Aan de geschiedenis valt weinig te ontlenen

Piet Emmer (1944) is emeritus hoogleraar in de geschiedenis van de Europese expansie en slavernij-expert.

Iedereen is een historicus, want 's morgens bij het wakker worden begin je je te herinneren waar je bent en wie je bent. En in de daarop volgende seconden komen er meestal nog een heleboel gegevens bij. Daarbij vragen maar weinig mensen zich af hoe ze een keuze maken uit de vele duizenden feiten en belevenissen, die in hun brein zijn opgeslagen. Optimisten herinneren zich graag de successen en de pessimisten de mislukkingen uit hun verleden.

Dat is niet alleen menselijk, die verschillen zijn ook onderdeel van het professionele historische metier. Zo was het vóór de Oorlog gebruikelijk te wijzen op de positieve kanten van het kolonialisme, en na de Oorlog op de nadelen. En diezelfde omslag vond plaats met betrekking tot het nationaal-socialisme en later het communisme. Ook kijken we heel anders aan tegen migratie en asiel dan tien jaar geleden. Maar misschien wel de belangrijkste vernieuwing is het feit dat zo'n omslag van positief tot negatief tegenwoordig vaak vergezeld gaat met een eis tot schadevergoeding.

Eigenlijk is het bestuderen van het verleden een onmogelijke opgave om de simpele reden dat we weten hoe het afliep, waardoor we ons niet meer kunnen verplaatsen in de dilemma's van diegenen die dat niet wisten.

Hoe is het ooit mogelijk geweest dat zoveel mensen de overzeese expansie van Europa, de opkomst van het communisme in de Sovjet-Unie en dat van het nationaal-socialisme in Duitsland hebben toegejuicht?

Dat komt doordat honderden jaren lang het kolonialisme als progressief werd gezien, niet alleen in Europa, maar ook in de gekoloniseerde wereld. Het koloniale bestuur verving immers de inefficiënte, hardvochtige, en parasitaire heersers in Azië en Afrika, waardoor het mogelijk werd om de koloniale bevolking te bevrijden van de permanente onderlinge oorlogen en rooftochten, van uitbuiting, honger, ziekten en onwetendheid.

Vandaar dat onze eigen Multatuli de eenvoudige dessabewoner op Java meer Nederlands kolonialisme toewenste, niet het toenmalige halfslachtige kolonialisme, dat wel zoveel mogelijk geld naar het moederland wilde sturen, maar het lokale bestuur overliet aan de corrupte, traditionele heersers. Het moderne kolonialisme moest dieper in de maatschappij doordringen om zo de landbouw te verbeteren, moderne wegen, spoorwegen, telegraafverbindingen aan te leggen en voor schoon drinkwater te zorgen. Dan maar geen batig saldo.

En wat voor het kolonialisme gold, was ook van toepassing op het communisme en het nationaal-socialisme. Het waren beide idealistische stromingen, waarvan de nadelen pas in de loop van de geschiedenis aan het licht zouden komen. Dat betekent dat we de aanhangers van beide ideologieën naar gelang van de tijd verschillend moeten beoordelen, en dat wordt maar zelden gedaan.

De geschiedenis kent nog meer valkuilen. Wat te denken van de veel gehoorde misvatting dat het verleden de leermeester van het heden is?

Een goed voorbeeld is de migratie. Daar weten we ons op het ogenblik niet goed raad mee en daarom hopen we op goede raad van hen, die dit verschijnsel in het verleden hebben bestudeerd. Zij geven meestal opvallend eensluidende antwoorden: immigranten stimuleren de economie en we moeten niet schrikken van de huidige aantallen, want in het verleden zijn het er wel eens meer geweest. Bovendien voorkomt de immigratie dat de bevolking van Europa afneemt. En wat voor economische immigranten geldt, is ook van toepassing op asielzoekers. Het verleden laat zien dat met wat taalcursussen en een klopje op de schouder vluchtelingen prima integreren.

Op deze geruststellende visie valt historisch gezien weliswaar weinig aan te merken, maar het is zeer de vraag of we er vandaag de dag nog wat aan hebben. De beslissing om te migreren wordt tegenwoordig allang niet meer bepaald door vraag en aanbod, maar ook door de aantrekkingskracht van onze sociale welvaartsstaat.

Die maakt migratie tot een volstrekt ander verschijnsel. Omdat iedereen binnen de grenzen van Nederland op het bestaansminimum kan rekenen, is de belangrijkste immigratiezeef verdwenen. Vroeger migreerde je niet naar een land, waar je weinig kans had om zelf in je levensonderhoud te voorzien. Armoe lijden kon je beter thuis doen. Dat is nu anders, want zelfs zonder werk en zonder kennis van de taal heb je het met een uitkering in het rijke West-Europa meestal beter dan met hard werken thuis. Dat is pijnlijk duidelijk geworden toen de Turkse en Marokkaanse gastarbeiders veertig jaar geleden niet naar huis terugkeerden, hoewel ze ten gevolge van een economische moderniseringsgolf werkeloos waren geworden zonder uitzicht op een andere baan. Van deze groep, die rond 1970 onderaan de Nederlandse arbeidsmarkt was begonnen, had 25 jaar later de helft nog steeds geen beter werk gevonden, terwijl een derde thuis zat en zijn hand ophield.

Met één klap werd duidelijk dat een hoogontwikkelde economie alleen kan profiteren van gespecialiseerde, goed opgeleide immigranten, die bij binnenkomst al over een baan beschikken met een inkomen ver boven modaal. Uitzondering zijn de pendelmigranten, die bij ziekte of werkeloosheid teruggaan, geen schoolgaande kinderen of ziekelijke ouders meenemen en daarom geen gebruik maken van onze dure scholen en universiteiten of van onze nog duurdere gezondheidszorg.

De moderne welvaartstaat vergroot de kans dat een migrant zijn of haar nieuwe woonland niet rijker, maar armer maakt. Dat was vroeger niet zo en alleen daar hebben de historici gelijk in.

Datzelfde geldt voor de opvang van asielzoekers in een West-Europees land, al worden die niet toegelaten om de economie te versterken, maar om hun leven te redden. De opvang van vluchtelingen kostte vroeger ook al veel belastinggeld, maar aanzienlijk minder dan vandaag, want voorheen konden veel asielzoekers op eigen benen staan in het gastland, omdat ze gezond waren en van aanpakken wisten.

Die kwalificaties zijn tegenwoordig volstrekt ontoereikend. En hoewel alleen de beter gesitueerde vluchtelingen het zich kunnen veroorloven naar Europa te reizen, blijken ze met hun diploma's en hun talenkennis toch niet in staat om een goed betaalde baan te vinden. West-Europa moet er dan ook rekening mee houden dat de kosten voor de huidige opvang slechts een fractie bedragen van de vervolgkosten voor huisvesting, onderwijs, gezondheidszorg en uitkeringen. Onlangs wees een onderzoek in 197 Nederlandse gemeenten uit, dat negentig (90!) procent van de erkende asielzoekers geen betaald werk kan vinden en in de bijstand zit.

Daarbij komt dat de vluchtelingen vroeger meestal uit nabijgelegen landen kwamen, waar het welvaartspeil, de gezondheidszorg, de publieke veiligheid en het onderwijssysteem niet veel verschilden van het onze. Dat maakte terugkeer gemakkelijk. Thans komen de meeste vluchtelingen uit landen die gemiddeld veel minder welvaart kennen dan West-Europa, en de reden om te vluchten mag dan tijdelijk zijn, het welvaartsverschil is dat niet. Blijven is daardoor vaak veel aantrekkelijker dan teruggaan.

Een extreem, maar zeer leerzaam voorbeeld is dat van een Somalische piraat, die werd opgepakt door een Nederlands marineschip en na een rechterlijke veroordeling in ons land in een gevangeniscel belandde. Hoe hoger de straf hoe beter, want hij wilde absoluut niet vrijgelaten worden. In de Nederlandse cel had hij het beter dan thuis. Dat laat zien dat de moderne welvaartsstaat de historische ervaringen met migratie en asiel grotendeels onbruikbaar heeft gemaakt.

Tot slot: de geschiedenis als Klaagmuur annex betaalautomaat. Dat er groepen individuen en volken zijn, die zich in het verleden onrechtvaardig behandeld voelen, is niets nieuws, kijk maar in de Bijbel.

Nieuw is wel de idee, dat die onrechtvaardige behandeling financieel dient te worden gecompenseerd. Het grote voorbeeld is de West-Duitse Wiedergutmachung, betaald aan groepen die onder het naziregime hadden geleden, zoals Joden, zigeuners, homoseksuelen en dwangarbeiders.

Volgens ditzelfde principe hebben de regeringen van Engeland en Nederland onlangs een bescheiden bedrag uitgekeerd aan familieleden van een klein aantal slachtoffers van de dekolonisatieoorlogen. De generatie die het kwaad had aangericht, betaalde een symbolisch bedrag aan de generatie die schade had geleden, verder terug ging die Wiedergutmachung niet.

Die beperking is losgelaten bij de recente eis van veertien voormalige koloniën uit het Caribische gebied aan Engeland, Frankrijk en Nederland om schadevergoeding voor de koloniale slavernij te betalen. Wordt die claim gehonoreerd, dan is er voor historische schatgravers een gouden toekomst weggelegd. De meeste slaven in het Nederlandse koloniale rijk bevonden zich namelijk helemaal niet in het Caribische gebied, maar in Azië en Zuid-Afrika. Daar zouden hun verre nakomelingen dan ook om geld kunnen vragen.

En als we toch bezig zijn: wie betaalt de compensatie aan de nakomelingen van de slaven, die in Afrika en Azië zijn gebleven? Hun aantal was vele malen groter dan de slavenbevolking in de Europese koloniën.

Maar ook in Europa valt er genoeg te verdienen, zoals voor miljoenen Nederlanders, wier voorouders eeuwenlang als kind werden gedwongen om te gaan werken en daarom niet naar school konden gaan of die voortijdig moesten verlaten. De schade daarvan is zelfs van recenter datum dan van de koloniale slavernij, omdat pas met de leerplichtwet van 1901 grotendeels een einde kwam aan de kinderarbeid in ons land, terwijl de slavernij in de West in 1863 werd afgeschaft.

De claimcultuur vormt bovendien een ernstige bedreiging voor het wetenschappelijk onderzoek naar het verleden. Een van de bekendste slavernijhistorici in Frankrijk is een aantal jaren geleden voor het gerecht gedaagd, omdat hij de handel in Afrikanen naar het Arabisch schiereiland en binnen Afrika zelf vergeleek met die over de Atlantische Oceaan. Deze vergelijking zou volgens de klagers afbreuk doen aan de unieke aspecten van de Europese slavenhandel en dat was volgens een nieuwe wet strafbaar.

Bovendien - zo denk je er meteen bij - zou de vergelijking de claim op een schadevergoeding van alleen de nakomelingen van de slaven in het Caribische gebied kunnen verzwakken.

De geschiedenis is geen betrouwbaar kompas voor beleidsbeslissingen en evenmin geschikt om als stormram te fungeren in het huidige politieke debat. Daarvoor verschillen de omstandigheden in het verleden en heden te veel. Zo kan een analyse van het kolonialisme wellicht inzicht geven in de obstakels voor de economische groei in Azië en Afrika. Maar een groot deel van die obstakels heeft niets met dat kolonialisme te maken, zoals het huidige Afghanistan en Ethiopië bewijzen, die nooit zijn gekoloniseerd maar toch behoren tot de armste en achterlijkste landen ter wereld.

Het verleden kan ons evenmin helpen om de maatschappelijke en financiële gevolgen van de huidige golf asielzoekers goed in te schatten. Spinvis zong al: 'De geschiedenis herhaalt zich nooit, maar rijmt altijd een keer'. Historici kunnen er wel op wijzen dat de Belgische asielzoekers in Nederland na afloop van de Eerste Wereldoorlog weer keurig naar huis zijn teruggekeerd, net als de meeste Zuid-Europese gastarbeiders in de jaren zeventig van de vorige eeuw, maar dat zegt weinig over de keuzes van de asielzoekers en migranten van vandaag.

We moeten maar accepteren dat het verleden een vreemd land is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden