Aan flarden

We zaten op het terrasje, mijn oude vriendin en ik, hadden een plekje met de nodige zon opgezocht, waren zelfs al een keer van plaats verhuisd toen een gunstiger gezeten stel opstapte. Het was lang geleden dat we elkaar gezien hadden, dus moest er verteld worden wat we afzonderlijk hadden beleefd en wat gezamenlijk.

Zij, net in Dublin geweest, vertelde hoe ze daar had rondgewandeld en gewinkeld, musea bezocht, ik had Mozambique in de aanbieding. We luisterden ongehaast naar elkaars levens en vervolgens naar het kleine stukje dat we ooit samen hadden meegemaakt en dat ook ter tafel moest komen en waar we niet helemaal hetzelfde over dachten, ha nog meer gespreksstof! Ook de andere tafeltjes waren bezet, vooral die in de zon, een stel met motorjacks aan, een groot gezelschap dat, dachten wij, van het Pieterpad moest komen. Nog meer stellen, appelpunten, schoteltjes met kroketten, koffie. In het water waaraan de uitspanning gelegen was schoof een zeilboot voorbij, brug open en weer dicht, in het brugwachtershuisje kon je volgens de menukaart ook logeren.

Dit was het nu, het nu dat je leeft maar nooit helemaal beleeft omdat het net iets te snel weer voorbij is om het te pakken of precies op te schrijven. De rest is toekomst, utopie. Ook al zit je rustig over het verleden te praten, je gelooft toch vooral in wat er nog komt. Dat je gewoon de avond haalt, dat zich nog iets moet verwerkelijken. Zou de dood en het einde om je heen hangen, ondanks de zon en de terrasjes, dan probeerde je te vluchten, zoals de tuinman in het gedicht, naar Ispahan. Maar dat doet-ie niet, niet dat je weet.

Elders en gelijktijdig, althans volgens de klok, onder dezelfde lentezon gelijkaardige tafereeltjes. Mensen bezig met iets van de zaterdagmiddag, de auto klaarmaken om inkopen te doen, kinderen op weg naar een sportwedstrijd, hockeystick op de rug, vanmiddag bij je broer of zuster op bezoek, allemaal onbewust gedreven door die drang om voort te bestaan.

Maar ergens hapert er iets, iemand is gestold, al een tijdje, zit depressief in huis, of er is langzamerhand iets bij hem verschrompeld: wezen, geweten. Zijn toekomst en hoop op iets beters worden niet door het eerste het beste lentezonnetje geprikkeld, daarvoor is het gat al te diep, de afstand naar de realiteit te groot. En het kan nog dieper en zwarter. Een status quo zo hopeloos en verknipt dat de sensoren voor het bestaan niet meer werken en je wordt een automatisme, een automatisch mens, onmenselijk, een cyborg, dat een automatisch wapen pakt en op weg gaat naar het winkelcentrum, Gelderlandplein, De Poort, De Ridderhof, naar de plek waar de gelukkige en zich van hun geluk nauwelijks bewuste mensen samenkomen om te consumeren en voort te bestaan, en je schiet hun droom aan flarden zoals die van jezelf aan flarden is geschoten, stuk voor stuk en ten slotte schiet je jezelf dood want het leven is niets, dat van jou niet, en dat van anderen niet.

En het nu, met altijd dat beetje toekomst in zich, dat je dingen meemaakt en ouder wordt, houdt op te bestaan.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden