Aan Picasso is nooit gevraagd waarom hij met blauw schilderde

"Het toneel kermt" schreef een collega met gevoel voor drama een kleine tien jaar geleden. Aanleiding was het advies van de Raad voor de Kunst. Zo'n vijf jaar later, bij het verschijnen van weer een rapport, meldde ik dat de theaterwereld zinderde van hoog oplopende emoties. En de afgelopen week bereikte ons een vloed aan tandenknarsende reacties op de Cultuurnota van minister D'Ancona. So, what's new? Helemaal niets dus.

Behalve dan dat de minister de kunstinstellingen ditmaal stante pede verordonneert twintig procent eigen inkomsten te verwerven. Van nu af aan moet iedereen maar een beetje meer zijn best doen om de zalen tot op de laatste stoel toe bezet te krijgen. Als dat, in het geval van toneel, betekent dat de gezelschappen publieksvriendelijker voorstellingen moeten maken, wat is daar dan tegen? Een heleboel dus.

Die term 'publieksvriendelijk' fascineert mij vanwege de kortzichtige oogklepperige aan domheid grenzende naiviteit die er uit spreekt. Het suggereert dat toneelleiders tot nu toe, jaar in jaar uit, willens en wetens moeite hebben gedaan het publiek buiten de deur te houden.

Ik zie het al voor me: bij het samenstellen van het programma voor het komende seizoen wrijft de artistieke staf van theatergroep X zich vergenoegd in de handen, want met die geplande Ibsen, Botho Strauss, Eugene O'Neill, Pinter, Tsjechow, Bernard-Marie Koltes, Oscar Wilde en dat nieuwe Nederlandse stuk van die twee jonge honden spelen ze gegarandeerd voor op z'n best halfvolle zalen. "Dikke spullen, jongens" , gnuift de artistiek leider, en hij schenkt zijn tevreden achterover leunende collega's nog maar eens in. Kom nu toch, zelfs regelrechte kwaaddenkers weten wel beter.

Afgezien van de groepen die voornamelijk stukken van hun artistiek leider spelen, gaat het in de regel als volgt: soms bijgestaan door een dramaturg, lezen regisseurs zich suf aan oude en nieuwe toneelstukken en raken, om welke reden dan ook, gefascineerd door een tekst. Vervolgens kunnen ze de gedachte dat het belangrijk is daar 'iets' mee te doen, niet meer van zich afschudden. Als het goed is, rusten ze niet voordat ze de daad van de voorstelling bij het woord van de tekst hebben gevoegd. Daarnaast knaagt er bij velen ergens in het achterhoofd altijd wel een toneelstuk dat ze graag zouden willen regisseren, op het moment dat ze er klaar voor zijn. Vooral Shakespeare blijkt voor theatermakers als een soort toetssteen te fungeren; ongeveer zoals de ware jogger zich voorneemt toch minstens een keer in zijn leven aan de marathon van New York mee te doen en die dan ook uit te lopen, desnoods op zijn wenkbrauwen.

Waar regisseurs al lezend, denkend en plannen makend geen zicht op hebben, is of er publiek op die voorstellingen af zal komen. Het enige wat ze kunnen doen, is zo helder mogelijk overdragen wat het stuk bij hun aan ideeen en emoties heeft opgeroepen. Verder kunnen ze alleen maar hopen dat mensen de moeite willen nemen daar voor naar het theater te komen. Maar Het Publiek bestaat niet. Je kunt hoogstens spreken van deelpublieken: sommigen doen nooit een stap over de drempel van een grote schouwburg, maar bezoeken wel regelmatig voorstellingen in kleine theaters, en vice versa.

Sinds een aantal jaren loopt vooral de belangstelling voor het grote schouwburg-toneel terug. Een belangrijke reden daarvoor zou zijn dat steeds minder toeschouwers het vertoonde als 'werkelijk' herkennen en zich buitengesloten voelen. In dit verband heeft een oudere collega-criticus ooit uit de losse pols het onderscheid Stedelijk Museum - Rijksmuseum te berde gebracht: in het eerste is vernieuwende, in het tweede traditionele, herkenbare kunst te zien. Dat moest vooral zo blijven, en het toneel mocht daar een voorbeeld aan nemen. Dus alsjeblieft geen grensverleggende voorstellingen in de grote zaal; die plek diende te voorzien in de behoefte aan met degelijk vakmanschap geensceneerd, traditioneel repertoire.

Wat deze collega over het hoofd zag, was dat termen als 'vernieuwend' en 'grensverleggend' met betrekking op toneel zo'n twintig jaar terug werden gelanceerd. Sindsdien hebben zich al twee generaties theatermakers gemanifesteerd en staat de derde aan de zijlijn te trappelen. Wat ze in de kleine en grote zalen des landslaten zien, is nu 'normaal'. Dat een deel van het publiek het niet begrijpt en (dus?) afwijst, is wat anders.

Toch blijft het wonderlijk dat velen van toneel kennelijk nog steeds een hoog werkelijkheidsgehalte vragen, terwijl hele drommen bezoekers regelmatig naar het Stedelijk Museum tijgen, waar de geexposeerde werken toch nauwelijks raakvlakken hebben met de herkenbare kunst van bij voorbeeld Rembrandt. Picasso is vast nooit gevraagd waarom hij in zijn blauwe periode alleen met blauwe verf schilderde. Mocht dat toch gebeurd zijn, dan had hij ongetwijfeld geantwoord dat die kleur hem op dat moment het meest aansprak/het krachtigst uitdrukte wat hij wilde laten zien. Theatermakers daarentegen schijnen zich nog steeds te moeten bedienen van een beperkt, prettig overzichtelijk kleurenpalet. En dat terwijl de werkelijkheid er alleen maar onoverzichtelijker op geworden is.

Het zijn die grote zalen die van de minister weer vol moeten. Maar zelfs met drie Shakespeares, drie Oscar Wildes en drie Alan Ayckbourns in de aanbieding kan een gezelschap wat publiekscijfers betreft nog mis schieten. Er bestaat eenvoudig geen ijzeren formule als 'Ayckbourn = volle zalen'. Daarom is D'Ancona's aansporing om publieksvriendelijker te programmeren ook zo mal. In feite negeert zij het maakproces dat tussen de keuze van een stuk en de voorstelling ligt. Om even bij Ayckbourn, een van 's werelds meest gespeelde blijspel-schrijvers, te blijven: met een beetje fantasie kan ik me heel goed voorstellen dat een regisseur Ayckbourns satirische kijk op de onhebbelijkheden van de gegoede middenklasse op zo'n niet mis te verstane wijze toont, dat de toeschouwers, gespitst op een amusant avondje uit, zich er ongemakkelijk bij gaan voelen. Willen ze lekker lachen voor hun goede geld, worden ze verdikkie zelf te kijk gezet.

Hoe weinig peil er valt te trekken op wat 'het publiek' nu precies wil, wordt door het volgende geillustreerd. Een groot gezelschap overwoog op een gegeven moment het volgende seizoen een blijspel van Feydeau op het repertoire te nemen. Zeker buiten de Randstad zouden daar toch veel mensen op af komen, dacht de leiding optimistisch. Wat bleek? De schouwburgdirecteuren in de provincie haalden er beleefd hun neus voor op, ze boden hun publiek liever iets stevigers. Verrukkelijk! En hoor ik daar de minister achter haar oor krabben?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden