofden in waterbakken ontbreken.

Al het wel of niet bewuste plagiaat ten spijt, toch zorgden de acht dansers in de fascinerende belichting van Norbert Mohr ervoor dat ik me zeer direct aangesproken voelde door de vraag 'ik zie, ik zie, wat jij niet ziet, en het is roestbruin, wijnrood, mistig wit, staalgrijs en vleeskleurig; ra, ra, wat is het?' Vooral Olga Cobos en Dietmar Janeck lieten in twee diep ontroerende solo's zien hoe martelend de blootlegging van schaamte en eenzaamheid is, terwijl Anton Skrzypiciel uit zijn bol ging in een cynisch betoog over perceptie en voyeurisme. Deze Australiër is even overrompelend in zijn motorische en verbale woede-uitbarstingen als in zijn dictatoriale opdrachten vanaf zijn hoge scheidsrechterstoel in de zaal.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden