Aan die schrijftafel schreef Tsjechov

Aan die schrijftafel schreef Tsjechov 'Drie Zusters', 'De Kersentuin' en de gedachte ontroert onverwacht hevig.

Ach Jalta. De badplaats op het zuidpuntje van de Krim, Oekraïens schiereiland in de Zwarte Zee, waar Anton Tsjechov de laatste jaren van zijn leven woonde. Vanwege zijn broze gezondheid had hij al vaker periodes op de Krim doorgebracht. Toen artsen hem, verzwakt door tuberculose, aanraadden definitief naar het zuiden te verhuizen, koos hij voor Jalta. De naam roept een vreemd soort weemoed in me op, een gemoedsstemming die ook de toneelstukken van Tsjechov aankleeft. Het 'naar Moskou'-gehunker van de 'Drie Zusters', zeg maar.

Als we aanmeren aan de kade van Jalta, blaast een kleine fanfare een vrolijk welkom. Het silhouet van de stad is een mengeling van veel goudblinkende, ui-vormige koepels van Russisch-orthodoxe kerken en te veel rechthoekige flatbebouwing of geraamtes van nooit voltooide hotels.

Een eerste stap in het centrum herstelt het scheve beeld wat. Druk verkeer, verval, maar ook sfeervolle pleintjes, miniterrasjes op hobbelige trottoirs in smalle straten, oude huizen en fraaie achttiende-eeuwse gebouwen. Aan de boulevard is het leven mondainer. Dure winkels, prijzige openluchtrestaurants en modieus geklede toeristen. De Russische Rivièra heet deze kust. Russisch is vrijwel het enige 'buitenlands' wat je hoort. Ernaast, op de strook strand, lijkt de tijd zichzelf weer terug te zetten. Ouderwetse badkleding en ligkleedjes. Maar ook kan je je er laten fotograferen in rijke gewaden en barokke ambiances, kennelijk inspelend op een nostalgie naar tsaristische tijden. Kritiek op de huidige, corrupte Koetsjma-kliek wordt alom openlijk geuit, door studenten, in cafés, in taxi's.

Daar, in dat milde klimaat en uitkijkend op de ziltige zee bouwde Tsjechov vijf jaar voor zijn dood, nu honderd jaar geleden, zijn Witte Datsja. Nee, het was niet moeilijk te vinden, had Natasha ons gezegd. En echt, het was te belopen. Een stukje langs de boulevard, rechtsaf een weg schuin omhoog, daar ergens links nog wat klimmen. Als we volgens berekening vlakbij moeten zijn, maar nergens een aanwijzing is te bekennen, stuiten we onverwacht op een muur van onbegrip. In winkels, bij bushaltes, bij jong en oud roept het noemen van de naam verwarring en opgetrokken schouders op. Dat is raar. Elke lente wordt hier immers een Tsjechov-herdenking gehouden met een optocht van figuren uit zijn stukken. Spreken we het niet goed uit? Een taxichauffeur biedt ten slotte uitkomst. Na een lange rit de heuvels in worden we afgezet voor een hek met, goddank, het naambordje: Tsjechov.

Een stenen trap leidt naar een laag gebouwtje. Muren, vitrines, alles is volgepropt met foto's, brochures, toneelprogramma's, boekuitgaven in alle mogelijke talen. Beleefd doen we een rondje, maar dit is niet waar we voor kwamen. Een oude vrouw, in gebroken Engels prevelend, brengt ons naar een weelderige tuin. En daar, aan de hoge zijde, staat het. Witgepleisterd, oudrose beschilderde houten erkers, balkonnetjes met sierlijke balustrades: wonderschoon. Het zou inderdaad wel eens het meest originele huis van heel Jalta kunnen zijn, zoals een bevriende kunstenaar het destijds noemde.

Tsjechov ontving er talloze vrienden, schrijvers, schilders, componisten. Gorki kwam er veel, maar ook Rachmaninov, Levitan en de oude Tolstoj. Of hij ooit contact heeft gehad met de Romanovs, vertelt het verhaal niet. Die tsarenfamilie verbleef wel met enige regelmaat in de omgeving. In het nu ook voor publiek opengestelde en schitterend in de bergen gelegen Livadiapaleis, dat later historische betekenis zou krijgen als de plek waar Churchill, Roosevelt en Stalin in 1945 in het diepste geheim hun Conferentie van Jalta hadden gehouden.

Binnen is Tsjechovs datsja kleiner dan de buitenkant doet vermoeden. En we mogen niet overal komen. Onze begeleidster is streng. In de deuropeningen hangen koorden: tot hier en niet verder. Van de nog relatief ruime keuken schuifelen we via smalle trappen en gangen van kamer naar kamer. De slaapkamertjes van de moeder en zuster, met wie Tsjechov daar samenwoonde, de sobere eetkamer, zijn eigen slaapkamer. Ook hier in een nauwe ruimte enkel een eenpersoonsledikant met nauwelijks nog plaats voor een tafeltje. Hoezo? Hij was toch in 1901 getrouwd met de actrice Olga Knipper? ,,Ik leef als een monnik en denk alleen maar aan jou'', schreef de kwijnende schrijver haar. Als steractrice van het Moskou's Kunsttheater was Olga veel op tournee en kwam alleen korte periodes tussendoor naar de datsja. Zij had overigens wel een eigen vertrek, elders in het huis en groter dan de kloostercellen van echtgenoot en schoonfamilie, waar zij en Tsjechov zich konden terugtrekken.

En dan is daar de werkkamer van Tsjechov. Een comfortabele bank met ertegenover, in het midden van de kamer, de schrijftafel. Wat snuisterijen erop, een kandelaar, een pennenhouder. Zonder enige aankondiging overvalt mij een diepe ontroering, opwellend uit mijn buik en tranen in m'n ogen schietend: daar schreef hij zijn laatste stukken, 'Drie Zusters', 'De Kersentuin', en beroemde verhalen als 'De dame met het hondje'. ,,Het volgende stuk dat ik zal schrijven wordt beslist een grappig, heel grappig stuk, tenminste wat de opzet betreft,'' schreef hij opgewekt over 'De Kersentuin' aan zijn vrouw. En eerder: ,,Dit seizoen sta ik 'Drie Zusters' nog niet af, het kan beter nog wat liggen, wat uitzweten, of, zoals koopmansvrouwen zeggen als ze een pastei op tafel zetten: laat hem nog wat uitzuchten.''

Ik kan het verlangen niet bedwingen er dichter bij te komen en buig mij, de ogen op steeltjes, over het koord om iets van de geur van de tafel op te snuiven of een glimp van het uitzicht op de tuin van daar af op te vangen. Maar krijg onmiddellijk straf van onze chaperonne. Kuis voor de drempel blijven, ook het bovenlijf, is het gebod. Mijn ogen drinken het vertrek op. Ik zou er rustig een uur kunnen blijven staan kijken, maar onze gezellin begint het beu te worden. Ach, wat wil je, zij loopt er waarschijnlijk al jaren rond. Na Tsjechovs dood in 1904 -hij stierf in het Duitse kuuroord Badenweiler- is zijn zuster gebleven. In 1919 werd het huis door de jonge sovjetstaat tot nationaal bezit verklaard, maar in 1921 werd het door actief toedoen van diezelfde zuster Maria Pavlovna tot museum gemaakt. Zij is er blijven wonen en heeft het geheel beheerd tot eind jaren vijftig.

Buitengekomen begin ik als een dweepzieke bakvis het koperen naambordje op de deur te fotograferen en dwalen we nog een tijd door de tuin, die paradijselijk is aangelegd met vijvertjes, kronkelpaden en rustieke bankjes. Tsjechov was een verwoed tuinier en was al met de aanleg begonnen, toen het huis werd gebouwd. In het eerste jaar 1899, het honderdste geboortejaar van de door hem zeer bewonderde Poesjkin, plantte hij er te diens eer honderd rozenstruiken, die zowat het hele jaar door zouden blijven bloeien. Maar ook ceders staan er, en cipressen, magno lia's, lelies. Het is inmiddels zo dichtgegroeid dat het uitzicht op zee is verdwenen, belemmerd trouwens ook door helaas andere bebouwing. De tuin wordt er niet minder om. Met terugwerkende kracht krijgen Tsjechovs tuinhandschoenen en -gereedschap, neergevlijd in het eerste gebouwtje, een persoonlijker betekenis.

Beneden, terug bij het strand, laat ik mij alsnog in een tsarina-japon met bijpassende pruik fotograferen. Weemoed in een kostuum gevat. Het tafereel zou Tsjechov zeker een ironische glimlach hebben ontlokt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden