Aan het hier en nu valt veel toe te voegen

Voor ’De bekoring’ ontving Hans Münstermann de AKO Literatuurprijs. „Ik had nooit gedroomd dat ik daardoor in ’Party’ en ’Weekend’ terecht zou komen. Zelfs dat kan ik aan.”

Bakker worden. Dat was ooit de vierde beroepskeus van de jongen Hans Münstermann. Nog sterker verlangde hij naar het vakmatig besturen van een auto, trein of vliegtuig. Dat er ook serieuze beroepen als architect bestonden, wist hij toen nog niet.

Hij had het te druk met zijn lievelingsspeelgoed: twee metalen Dinky Toys. De tweede auto had z’n rubberen bandjes al verloren en was dus uit de gratie, maar de eerste Dinky Toy bleef niet voor niets nummer 1: „Het was een exacte kopie van de lange en lage ziekenwagen uit de jaren veertig, met die sierlijke ronde vormen. Een wagen waarvan je verlangde ziek te worden om er in te kunnen liggen.”

„Gemis aan speelgoed belemmert het spelen overigens niet hoor, het moedigt spelen juist aan. Toen ik in 1951 in Amsterdam kwam wonen zag je hier en daar een auto op straat staan. Dus kon je de buurt ook goed zien. Je had kinderen – ik vond ’t wat raar – die met een schrijfblokje in de hand kentekens van geparkeerde en passerende auto’s noteerden. Anderen verzamelden weggegooide sigarettenpakjes.”

De bakker die ook Münstermanns straat aandeed, had welbeschouwd twee gedroomde beroepen in een. Weliswaar niet per auto of trein, maar op zijn kar met vers banket rééd hij wel degelijk door de buurt. Als je er dan als jongen voor zorgde om half zeven ’s ochtends bij de bakkerij aan te kloppen, daar de bakker deeg met ei zag insmeren, de geur en warmte onderging, incidenteel een sprits ’zo uit de oven’ kreeg overhandigd, dan wist je toch echt wat geluk betekent.

Op de middelbare school waren Nederlands en geschiedenis zijn lievelingsvakken. „Nederlands was ook makkelijk bij te benen, en geschiedenis leidt nou eenmaal onherroepelijk tot Het Betere Gezwam, tot interpretatie.”

Tegen zijn zeventiende wist Münstermann dat hij ’iets met retoriek zou gaan doen’. Hij kreeg in de gaten dat zijn opstellen net iets beter dan die van klasgenoten waren. Zijn leraar Nederlands wist dat al, en zag bovendien dat leerling Münstermann zijn eigen opstellen herschreef. „Ik vond het leuk om daar aan te blijven knutselen.” Hij kreeg dan een pluim van z’n leraar, en beschouwde die als wenk: hou je vast en zet je schrap.

„Maar daarmee is de zaak nog niet beslist, als je 17 bent. Achteraf realiseer ik me dat dat knutselen aan het woord een totaal andere wereld opent dan die waar al die andere mensen mee bezig zijn. Als de ontdekking van een tovenaarsleerling: dat ga ik koloniseren, daar ga ik wonen! Nog steeds heb ik dat tijdens het schrijven van een roman: ik heb de grootste vrijheid, ik kan de grootste ruimte betreden.”

Als werkstudent ontmoette hij een oudere collega-werkstudent, en beschouwde die terstond als ’een latere versie van mezelf, maar dan idealiter.’

Ze werkten beide bij een verzekeringsmaatschappij. Münstermann als dribbelende hulparchivaris. De oudere werkstudent werkte zittend. Achter een typemachine. Waarschijnlijk brieven schrijvend!

„Ik leerde hem niet zozeer kennen, keek slechts met ontzag naar hem op. Hij hoorde er, net als ik, niet bij. En hij had een eigenwijsheid die me aansprak. Eigenwijs is de zin van eigen-wijs, op geen enkele manier bedoeld om te ergeren.”

Later, tijdens zijn studie Nederlands, zag hij hem op de universiteit nu en dan terug. Ook toen sprak Münstermann zijn eigenhandig aangestelde geestverwant niet aan.

Op de universiteit hadden de studenten het destijds tijdelijk voor het zeggen. „’Leuk’ is het juiste woord niet, maar het gaf me wel een soort romantische opwinding om ’aan de revolutie mee te doen’. Niemand hoefde ons iets te vertellen; boeken las ik toch wel.”

De studie Nederlands vloeide over in die van theaterwetenschap. Met ambities te over. „Ik wilde net zulke mysterieuze dialogen schrijven als Pinter. Zonder te beseffen dat dat al gebeurd was.”

Hij schreef en schreef, en reisde er op los: ’s winters in Nederland, ’s zomers in Griekenland. ’Zolang ik in Griekenland ben komt die roman vanzelf wel’, dacht hij (en beschreef hij in zijn tweede roman ’Je moet niet denken dat ik altijd bij je blijf’.)

In het vaderland teruggekeerd dong hij met zijn verondersteld meesterwerk mee in een Belgische literaire prijsvraag. Hij was even oprecht verbluft als teleurgesteld dat hij niet subiet de hoofdprijs ontving.

Münstermann volhardde en bleef zichzelf trouw. „Het is niet zo: als ik geen succes bij de PSP heb, dan ga ik me maar bij de VVD aansluiten. Ook zonder succes, zelfs zonder uitgever, kun je van schrijven genieten. Ik rijd motor, en geniet ook daar van. Sinds een jaar of twee zit ik op tennis. Ik kan er niks van, maar vind het fantastisch. Waarom? Tja, het spel, de buitenlucht, de anderen, het moeten reageren. In het spel kun je helemaal authentiek zijn – de spelende mens.”

Münstermann citeert Carmiggelt, die op de vraag waarom hij schrijft, antwoordde: ’Ik zou niet weten wat ik anders zou moeten, want ik kan niets anders.’ „Ik neem aan dat hij geen motor had, en ook niet tenniste, maar mijn bewondering om zijn puntigheid is daarom niet minder.” Of Carmiggelt niet een nogal wezenlijk woordje vergat: Ik wíl niets anders? Münstermann beaamt onmiddellijk: „Tot en met bakker toe!”

Ook in de openingszin van zijn bekroonde ’De bekoring’ duikt een bakker op: „Hij is thuisgekomen van de bakker, samen met zijn zoon, en ze zijn naar binnen gestapt door de openstaande voordeur, want het is lekker weer.”

Münstermann: „Bakker, taxichauffeur; dat zijn toch sterk stereotiepe personages. Hitchcock vertelde de inhoud van zijn nieuwe film altijd aan een nietsvermoedende taxichauffeur. Begreep die het niet, dan verhelderde Hitchcock het script. Hoewel taxichauffeurs doorgaans rechtse opportunisten zijn, weten ze over het algemeen wel waar de hoeren zitten.”

Amper is hij terug van de bakker of zoon Andreas krijgt te horen dat zijn moeder is overleden; zoals hij jaren eerder te horen kreeg dat zijn moeder uit het gezin is weggelopen met het voornemen nooit weerom te keren.

Als vehikel voor de moederlijke vlucht hanteert Münstermann een tram die door Amsterdam, door zijn roman, en bovenal door de tijd reist. Oorspronkelijk was de tram het hoofdpersonage, met ’de moeder’ in monologue intérieur als enig overig personage.

„Maar hoe helder ook afgebakend, kan dat ook verstikkend werken. Je moet bij de stam van je verhaal blijven, maar ik hou erg van uitstapjes, van zwenkingen, van vertakking. Met name uitstapjes in de tijd zijn voor mij het zout in de pap. Met het hier en nu moeten we het doen, maar er is nog zoveel meer aan toe te voegen – wat het hier en nu uit zichzelf doorgaans niet doet.”

Of de moeder na haar omzwervingen als een Mariken van Nimweghen gelouterd weerom keert, en zich (anders dan Mariken met haar zaligheid) tevreden weet met haar grootste wens: een wandmeubel met ingebouwde tv en grammofoon?

„Nee. Ik merk niet dat zij gelouterd terugkeert. Het blijft wat treurig hangen. Eerder is het berusting in haar machteloosheid.”

Tot z’n verrassing moest Münstermann hier en daar de titel van zijn roman duiden. Jongeren beoordeelden ’De bekoring’ als archaïsch. Wisten niet dat het naast ’de bekoorlijkheid’, ’de verrukking’ ook staat voor ’in verzoeking gebracht worden’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden