A.L. Snijders: Als ik iets ben, dan ben ik ironisch

'Ik houd zelf erg van leugens 'liegen is verbeelden' en toch geloof ik dat je ze zo min mogelijk tot eigen voordeel moet aanwenden.' (FOTO MARK KOHN )

Peter Müller (Amsterdam, 1937), beter bekend als A.L. Snijders, is schrijver en bedenker van het genre ZKV: Zeer Korte Verhalen. In november won hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Ieder kind wordt als atheïst – letterlijk zonder God – geboren, maar vanaf de eerste seconde gaat het milieu, de ideologie van de omgeving, een rol spelen. Mijn grootvader was atheïst, mijn vader was atheïst, ik ben atheïst, mijn kinderen zijn atheïsten. Als ik in Karachi was geboren, was ik nu wellicht een fanatieke, extremistische moslim geweest. Tegen degene die mij ervan probeert te overtuigen dat het atheïsme ook een zuil is, zeg ik: nee, het is de enige vrije kamer.

Ik ga er niet mee langs de deuren, zoals Alosery, Wim Alosery. Hij is Jehova’s Getuige. Twintig jaar geleden klopte hij hier voor de eerste keer aan. Alosery is een overlevende van de ramp met de Cap Arcona, een Duits schip dat vijfduizend krijgsgevangenen uit Neuengamme vervoerde en op 3 mei 1945 door de geallieerden werd gebombardeerd. De meeste mensen zijn verbrand of verdronken. Van de driehonderd die het hebben overleefd, is Alosery zo’n beetje de laatste.

Alosery komt van Kattenburg. Ik kom weliswaar uit de Apollolaan, maar we zijn toch allebei Amsterdammer. Na tien keer durfde hij het te zeggen: ’Ik vind het zo prettig hier omdat ik eindelijk weer eens een paar ruwe grappen kan maken. Amsterdammers, onder elkaar.’ Hij komt niet om mijn ziel te winnen. Hij hoeft alleen maar te preken. Over die wrekende, verschrikkelijk onrechtvaardige God. Onvoorstelbare kost. Ik verheug me iedere keer weer op zijn komst. Dan zeg ik: ’Alosery, denk erom, het Oude Testament’. Niet het Nieuwe. Niet dat weke gedoe.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Als ik nadacht over hoe je zou moeten zijn als schrijver, dan dacht ik aan Frida Vogels. Ik dacht dat ik zo was: een schrijver die in de stilte, onbekend, de literatuur bedrijft. Toen kreeg ik tot mijn verrassing de Constantijn Huygensprijs. Ik werd uitgenodigd voor televisieprogramma’s. Het begon ermee dat ik geen nee kon zeggen, maar ik merkte al snel dat ik het ontzettend leuk vond om mee te doen. Frida Vogels lijdt onder aandacht. Ik blijk ervan te kunnen genieten. Dat is een kwestie van karakter.

Zo dacht ik ook dat ik een volkomen natuurlijk stadsmens was. Ik ben er geboren en naar school gegaan. Ik heb er Y, mijn vrouw, ontmoet, we hebben een gezin gesticht. In 1971 zijn we met zijn zevenen – man, vrouw en vijf kinderen – uit de stad naar deze boerderij vertrokken en na verloop van tijd kwam ik erachter dat ik in een verkeerd lichaam was geboren. Ik ben helemaal geen stadsmens, ik ben een landman, op en top. De kinderen zijn vertrokken maar wij willen hier doodgaan. Wat zeg je, Y? Je wil nog niet dood? Maar ik zeg toch ook niet vandaag? Pas als de Heer der heerscharen ons tot zich roept.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Mijn moeder had drie zusters. De oudste en de jongste zagen er met hun prachtige zwarte haren uit als zigeunerinnen. De middelste twee, waarvan mijn moeder de jongste was, waren Doris Day-achtige Coca Cola-schoonheden om te zien. Haar oudere zusje, Kiek, liet zich op een dag door een klein kereltje zwanger maken in het Vondelpark, of in een ander bosje. Oom Gerard kwam uit een puissant rijk rooms-katholiek gezin. Zijn familie had fortuin gemaakt met een classificeerderbedrijf – het schoonmaken van scheepsruimen, dat was in die tijd het goorste, zwaarste beroep dat je je maar kon indenken – en bezat de halve Amsterdamse en Rotterdamse haven. Maar goed, tante Kiek en haar minnaar moesten trouwen en ze woonden op het Dijsselhofplantsoen, een soort inham van de Apollolaan, niet ver van de plek waar later Endstra zou worden doodgeschoten. Ze kregen zes kinderen. Tante Kiek was van huis uit niet katholiek, maar ze werd door de jaren heen steeds fanatieker. Renegaten zijn het allerfelst, dat weet je toch? Wij woonden vlakbij en ik kwam vaak bij hen over de vloer. Ja ja, ijdel gebruik, daar kom ik nu op...

Tijdens een feestje in hun kelder – daar waar arme mensen hun kolen opslaan – kwam ik in gesprek met de intellectueel van de familie. Hij was een jaar of tien ouder dan ik. Hij zei: ’Alleen christenen zijn in staat om een beschaafde maatschappij in te richten’. Dat was geen corpsballengeblaat, geen feutengepraat, nee, die klootzak meende het nog ook. De mensen geloven de woorden van Jezus: ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven, buiten mij is geen Waarheid. Dat is nog altijd het christelijke standpunt. Als dat de basis niet is, stort de hele zaak in elkaar. En dat gebeurt niet omdat het christendom zoveel prachtige dingen – of het nou de kale Noorse kerkjes in Noord-Friesland of de barokke bordelen in Zuid-Beieren zijn – heeft voortgebracht. Maar belangrijker is natuurlijk het wondergehalte van de christelijke kerk, mensen houden van wonderen en daarom zal het altijd blijven bestaan.

Buiten mij is geen Waarheid. Die arrogantie mag van mij bestreden worden. Hans Teeuwen heeft het karakter en het talent om op een grove manier met God en Jezus in de weer te gaan. Ik ben het volkomen met hem eens, maar ik heb zijn vorm niet. Ik ben geen provocateur. Ik ben ook niet een sarcastisch iemand. Als ik iets ben, dan ben ik ironisch.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Dat vind ik mooi, maar wat het weer zo gruwelijk maakt is het volgende: heb je dat huisje aan het begin van de laan gezien? Dat is het portiershuisje van de Boekhorst, het kasteel dat je verderop ziet staan. Het huisje is ooit, net als het andere onroerend goed, verkocht. Ik weet niet wat ermee aan de hand is, maar er wonen steeds weer andere mensen in. En we kennen ze nooit.

Tot op een zondag een nieuwe eigenaar opbelde en vroeg: ’Ik wil vanmiddag in mijn tuin gaan werken, heeft u daar bezwaar tegen?’ Ik dacht: die man is gek geworden. Maar toen bleek dat hij was verhuisd van die bikkelharde Veluwe en dat hij als niet-gelovige – of in ieder geval niet praktiserend – erg op zijn hoede moest zijn want ook als je daar een doodstil werkje deed, waar de mensen er geen last van konden hebben, dan trad nóg die mechaniek in werking van uitsluiting, ruzie, gevaar, afijn: alles wat wij elkaar onder het woord sociale controle allemaal aan kunnen doen.

De sabbatsrust is absoluut verdedigbaar, maar niet met dat afschuwelijk keurslijf want als er geen weerstand tegen is, als er geen adem meer kan worden gehaald, dan krijg je toestanden zoals in die wijken van Jeruzalem waar jongens met pijpenkrullen stenen gooien naar de auto die daar op hun dag durft rond te rijden.”

V Eer uw vader en uw moeder

„Mijn vader wilde mij zo vrij laten dat ik uit vrije wil ging doen wat hij niet kon doen Dat is voor het eerst dat ik het op deze manier formuleer, maar zo is het precies. Goed, hij stuurde mij naar fluitles en daar vond ik niks aan, maar toen ik er na zes jaar mee op wilde houden maakte hij geen bezwaar. Hij heeft één keer ingegrepen. Ik zat op de gymnasiumafdeling van het Spinozalyceum en ik vond het er verschrikkelijk. Ik bleef zitten in de vierde klas en ik zei tegen mijn vader dat ik van school af zou gaan. Ik zag die Remco Campert-achtige jongens rondhangen in de stad en ik besloot dat ik een Leidsepleiner zou worden. Mijn vader zei nee. ’Je gaat alleen met een diploma van school.’ Verder niks. Geen geschreeuw, nooit.

Ik heb de school afgemaakt. Met mijn hakken over de sloot. Ik wilde geen boek meer zien en ging naar de Academie voor de Beeldende Kunst in Den Haag. Te schijterig om beeldhouwen of schilderen te doen – altijd een beetje schijterig – koos ik voor binnenhuisarchitectuur. Na een jaar stapte ik over op een studie Nederlands. Geen probleem. Volkomen vrij. Of hij zelf dan zo onvrij was? Ja nu komen we op een interessant gebiedje. Ik ga er vanavond iets over schrijven. Herinner mij er aan dat ik je op zal sturen.”

(Bijgaand stukje vond ik, AV, een dag later in mijn mailbox:)

’Als mijn vader nog leefde zou hij honderd-en-een zijn. Zijn broer Gerrit leeft, hij is zevenennegentig. Ze zijn verlaten door hun moeder toen ze nog klein waren. Hun vader was stukadoor, hij moest werken en bracht zijn zonen bij zijn ouders in de Balthasar Floriszstraat. Mijn vader was een gevoelige, introverte jongen, hij wilde violist worden. Dat is niet gebeurd, na zijn hbs-diploma is hij op kantoor gaan werken. Hij verachtte zijn baan, maar hij trouwde en kreeg kinderen, de weg was uitgestippeld. Hij luisterde altijd naar muziek, de radio, de grammofoon, het Concertgebouworkest. Als ik ’s avonds laat thuiskwam, zat hij vaak in de onverlichte huiskamer naar Mahler te luisteren, en soms dirigeerde hij.

Niet lang geleden vertelde Gerrit me dat mijn vader een viool had gekregen, dat hij les had en dat hij oefende in het huis waar zij toen woonden, bij hun grootouders in de Balthasar Floriszstraat. Hun grootvader was een tirannieke anarchist, hem ergerde het gekras van de jonge violist, hij sloeg het instrument aan splinters. Dit heb ik nooit geweten, ik hoor het voor het eerst, Gerrit vertelt het terloops, november 2010.’

„Ik had wel een vermoeden dat hij ongelukkig was. Hij groeide door, mijn moeder niet. Het klinkt te cru als ik zeg dat ik hem heb opgevoed, maar hij ging wel mee in alles wat ik las en zag, in de dingen die ik te weten kwam. Zijn vrienden – notarissen, architecten, dokters, bazen van dit of dat, allemaal uit Amsterdam Zuid – lachten hem uit. Ze zeiden dat hij mij adoreerde en dat het toch eigenlijk andersom moest zijn, maar het was absoluut een adoration mutuel. Ik adoreerde hem net zo zeer als hij mij.

Mijn moeder dit zijn zaken die veel te gecompliceerd zijn om te vertellen en je zult er waarschijnlijk toch niets van begrijpen, maar ik vertel het je toch maar mijn moeder veranderde niet mee. Ze bleef zuinig en precies. Als ik tegen mijn vader zei dat we een zeilboot moesten kopen, dan kocht hij die onmiddellijk. De pogingen van mijn moeder om hem tegen te houden, liepen op niets uit. ’En ik heb niet eens een horloge!’, zei ze dan. Terwijl ze geld genoeg had. Ze had de zelfopgelegde spaarzaamheid die ervoor heeft gezorgd dat onze economie nog altijd beter draait dan de Italiaanse. Zij was goed voor mij op het zuiver materiële vlak. Ze hield van mij, maar ik hield veel meer van mijn vader. Ik deelde zijn minachting voor geld, ik deelde zijn liefde voor kunst.

Ik voel me nu wel een beetje kloterig als ik er aan terugdenk. Het was een onharmonieuze verdeling van mijn liefde en van mijn sympathie en ik ben er – om nog een verschrikkelijke term te gebruiken – niet trots op, maar Y zegt dat ik het veel te scherp zie. Ze zegt dat ik buitengewoon veel aardiger ben dan dat ik me nu wil doen voorkomen. Goed. Schrijf dat dan maar op.”

VI Gij zult niet doodslaan

„Ik woonde in de Roompotstraat. Als je ons straatje uitliep stond je aan de rand van de stad. Daar zag ik dieren, koeien. Toen ik een jaar of vijf, zes, was vroeg ik aan mijn moeder wat vlees, dat spul op mijn bord, nu eigenlijk was. ’Dat’, zei ze ’zijn de koeien die je elke dag in de wei ziet lopen.’ Ik heb daarop, naar het schijnt, een hysterische aanval gekregen. Krijsend, slaand, trappend op de vloer. Ik heb dat altijd als een teken van zwakte gezien; dat ik er niet tegen op kon, dat ik de grondregels van het bestaan – waar vlees eten, vechten voor je eigen plaats op aarde en zo bij horen – niet kon naleven, dat ik er ongeschikt voor was.

Veertig jaar later ben ik, toen we hier net woonden, kippen gaan slachten. Ik was gevoelig voor de boodschap van sommige mensen die zeiden dat je alleen dieren mocht eten als je ze zelf had doodgemaakt. Ik vind het nu een waardeloze redenering in de geen-woorden-maar-daden-sfeer, maar toen wilde ik nog steeds bewijzen dat ik geen slappeling was. Ik wilde over die drempel heen, erbij horen. Dus greep ik die kippen bij hun lijf, hield de nek boven het hakblok en sneed ze de kop af. Een heel naar werkje dat ik al snel besloot uit te besteden. Tien van de honderd kippen heb ik zelf gedood. De rest heb ik in manden gestopt en naar een man in Epse gebracht.”

VII Gij zult niet echtbreken

„Om te beginnen kan, geloof ik, niemand zeggen of de mens nou een polygaam of een monogaam wezen is. Ik hou het er maar op we soms naar een bepaalde richting tenderen. Ook binnen ons huwelijk bestaat die interessante spanning van de jaloezie. Als er kapers op de kust zijn, worden die met argusogen bekeken. Het geeft eenzelfde soort gespannenheid als wanneer je werkelijk vreemd zou gaan. Denk ik. Nee, ik voel geen aandrang om het uit te proberen. Er zijn dingen die ik niet doe. Ik zal ook niet zomaar een man op zijn smoel slaan omdat hij me niet bevalt. Maar er is nog een ander aspect: een huwelijk waarin alles mag, werkt niet. Als beide partijen alles maar goed vinden, ontstaat er een soort vlakheid, een tolerantie die de zaak volkomen slap maakt.”

VIII Gij zult niet stelen

„Ik steel alleen iets als het van niemand is.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Ik heb twee theorieën. A: de leugen is het smeermiddel van de maatschappij en B: een dubbele moraal is absoluut noodzakelijk. Iedereen heeft een dubbele moraal, zonder een uitzondering. Vervolgens moet je je afvragen: waar trek ik een grens? Ik houd zelf namelijk erg van leugens – liegen is verbeelden – en toch geloof ik dat je ze zo min mogelijk tot eigen voordeel moet aanwenden. Als je dat doet, wordt het handel. Je moet dus vrijblijvend, vrij en blijvend, liegen. Gewoon, omdat je het lollig vind. En geen al te grote leugens, nee. Het walletje moet wel bij het schuurtje blijven.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Ik ben volkomen initiatiefloos en passief. Ik studeerde Nederlands omdat ik het leuk vond. Niet omdat ik ideeën had over wat ik er later mee kon worden.

Als er iets gepland is in mijn leven, dan heeft Y daar voor gezorgd. Zij koos deze boerderij omdat er op honderd meter afstand een bus stopt. Omdat er een ventweg naast de provinciale weg naar Lochem ligt waarover de kinderen, later, naar school konden fietsen. Dat had ze goed gezien. En het is precies zo gegaan. Het is niet zo dat ik als een soort larf door het leven ga, maar ik ben wel praktisch ambitieloos. Doordat ik nooit aan een prijs heb gedacht, is hij voor mij honderd maal mooier dan voor de schrijvers die er dag en nacht mee bezig zijn, begrijp je?

Er is één zin in mijn leven, dat is de zin der zinnen, de kernzin van het taoïsme, in een vertaling uit 1942 van de grootste China-kenner die we ooit hebben gekend, J.J.L. Duyvendak: de weg is bestendig daadloos, nochtans blijft niets ongedaan. Het maakt dus niet uit wat ik wil, of wat ik doe. Alles gebeurt toch wel. De weg is bestendig daadloos, nochtans blijft niets ongedaan. Dat is ’m. Mijn zin. En daar is alles mee gezegd.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden