Aan gedoogbeleid wennen is riskant

'Gedogen' is al tijden onderwerp van discussie. Maar nu moet het echt afgelopen zijn, roepen politici, burgemeesters en sociale diensten. Is het vooral verbaal geweld of staat Nederland echt voor een omslag? En over welk gedogen gaat het? Deel 6 in een serie: Nederland moet oppassen de strafwet niet aan zijn laars te lappen.

De maatschappelijke steun voor het bestuurlijke 'door de vingers zien' brokkelt af. Is daarmee ook het einde in zicht van de eeuwenoude Nederlandse traditie om voor dingen die niet kunnen of mogen voorzieningen te treffen, opdat deze in een ietwat controleerbare wijze tóch voortgang kunnen vinden? De behoefte aan zo'n oplossing duikt telkens weer op. Daarom hebben we criteria nodig waarmee we kunnen vaststellen wanneer gedogen toelaatbaar is.

Het woord gedogen is zeker vanaf de zeventiende eeuw in het Nederlands bekend, maar waarschijnlijk is het van veel oudere datum. Gedogen doen bestuurders, maar ze worden hiertoe wel gedwongen door het eigenzinnige gedrag van burgers. Nederlanders maken, als hen dat van pas komt, in hoge mate hun eigen beleid. Van de overheid verwachten ze dat die de resultaten daarvan gedoogt -en het liefst na enige tijd ook legaliseert.

Opmerkelijk, en waarschijnlijk internationaal uniek, is dat de Nederlandse regering vijf jaar geleden over het gedogen een aparte beleidsnota -'Gedogen in Nederland'- heeft uitgebracht. De nota wekte de suggestie dat het gedogen meer is dan een opportunistische toepassing van de mazen in de wet. Toenmalig minister van justitie Winnie Sorgdrager, die de gedoognota had ingebracht, legde uit: ,,Alles wat niet onder het begrip 'gedogen' valt, valt dus in beginsel onder het begrip 'handhavingstekort'''. Gedogen was volgens haar alleen toelaatbaar als het expliciet gebeurde. Dit betekende dat het op schrift stond. In de zin van de Algemene wet bestuursrecht is dat een 'beschikking'. Want, zo stelde zij, 'stilzwijgend gedogen is de andere kant uitkijken en dat willen wij niet'.

Gedoogbeleid heeft voor- en nadelen. Men kan stellen dat het hypocriet en schadelijk is voor de publieke orde als het beleid en de praktijk afwijken van de geschreven wet. Juridisch is in Nederland echter al sinds 1870 sprake van het opportuniteitsbeginsel. In 1926 is het beginsel opgenomen in het Wetboek van Strafvordering, het biedt ruimte voor strafrechtelijk gedoogbeleid. Het openbaar ministerie kan op grond van het opportuniteitsbeginsel besluiten om de strafrechtelijke vervolging achterwege te laten. Als dat 'opportuun' is kunnen overheden het vigerende gedoogbeleid, bijvoorbeeld ten aanzien van de verkoop van wiet of andere drugs, uitbreiden. Daar staat echter het risico tegenover dat we aan het gedogen gaan wennen. Op die manier lappen we de strafwet aan onze laars en wordt hypocrisie gelegitimeerd.

De altijd en alles relativerende Herman Pleij bekritiseerde jaren geleden in de Groene Amsterdammer de door Sorgdrager bepleitte formalisering van het gedogen. Volgens hem kan iets niet verboden zijn volgens de ene regel en volgens een andere weer een beetje toegelaten zijn -'gedogen schrijf je niet op, gedogen doe je (...) zolang je het maar niet hardop zegt'. De formalisering zou zijns inziens tot ongewenste starheid leiden.

Het grote voordeel van zoiets als gedoogbeleid is dat de eventuele overgang naar feitelijke legalisering veel minder (of in het geheel niet) ingrijpend is -in ieder geval op korte termijn zijn de gevolgen nauwelijks merkbaar. De vuurwerkramp in Enschede, en meer van dat soort voorbeelden, heeft ons laten zien waartoe de oer-Hollandse bestuurlijke gewoonte, om fouten door de vingers te zien en het oplossen van problemen voor zich uit te schuiven, kan leiden. Maar de zaak is niet zo simpel. Gedoogbeleid heeft niet alleen maar rampen voortgebracht. De legalisering van de abortus, prostitutie (opheffing bordeelverbod) en euthanasie, om drie betrekkelijk recente voorbeelden te noemen, komt voort uit de relatief positieve ervaringen met het gedoogbeleid ter zake. Geruime tijd eerder ging een tolerante houding tegenover de geslachtelijke liefde tussen mensen van het zelfde geslacht aan een wettelijke niet-strafbaarstelling daarvan vooraf. Zonder zo'n tussenfase -op het grensvlak van wetsovertreding en het door de vingers zien- zouden deze vormen van legalisering denk ik niet tot stand gekomen zijn. Er zijn echter ook voorbeelden aan te geven waarin een tolerante houding na verloop van tijd zelfs tot een verscherping van regelgeving en de handhaving daarvan leidt. Zo werd er in de jaren zeventig steeds openlijker gesproken en geschreven over pedofilie als een acceptabele gedragsvorm. De tolerantie is nadien in haar tegendeel verkeerd.

Onze samenleving hanteert blijkbaar impliciet enkele criteria voor de toelaatbaarheid van gedoogbeleid. Ik denk dat de criteria voor de beoordeling van gedoogbeleid duidelijker gesteld kunnen worden. Ik noem er vier. In de eerste plaats gaat het er om of het gedoogbeleid wel of niet functioneel is, oftewel: ligt het gedoogbeleid in het verlengde van de algemene uitgangspunten van wet- en regelgeving en draagt het daar in positieve zin toe bij, of is dat niet het geval?

In de tweede plaats gaat het erom of het gedoogbeleid wel of niet schadelijk is voor de direct betrokkenen én voor de samenleving in zijn geheel. De eis van Sorgdrager dat gedoogbeleid geschreven beleid moet zijn -het derde criterium- is van groot belang. Het dwingt de bestuurders er namelijk toe publieke verantwoording af te leggen van de beweegredenen voor de afwijkende beleidsvoering.

Men kan overigens zo redeneren dat gedogen in beginsel altijd fout is, omdat de bestuurders en de burgers eraan gaan wennen dat wetten en regels niet zo serieus genomen hoeven te worden. Daarom moet, ten vierde, elke vorm van gedogen aan een welomschreven termijn worden gebonden. Ik stel kortom voor dat gedoogbeleid slechts aanvaardbaar is als het functioneel en onschadelijk is, op schrift staat én van tijdelijke aard is.

Zo valt het gedogen van de verkoop van wiet in coffeeshops te verdedigen als functioneel en het minst schadelijk. Bovendien is het duidelijk op schrift gesteld en zijn bestuurders bereid het beleid publiek te verdedigen. Maar een termijn is er niet aan gegeven -en dát wringt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden