Leo Kaijen (70) in zijn fabriek in Oosterhout die metalen vaten recyclet.

LopendebandwerkLeven

Aan de lopende band: mee in het ritme van de machines

Leo Kaijen (70) in zijn fabriek in Oosterhout die metalen vaten recyclet.Beeld Emmie Kollau

Ze doen het werk waar maar weinigen jaloers op zijn. Waarbij de mens slechts een schakeltje is in een systeem. Journalisten Catrien Spijkerman en Emmie Kollau maakten een podcast over het ritme én de voldoening van lopendebandwerk.

Niet iedereen heeft z’n werk de afgelopen maanden naar de keukentafel of zolderkamer verplaatst. In enorme blokkendozen zonder ramen, aan de rand van de snelweg, verwerken lopendebandwerkers in wisseldiensten 24 uur per dag onlinebestellingen, ze vullen de schappen van distributiecentra, verpakken ready-to-eat sandwiches, recyclen plastic. Dit zijn de mensen die niet thuis kúnnen werken, want hun plek in het magazijn of de fabriek bepaalt hun werk. Ze sjouwen en stapelen, pakken en verpakken, drukken eindeloos op knopjes en praten tegen computers.

We rijden er gedachteloos aan voorbij, aan die enorme blokkendozen – geen idee wat daarbinnen gebeurt. Tenminste, tot voor kort. Journalist Emmie Kollau en ik gingen op zoek naar werk dat doorgaans verborgen blijft. Werk waarvan we dachten dat het allang door robots was overgenomen of uitbesteed aan lagelonenlanden. We wilden weten wie de mensen zijn die achter de schermen de consumptiemaatschappij draaiende houden, en aan hen een muzikale ode brengen. We vroegen vier muzikanten, onder wie Spinvis, mee te gaan de werkvloer op en muziek te componeren geïnspireerd op het gestamp van de machines en het ritme van de werkvloer.

Zoals in de beroemde scène uit de film ‘Modern Times’ uit 1936, waarin Charlie Chaplin in een gestreepte overall met twee enorme moersleutels in beide handen als een razende moeren aandraait op onbeduidende latjes. Het tempo van de lopende band is moordend, de latjes blijven maar komen. Natuurlijk gaat het mis. Chaplin komt zelf op de lopende band terecht en wordt ongeveer vermorzeld tussen de reusachtige tandwielen en raderen van de machinerie.

Tegenwoordig heten ze operators, warehouse employees, of orderpickers, maar lopendebandwerk gebeurt dus nog steeds. De werkdruk is hoog, net als de fysieke last. Er is vaak geen daglicht, wel scoreborden en veel losse contracten. Sommige werknemers hebben het gevoel zélf in een robot te zijn veranderd.

Toch ontdekten we tijdens onze gesprekken met hen dat ze, ieder voor zich, manieren hebben bedacht om niet te worden opgeslokt door hun machines. De één doet het – behalve om geld te verdienen – om samen te zijn met collega’s, de ander omdat het structuur geeft aan de dag, weer een ander haalt er voldoening uit om het werk zo netjes mogelijk uit te voeren. Zoals lopendebandwerker Leo Kaijen (69) het verwoordt: “Het heerlijke gevoel dat je iets gedáán hebt die week”.

De podcast Lopendebandwerk is te vinden in alle podcastapps en wordt ook uitgezonden op NPO Radio 1 in ‘Radio Doc’ van de VPRO op zondagavond 17, 24 en 31 mei en 6 juni om 21 uur.

Patrick van Wijngaarden (36) werkt bij afvalverwerkingsbedrijf Suez in Rotterdam.

Patrick van Wijngaarden.Beeld Martijn Gijsbertsen

Bedenk maar eens wat je allemaal in je vuilniszak hebt gegooid, zegt Patrick van Wijngaarden. “Al het plastic, blik, en drinkpakken komen bij ons voorbij op de band.” Van Wijngaarden werkt bij de plasticsorteerinstallatie van Suez in Rotterdam. “Zo’n 70 procent wordt gesorteerd door de machine, de rest doen wij. Je zou het misschien niet denken, maar er is een hoop kennis voor nodig. Dit lukt me nooit, dacht ik mijn eerste dagen. Die band ging zo snel, en je moet van elk ding dat voorbijkomt weten wat het is: PP, PE, PET. Na mijn werk ging ik naar de supermarkt om te oefenen. Ik ben een perfectionist.”

Negen uur lang staan, een beetje gebogen, supergeconcentreerd. Er zijn de ‘makkelijke’ sorteerbanden – petflesjes, folie – en de ‘zwaardere’. “Die banden heten mix-hard en mix-zacht. Luiers, soms dooie dieren, je kunt het zo gek niet bedenken of het komt voorbij. Die doe ik ook gewoon. Mondkapje voor, bril op, en gaan met die banaan. Ik zet me eroverheen, want het werk moet toch gebeuren. Ik adem zelfs gewoon door m’n neus. Aan de stank raak je gewend.”

Na vijf jaar had Van Wijngaarden de banden wel gezien. “Ik kon het met m’n ogen dicht. Toen kreeg ik de kans om vloerschoonmaker te worden. Veel leuker, lekker in beweging. Ik spring nog weleens bij aan de sorteerbanden, bijvoorbeeld als iemand naar de wc moet, maar mijn hoofdverantwoordelijkheid is nu zorgen dat de vloer begaanbaar blijft. Wat van de banden valt, vegen wij op.

’s Ochtends als we beginnen ligt er al een metertje smurrie. Met ons kleine ploegje van drie man krijgen we het voor elkaar de hele fabriek schoon te houden.

Ik heb veel mensen zien komen en gaan; er zijn weinig banen die je hierop kunnen voorbereiden. Misschien gek, maar ik heb er niet zoveel problemen mee. Het heeft vast te maken met m’n opvoeding – op z’n Crooswijks: niet zeiken, maar werken. Ik zie mezelf als onderdeel van een proces, niet meer en niet minder. Ik weet precies hoe alle machines draaien, elk hoekje van de fabriek ken ik door en door. Ik ben hier op m’n plek.”

Leo Kaijen (70) werkt twee dagen in de week in een fabriek in Oosterhout die metalen vaten recyclet. 

Leo Kaijen.Beeld Martijn Gijsbertsen

Nooit, nooit zou hij in de fabriek gaan werken. “Mijn hele leven heb ik dat geroepen”, vertelt Leo Kaijen. “Toen ik veertien was, heb ik een paar dagen in een plasticfabriek gestaan: deurtje open, emmertje eruit halen, randje afsnijden, deurtje snel weer dicht. De hele dag lang! Dit nooit, dacht ik.”

Toch doet Kaijen sinds drie jaar iets wat er verdacht veel op lijkt: hij zet een metalen vat in een machine, drukt op een knop, haalt het vat er weer uit. Twee dagen in de week, in een fabriek in Oosterhout die metalen vaten recyclet. Hij staat er aan de zogenoemde 65-plus-productielijn: samen met drie andere collega’s op leeftijd zorgt hij ervoor dat er elke dag zo’n vijfhonderd metalen vaten een nieuwe onderkant krijgen. Als in een estafette geven ze elkaar het vat door, van machine naar machine. “Het is flink aanpoten. Eén vat weegt zo’n 12 kilo. Als we aan het einde van de werkdag in het kleedhok onze overalls uittrekken, klinkt één en al gesteun en gekreun.” Kaijen moet er hard om lachen. “We beuren elkaar wel weer op, altijd gebbetjes.”

Voor het geld hoeft hij het niet te doen – Kaijen is met pensioen. Veertig jaar lang was hij vrachtwagenchauffeur, de wereld zijn werkterrein, altijd op weg. Tot hij drieënhalf jaar geleden een hartstilstand kreeg. “Rijbewijs afgepakt, meteen.”

Van de ene op de andere dag zat Kaijen thuis, verplicht met pensioen. “Je ziet er je hele leven naar uit, maar als het eenmaal zo ver is…” Zijn vrouw Annemarie was nog volop aan het werk in haar strijkbedrijf aan huis. “Mensen komen de strijk brengen, na één of twee dagen halen ze hem weer op. Ze hangt ze uit, strijkt ze, doet er een zak omheen – heel netjes allemaal. Mensen hebben daar tegenwoordig zelf geen tijd meer voor. Allemaal tweeverdieners, die jongelui.”

Na drie maanden had Kaijen het gezien. “Ik snauwde op iedereen. Ik moest iets doen.” Het 65-plus-uitzendbureau stelde de fabriek voor. “Ik werk op dinsdag en woensdag, mijn vrouw ook nog op donderdag. Op donderdagavond begint ons weekend. Dan nemen we een glaasje wijn, en hebben we het heerlijke gevoel dat we iets gedáán hebben die week.”

De Limburgse Mandy Engelen (47) maakt onlinebestellingen klaar in een magazijn. Eerder werkte ze als kapster en op een champignonkwekerij.

Mandy Engelen.Beeld Martijn Gijsbertsen

Vandaag besteld, morgen in huis. “Voor de mensen thuis is het gewoon één muisklik”, zegt Mandy Engelen. Zelf had ze voordat ze bij Arvato kwam werken ook geen idee welke wereld er schuilgaat achter een onlinebestelling. Engelen werkt als pickpacker in een enorm magazijn in het Limburgse Heijen, waar onlinebestellingen van verscheidene merken en bedrijven worden verwerkt.

Robotwagentjes brengen de producten in bakjes over een lopende band naar een pickstation toe, Engelen pickt er de juiste producten volgens de bestelling uit. Bij de packtafel verpakt ze de producten. “De computer zegt wat ik moet doen, welke producten in welke doosjes moeten, of er een gift wrap omheen moet. Het zijn dure

beautyproducten, het moet er dus mooi uitzien als de klant het openmaakt.”

Engelen doet haar werk graag volgens nauwgezette regels. “In één doos zitten vaak meerdere producten; het is altijd een beetje puzzelen hoe ze het beste liggen. Ik leg ze het liefst van klein naar groot, kaarsrecht, met de voorkant naar boven – dat geeft mij een prettig gevoel. Ik zie weleens pakketten van anderen voorbijkomen die niet naar m’n zin zijn. Daar word ik echt kriegel van. Het liefst zou ik ze overdoen, maar dat kan natuurlijk niet.”

Engelen had ‘nooit echt een groot plan’, ze staakte haar loopbaan als kapster toen een bedrijfsleider haar onzeker maakte over haar uiterlijk. Ze werkte in de champignonkwekerij, was zestien jaar thuis met haar kinderen, maakte daarna een tijdje hotelkamers schoon. “Soms denk ik dat ik meer in mijn mars heb, en dat mijn onzekerheid me belemmert. Als ik weet wat ik moet doen, kan ik het namelijk met verve aan anderen uitleggen.”

Engelen werkt ook nieuwe medewerkers in en brengt ze nauwkeurig haar inpakregels bij. “Maar ik heb niet de ambitie om een afdeling onder me te hebben. Het allerbelangrijkste van een baan is voor mij dat ik me er happy voel en zeker ben van mezelf. Je kunt het simpel werk noemen, maar ik ben hier wel gegroeid. Mij maken ze niet meer zo gauw iets wijs.”

Beeld Jorgen Caris

‘Achteraf was de fabriek voor mij een schatkamer’

Hij droomt nog vaak dat-ie naar de fabriek moet. “Wat een opluchting als ik wakker word: ik hoef niet meer, ik ben ontsnapt.” Vijfentwintig jaar lang deed Erik de Jong – zijn alias als muzikant Spinvis bestond toen nog niet – allerlei lopendebandwerk. Hij stopte brooddeeg in emmertjes, pompte was in spuitbussen – ‘aan het einde van de dag zat het in m’n oren, neusgaten en ogen’ – bottelde sherry, sorteerde de post.

“Nu kijk ik er van een afstandje naar, maar mijn halve leven was ik er zelf onderdeel van”, zegt Spinvis, die voor de eerste aflevering van podcast ‘Lopendebandwerk’ de soundtrack maakte bij het werk van afvalsorteerder Patrick van Wijngaarden. “Ik weet hoe het is als de klok niet opschiet. Je staat te werken, te werken, kijkt weer naar die klok, en er zijn nog maar drie minuten voorbij. Er waren dagen dat ik elke seconde diep, diep beleefde.”

Was hij in zijn vorige leven een klein onderdeel van een productielijn, tegenwoordig is Spinvis als muzikant ‘de hele productielijn zelf’. “Dat is een belangrijk verschil. Als je te ver afstaat van het eindproduct, voel je niet zoveel bij wat je doet.”

Toch had Spinvis geen hekel aan het werk. “Ik leerde een hoop over hoe mensen zijn. Je staat acht uur of langer tussen anderen, je wordt zomaar een soort dagboek van mensen. Ze vertellen je dingen die ze eigenlijk tegen zichzelf zeggen. Dat is bijzonder.” Het bleek een ‘schatkamer’ waaruit hij nog steeds put voor zijn liedjes. “Ik schreef schriften vol dingen die mensen me vertelden. Toen wist ik nog niet dat ik er iets mee zou doen. Ik verzamelde al die zinnen – ooit zouden ze van pas komen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden