Aan handen en voeten gebonden kunnen we hoofd en hart vrijer bewegen

Judith Belinfante, de dochter van de rector van de Maagdenhuisbezetting, tot voor kort directeur van het Joods Historisch Museum en nu lid van de Tweede Kamer voor de PvdA, hield gisteren de openingsrede van het academisch jaar van de Universiteit van Amsterdam. In een terugreis naar haar studententijd 'ontmoet' zij de gevangenen uit Plato's vergelijking van de grot: het kuddedier mens, van corpsbal tot activist, heeft weinig aan zijn intelligentie als niet aan het IQ ook het EQ van de emotie wordt toegevoegd.

Op de Universiteit van Amsterdam ben ik aangekomen in 1962. In die tijd was mijn vader, mr. A. D. Belinfante, hoogleraar staats- en administratief recht aan de juridische faculteit. Kort daarna werd hij eerst prorector en in 1966 rector. Het College van Bestuur bestond nog niet. De grote hervormingen kwamen pas na de Maagdenhuisbezetting van 1969. De periode die volgde, maar ook al de periode die hieraan voorafging, was moeilijk voor de universiteit, moeilijk voor mijn vader in functie maar ook als persoon. Het was een periode waarmee velen, in alle lagen, van de UvA nog jaren geworsteld hebben.

De uitnodiging aan mij als de dochter van mijn vader, voel ik als een einde aan die worsteling, als een behoefte die periode af te sluiten. Nu na dertig jaar, na een generatie, is ook de bezetting van het Maagdenhuis, geschiedenis geworden.

Deze rede wil beschrijven hoe de jaren zestig juist in Amsterdam zich in alle hevigheid konden ontwikkelen, omdat evenals het politiek activisme de cultuur voortdurend de breed gedragen wens aanwakkerde naar een andere visie van de mens in zijn maatschappij, in literatuur, film, theater.

Deze zomer op een van die zeer regenachtige middagen zat ik met een oude studievriend uit het eerste jaar in café Dantzig, uitkijkend over de Amstel. Natuurlijk spraken we over ons werk. Hij vroeg naar mijn nieuwe baan, lid van de Tweede Kamer. Tijdens ons gesprek zag ik de schaduw bewegen van een boomblad. Ik had de associatie met Plato en zijn vergelijking van de grot. Het is het verhaal dat de Griekse wijsgeer Socrates vertelt aan zijn leerlingen: hoe de gevangenen in de grot, geketend aan handen, voeten en hoofd op de rotswand schaduwen voorbij zien trekken van wat buiten er heel anders uit zou zien. Voor hen zijn de schaduwen echt, vanaf hun gebonden plaats kunnen zij de werkelijkheid niet zien. Maar als zij zich los zouden kunnen maken en de grot uit zouden stappen zou het zien van het licht van de zon verblinding en verwarring brengen, evenals de terugkeer naar de duisternis van de grot opnieuw verblinding en verwarring zou geven.

De vragen naar werkelijkheid, waarheid en waarden, naar de paradox tussen het willen bereiken van een ideaal en de menselijke beperking bij het vormgeven van een samenleving, zijn niet aan tijd gebonden.

Ingeklemd

Ik wil niet beweren dat mijn generatie de filosofische diepgang van Plato's werk 'Politeia' ten volle heeft begrepen. En toch konden we meevoelen met de gevangenen van de grot. Want waarom zou ik anders juist dit stuk onthouden hebben uit de lijdensweg van de vertalingen Grieks van het gymnasium? Het beeld van de gevangenen moet ons aangesproken hebben, want wij voelden ons ingeklemd zitten tussen de rechtlijnige morele oordelen vanuit de Tweede Wereldoorlog, de gezagsgetrouwe bestuursstijl van de jaren '50, de klein makende zuinigheid van de Wederopbouw.

Maar bovenal was er die onverklaarbare paradox dat onze ouders die de moord en doodslag van 1939-1945 hadden overleefd, de ontdekking van de atoombom goedkeurden; terwijl voor ons die bom aantoonde dat wij mensen meer kunnen vernietigen, dan wij kunnen scheppen. Wij moesten die totale vernietiging keren. Hoe konden wij dat doen zonder de gezagsgetrouwe wereld om ons heen aan te tasten?

Niet voor iedereen uit de jaren zestig was de ban-de-bom-beweging de rationele drijfveer tot politieke verandering. Maar dat gold wel voor een aantal van mijn medescholieren van het Haags Montessori Lyceum. In 1958 organiseerden de derde klassen van die school de eerste anti-bomdemonstratie in Den Haag. Roel van Duijn was een der initiatiefnemers, in de jaren zestig was hij een van de Provo's op het Spui bij het Lieverdje.

Voor mij was er maar één plek om te willen studeren: Amsterdam. Daar was niet alleen een universiteit om een goede opleiding te kunnen volgen, maar ook een sfeer die ruimte bood aan onze drang tot het keren van de algehele vernietiging, tot het zoeken naar nieuwe idealen die ons daarbij te hulp zouden kunnen komen. In termen van vandaag: een universiteit waar niet alleen het intellect werd ontwikkeld op basis van een voldoende hoog IQ, maar waar de stad zelf ook ruimte gaf voor een emotionele, intuïtieve ontwikkeling, sociale intelligentie en emotionele intelligentie - het EQ.

Ik werd lid van de Amsterdamse Vrouwelijke Studenten Vereniging, de vrouwelijke pendant van het Amsterdams Studenten Corps.

Maar er was meer dan het corps. Ik ging mee naar de Olofspoort, een geëngageerde studentensociëteit die zich niet buiten maar in de maatschappij wilde plaatsen en waar avond aan avond over de samenleving werd gedebatteerd; naar Politeia, een links politiek studentendispuut dat voor mij te ideologisch en te intolerant was; ik vouwde kranten bij de Studenten Vak Beweging en proefde de sfeer van maatschappelijke opwinding en behoefte tot verandering. Ik had een baantje bij McKinsey, een eerste vestiging van een Amerikaans bedrijf dat een andere tijd aankondigde. Ik zag de rozijnen uitdelende Provo's, de Vietnam-demonstraties, de eindeloze veiligheidsmaatregelen voor het huwelijk van Beatrix en Claus naast mijn studentenhuis op de Westermarkt en later de rellen rond de rookbommen.

De lange studietijd van toen, voor geschiedenis zeven jaar, maakte dat voor de ontwikkeling van het EQ ruim tijd was. Zolang de politieke en maatschappelijke veranderingen nog niet gerealiseerd werden, leerden we zien, ondergaan, invoelen wat die veranderingen in ons leven zouden kunnen gaan betekenen.

We zagen Edward Albee's opzienbarende stuk 'Who is afraid of Virginia Woolf?' waarin gezagsgetrouwe ouders, elkaar verwoestende alcoholici bleken te zijn. De wrede stukken van Arrabal. Maar 'Hiroshima, mon amour' en Fellini, een wondere seksueel uitdagende fantasiewereld van onbekende uitersten. We leefden in de dagen van de eerste pil en de langzame legalisering van abortus, een pijler voor de werkende vrouwen van nu.

1966. Maarten van Traa en ik waren preses van de Almanak die alleen in Amsterdam voor AVSV en Corps gezamenlijk werd gemaakt. Toen voorafgaand aan de uitreiking, tijdens een lunch een corpsbal meende een gebakken ei op het hoofd van een van ons te moeten leggen, weigerden we de almanak uit te delen als geen excuses werden aangeboden. Wij wezen het kuddegedrag van de rechtgeaarde corpsballen tot in het diepst van ons wezen af.

Plato beschrijft hoe Socrates met zijn leerlingen de vraag bestudeert wie de constitutie kan handhaven, en aan welke eisen die kleine groep mensen moet voldoen.

Esprit

Het probleem is, volgens Socrates dat de verschillende elementen die voor een goed bestuurder nodig zijn zelden in een mens voorkomen:

“Kijk, als iemand makkelijk leert, een goed geheugen heeft, scherpzinnig en vol esprit is en alles wat daar verder mee samenhangt - je weet dat zulke eigenschappen in iemand die bovendien nog een dynamische en superieure geest bezit, niet samengaan met innerlijke rust en de bereidheid een evenwichtig en stabiel leven te leiden. Zulke mensen worden door hun esprit meegesleept en stabiliteit is bij hen ver te zoeken.”

Evenals bij de vergelijking van de grot ken ik niet de filosofische implicaties, maar herken ik in dit citaat (in de vertaling van Gerard Koolschijn) het gedrag van de activisten die vanaf 1966 luider en luider om hervormingen riepen. De nieuwe rector probeerde met de studenten te praten. In wezen was hij het met hun kritiek eens. Hij wilde naar oplossingen zoeken om een gestroomlijnde overgang naar een nieuwe tijd mogelijk te maken met behoud van de waarden en kwaliteit van de universiteit. Ik zat achterin de collegezaal op de Oudemanhuispoort en voelde, hoorde dat tussen mijn vanwege zijn liberale opvattingen gekozen vader en de studenten geen communicatie mogelijk was. Hij was van een populaire hoogleraar, een regent, een tegenstander geworden. Zijn democratisering was de hunne niet. Ze waren vijanden. Vanaf dat moment heb ik me teruggetrokken. Het kuddegedrag van de activisten was voor mij even kwetsend als dat van de corpsballen.

De openheid, de nieuwsgierigheid als levensstijl was plotseling voorbij. Er ontstond een nieuwe grot, waarin nieuwe mensen boeien aanlegden aan anderen, en zelf bepaalden wat de werkelijkheid was van hun schaduwen op de wand.

Anderhalf jaar later ben ik letterlijk met een boog om de Maagdenhuisbezetting heen gelopen. De periode van verblinding en verwarring uit de vergelijking van de grot was aangebroken, het licht van de zon verblindde, evenzeer de terugkeer naar de duisternis.

Maar de duisternis is minder donker, onze handen en voeten zijn misschien nog geboeid maar toch hebben we het gevoel dat we in ieder geval ons hoofd en hart vrijer kunnen bewegen. Want de veranderingen in onze huidige samenleving geven in Nederland niet meer die spanningen die in de jaren zestig opgeroepen werden. Onze wereld internationaliseert. In Amsterdam alleen wonen meer dan 86 nationaliteiten. Onze tijd lijkt grenzeloos, zowel letterlijk als figuurlijk. Wij kunnen overal naartoe, zoniet op reis dan virtueel. Wij leven in een global village. We kunnen zonder enige controle communiceren met iedereen die waar dan ook op het Net is aangesloten. De dreiging van de totale vernietiging heeft plaatsgemaakt voor conflictbeheersing.

Maar ook deze tijd stelt eisen aan degenen die hem bewust beleven. De vragen naar werkelijkheid, waarheid en waarden, naar de paradox tussen het willen bereiken van een ideaal en de menselijke beperking, blijven onverkort van kracht. Want de welvaart op de wereld is niet goed verdeeld. De schade aan het milieu schept omvangrijke problemen. Het Westen met zijn geloof in vooruitgang en technologie, voorlopig ten behoeve van een minderheid van de wereldbevolking, vormt opnieuw een bedreiging voor het fysieke voortbestaan van deze wereld.

Evenals in de jaren zestig zijn er veranderingen nodig. Economische veranderingen, politieke veranderingen, morele veranderingen. Het intellect, IQ, levert ons alleen dan goede oplossingen als we ook de emotie, de sociale intelligentie, EQ, laten werken. Dat zien we in de nieuwe manieren van ontwikkelingssamenwerking, dat zien wij bij het zoeken naar methodes van sociale integratie van minderheden in ons land. Want eenzelfde taal spreken, wil nog niet zeggen: werkelijk communiceren. Iedere cultuur heeft haar eigen waarden, en alleen door openheid en nieuwsgierigheid kunnen we tot de kern van die waarden doordringen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden